ECLI:NL:RBOBR:2026:1555

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
409941 / HA ZA 24-689
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 3:60 BWArt. 7:414 BWArt. 1:247 BWArt. 1:262 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering vader wegens vermeende onrechtmatige daad Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis en Jeugdbescherming Brabant

Vader vordert een verklaring voor recht dat de Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis en Jeugdbescherming Brabant onrechtmatig jegens hem en zijn zoon hebben gehandeld door niet tijdig of adequaat in te grijpen, wat heeft geleid tot materiële en immateriële schade. De rechtbank verklaart hem niet-ontvankelijk voor zover de vordering betrekking heeft op zijn inmiddels meerderjarige zoon, omdat hij niet bevoegd is namens hem te procederen.

De rechtbank beoordeelt vervolgens de vordering van vader jegens de gedaagden zelf. Vader verwijt hen onder meer het niet naleven van wettelijke zorgplichten, onvoldoende ingrijpen bij incidenten en het niet adequaat informeren van hem. De gedaagden voeren verweer met onderbouwing van hun inspanningen, beleidsvrijheid en het ontbreken van causaal verband met de gestelde schade.

De rechtbank oordeelt dat vader onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld om onrechtmatigheid aan te tonen. De Raad heeft beleidsvrijheid bij het inrichten van onderzoeken en het opstellen van rapportages, Veilig Thuis heeft adequaat gehandeld binnen haar bevoegdheden en JBB was pas laat betrokken. De gestelde schendingen van wettelijke bepalingen en protocollen zijn onvoldoende onderbouwd en er is geen aannemelijk causaal verband met de schade van vader.

Daarom wijst de rechtbank de vorderingen af en veroordeelt vader in de proceskosten van alle gedaagden. Het vonnis is gewezen door mr. F.E. Roll en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van vader af en verklaart hem niet-ontvankelijk voor zover de vordering betrekking heeft op zijn meerderjarige zoon.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/409941 / HA ZA 24-689
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.A.M. Verkuijlen,
eisende partij,
tegen

1.JEUGDBESCHERMING BRABANT,

te 's-Hertogenbosch,
hierna te noemen: JBB,
advocaat: mr. T. Havekes,
2.
DE STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID, RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
te Den Haag,
hierna te noemen: de Raad,
advocaat: mr. G.J. Harryvan,
3.
VEILIG THUIS OOST-BRABANT,
te Helmond,
hierna te noemen: Veilig Thuis,
advocaat: mr. B.M.G. Bijnen,
gedaagde partijen.

1.Inleiding en samenvatting

1.1.
[eiser] is de vader van zijn inmiddels meerderjarige zoon [naam zoon] . In de kern vindt [eiser] dat gedaagden onrechtmatig jegens hem en zijn zoon hebben gehandeld, doordat zij voor zijn zoon niet tijdig/niet de juiste maatregelen hebben genomen en fouten hebben gemaakt. Hij stelt dat hij en zijn zoon daardoor zowel immateriële als materiële schade hebben geleden, waarbij die laatste erin bestaat dat hij niet of minder heeft kunnen werken in zijn eenmanszaak. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat gedaagden een onrechtmatige daad jegens hem en zijn zoon hebben gepleegd en wil dat zij hoofdelijk worden veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover die betrekking heeft op zijn zoon. Voor zover zijn vordering betrekking heeft op [eiser] zelf, wordt de vordering afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten van ieder van de gedaagden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 37,
- de akte aanvullende gronden en producties, met producties 38 en 39,
- de conclusie van antwoord van JBB, met producties 1 tot en met 3,
- de conclusie van antwoord van de Raad, met producties 1 tot en met 18,
- de conclusie van antwoord van Veilig Thuis, met producties 1 tot en met 14,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het B8 formulier van mr. Verkuijlen van 9 september 2025 met producties 1 tot en met 7,
- de mondelinge behandeling van 22 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] heeft een relatie gehad met [A] (hierna: [A] ). Uit die relatie is op [geboortedatum] 2004 hun zoon [naam zoon] geboren. Uit een eerdere relatie had [A] twee dochters, waaronder [B] . [eiser] en [A] waren gezamenlijk belast met het gezag over [naam zoon] .
3.2.
In 2014 zijn [eiser] en [A] uit elkaar gegaan. Zij hebben daarbij een zorgregeling opgesteld op grond waarvan [naam zoon] de ene week bij [eiser] en de andere week bij [A] verbleef. In de periodes dat [naam zoon] bij [A] verbleef, was zijn oudere halfzus [B] daar ook.
Betrokkenheid Veilig Thuis
3.3.
Op 12 maart 2019 is er een melding van de politie bij Veilig Thuis binnengekomen naar aanleiding van een incident bij [A] thuis op 4 maart 2019, waarbij [B] had gevochten met [A] en [naam zoon] . Veilig Thuis voerde daarop een veiligheidstaxatie uit. In de politiemelding is opgenomen dat [naam zoon] en [A] hebben aangegeven dat [B] hulp nodig had, maar dat zij voor zichzelf geen zorg wilden. [B] had op 19 maart 2019 een intake bij GGZ-instelling Reinier van Arkel. Op 19 maart 2019 besloot Veilig Thuis dat zij de melding zou doorzetten naar het Sociaal Wijk Team (SWT).
3.4.
Veilig Thuis heeft [eiser] niet van deze melding op de hoogte gebracht.
3.5.
Op 14 april 2020 heeft Veilig Thuis een nieuwe zorgmelding ontvangen van de politie, naar aanleiding van een voorval bij [A] thuis op 11 april 2020. De politie heeft daarover opgeschreven dat [B] de politie had gebeld, dat zij samen met haar vriend in de keuken stond en een tafel voor de deur had geschoven om te voorkomen dat [naam zoon] haar aanviel. Toen de politie ter plaatse kwam, constateerde zij dat moeder behoorlijk onder de
invloed van alcohol was. Ook nu weer voerde Veilig Thuis een veiligheidstaxatie uit. In een multidisciplinair overleg werd vervolgens gekozen voor overdracht naar Farent sociaal werk (jongerenwerk) voor hulp aan [naam zoon] .
3.6.
Op 20 april 2020 heeft de politie wederom een melding gedaan bij Veilig Thuis. De politie schrijft daarin dat zij een melding van huiselijk geweld op het adres van [A] ontving, waarbij [naam zoon] [B] en haar vriend geslagen zou hebben. [B] en haar vriend zijn hiervoor afgevoerd met de ambulance. De afdeling Spoedeisende Hulp van het ziekenhuis heeft naar aanleiding van dit voorval eveneens een melding gedaan bij Veilig Thuis.
3.7.
Veilig Thuis heeft daarop een nieuwe veiligheidstaxatie uitgevoerd. In samenspraak met Farent werd besloten dat Farent het gezin van [A] niet kon bieden wat het nodig had, waarna Veilig Thuis het gezin van [A] op 21 april 2020 heeft aangemeld bij het KOO, die [naam zoon] aanmeldde bij Toegang en regie Jeugd.
3.8.
Bij brief van 30 april 2020 heeft Veilig Thuis [eiser] geïnformeerd over de zorgmeldingen van 14 en 20 april 2020 en over de veiligheidsvoorwaarden en -afspraken die naar aanleiding van die meldingen waren opgesteld: onder meer mocht [B] in de weken dat [naam zoon] bij zijn moeder verbleef, niet in de woning van [A] aanwezig zijn en [A] mocht geen alcohol drinken. In de brief lichtte Veilig Thuis verder toe dat haar actieve betrokkenheid zou eindigen en dat zij de situatie zou monitoren.
3.9.
[eiser] heeft daarop Veilig Thuis gemaild, onder meer met de opmerking dat afspraken moeten worden afgedwongen. Veilig Thuis (bij monde van mevrouw [C] ) heeft daarop geantwoord dat Veilig Thuis niets kan afdwingen, alleen kaders en voorwaarden stelt om de situatie weer veilig te krijgen, en dat de hulpverlening met de betrokkenen afspraken moet maken om daaraan te voldoen.
3.10.
Op 2 mei 2021 heeft Veilig Thuis een nieuwe zorgmelding van de politie ontvangen. Die was gebeld omdat [B] bij [A] aanwezig was terwijl [naam zoon] daar was. [A] bleek bovendien dronken te zijn. Veilig Thuis heeft daarna een nieuwe veiligheidstaxatie uitgevoerd. Veilig Thuis concludeerde tot het laten vallen van de route via het KOO en besloot de Raad in te schakelen.
3.11.
Op 27 mei 2021 heeft Veilig Thuis [eiser] laten weten dat zij een onderzoek door de Raad zou aanvragen. Op 28 juni 2021 heeft Veilig Thuis het onderzoek door de Raad vervolgens officieel aangevraagd.
3.12.
[eiser] heeft daarna nog diverse keren contact opgenomen met Veilig Thuis, namelijk op 2 juli 2021, 3 september 2021, 19 oktober 2021 en 21 oktober 2021.
3.13.
Op 10 augustus 2022 heeft de politie wederom een melding gedaan bij Veilig Thuis. In die melding wordt onder andere gesproken over een schermutseling tussen [naam zoon] en [A] en wordt vermeld dat [A] en [naam zoon] vaak alcohol gebruiken.
Betrokkenheid van de Raad
3.14.
[naam zoon] is enkele keren in aanraking gekomen met politie en justitie in verband met strafbare feiten vanwege:
  • het afsteken van vuurwerk
  • het niet bij zich hebben van een identiteitskaart
  • mishandeling van [B] en haar vriend (op 20 april 2020, zie hiervoor 3.6)
  • het bij zich dragen van een mes (op 7 januari 2021)
3.15.
De mishandeling op 20 april 2020 heeft geleid tot betrokkenheid van de Raad. Op verzoek van de officier van justitie heeft de Raad op 8 juli 2020 een (straf)advies uitgebracht. De officier heeft dat advies gevolgd en heeft [naam zoon] verwezen naar Halt, waar hij de verkorte agressieregulatietraining heeft gevolgd en positief heeft afgerond.
3.16.
Naar aanleiding van het wapenbezit (het mes) heeft de Raad op 11 april 2021 een nieuw (straf)advies uitgebracht. De Raad adviseerde een transactie aan te bieden in de vorm van de aanwijzing dat [naam zoon] zich zal houden aan de aanwijzingen van JBB. De
officier van justitie heeft dat advies niet overgenomen en heeft de zaak op 15 april 2021 voorwaardelijk geseponeerd.
3.17.
Op 26 oktober 2021 is de Raad gestart met het door Veilig Thuis op 28 juni 2021 aangevraagde onderzoek. Na een escalatie bij [eiser] thuis in de nacht van 26 op 27 oktober 2021 waarbij [naam zoon] suïcidale uitspraken deed en hij [eiser] had bedreigd, heeft de Raad op 28 oktober 2021 een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling (hierna: VOTS) en een voorlopige machtiging uithuisplaatsing (hierna: VUHP) ingediend bij deze rechtbank. Bij beschikking van diezelfde dag heeft de rechtbank [naam zoon] voorlopig, voor de duur van drie maanden, onder toezicht gesteld. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht in een residentiële voorziening voor 24-uurs-behandeling dan wel in een crisisvoorziening voor jeugdigen verleend voor de duur van vier weken (dus tot 25 november 2021). De beslissing op het verzoek voor het overige is aangehouden tot de zitting van 10 november 2021. Bij beschikking van 10 november 2021 heeft de rechtbank de uitspraak van 28 oktober 2021 bekrachtigd.
3.18.
De Raad heeft de rechtbank daarna verzocht [naam zoon] onder toezicht te stellen tot zijn meerderjarigheid. Ook is verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam zoon] te verlenen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ten behoeve van de mondelinge behandeling die plaats zou vinden voor de behandeling van dat verzoek heeft de Raad een nieuw beschermingsrapport opgesteld, met als datum 14 januari 2022.
3.19.
De Raad heeft eveneens op 14 januari 2022 een (straf)advies uitgebracht ten behoeve van een onderhoud ten parkette naar aanleiding van de gebeurtenissen in de nacht van 26 op 27 oktober 2021. Dat onderhoud is aangehouden tot (uiteindelijk) 22 april 2022. Ten behoeve van dat onderhoud heeft de Raad een nieuw strafrapport opgesteld op 14 april 2022, waarin hij de officier heeft geadviseerd om de strafzaken onvoorwaardelijk te seponeren. De officier heeft dat advies gevolgd.
Betrokkenheid JBB en verdere verloop beschermingsmaatregelen
3.20.
Bij beschikking van 25 januari 2022 is [naam zoon] met ingang van 28 januari 2022 tot [geboortedatum] 2022 onder toezicht gesteld van JBB. De rechtbank heeft verder een machtiging verleend voor de uithuisplaatsing van [naam zoon] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee maanden, met ingang van 28 januari 2022. Voor het overige is de beslissing op het verzoek ten aanzien van de machtiging uithuisplaatsing pro forma aangehouden tot 14 maart 2022. Bij beschikking van 25 maart 2022 is de machtiging tot uithuisplaatsing vervolgens verlengd tot 18 april 2022. Het verzoek is voor het overige - dus voor de vraag of de machtiging tot uithuisplaatsing verder worden verlengd -aangehouden tot 4 april 2022.
3.21.
Bij beschikking van 4 april 2022 heeft de rechtbank Oost-Brabant het resterende
deel van het verzoek uiteindelijk afgewezen. Op dezelfde dag is [naam zoon] weer bij zijn moeder gaan wonen.
3.22.
Op [geboortedatum] 2022 werd [naam zoon] meerderjarig en eindigde de ondertoezichtstelling.
Overig
3.23.
[eiser] heeft klachtprocedures doorlopen bij JBB en de Raad. Al zijn klachten zijn afgewezen, op één klacht bij de Raad na. Ten aanzien van die klacht werd geoordeeld dat [eiser] tijdens het raadsonderzoek had moeten worden uitgelegd op welke wijze zijn inbreng in de rapportages zou worden verwerkt, waarom bepaalde informatie wel of niet wordt opgenomen in het raadsrapport, en dat aan hem had moeten worden gemeld dat er nog wijzingen waren aangebracht in de weergave van een gespreksverslag.
3.24.
[eiser] heeft ook strafrechtelijk aangifte gedaan tegen Veilig Thuis, JBB en de Raad. Voor zover de rechtbank bekend is de officier van justitie (nog) niet tot vervolging overgegaan.

4.Het geschil

4.1.
De vordering van [eiser] luidt, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad
1. Voor recht te verklaren dat gedaagden jegens [naam zoon] en hemzelf een onrechtmatige daad ex art. 6:162 BW Pro hebben gepleegd, althans op enige andere grond verwijtbaar schadeveroorzakend hebben gehandeld, dan wel nagelaten, en dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle geleden, en nog te lijden schade die uit dit onrechtmatig handelen voortvloeit;
2. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, reiskosten, griffierechten en deurwaarderskosten, alsmede gedaagden hoofdelijk te veroordelen in alle overige kosten welke door en namens [eiser] , binnen en buiten rechte, ten behoeve van deze procedure zijn gemaakt, alsmede gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de kosten ten behoeve van de executie van het vonnis, alles te verhogen met wettelijke rente als die kosten niet binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn voldaan.
4.2.
Gedaagden voeren ieder afzonderlijk verweer. Zij concluderen allen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van diens vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. De Raad en JBB maken daarnaast aanspraak op de wettelijke rente over de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

[eiser] is niet-ontvankelijk voor zover zijn vordering betrekking heeft op [naam zoon]
5.1.
[eiser] wil een verklaring voor recht dat gedaagden (ook) onrechtmatig jegens [naam zoon] hebben gehandeld. Ten aanzien van [naam zoon] kan [eiser] echter niet in zijn vorderingen worden ontvangen. [naam zoon] was ten tijde van het aanhangig maken van deze procedure al meerderjarig. [eiser] kan dan niet zelfstandig een vordering voor of namens [naam zoon] instellen. Dat kan onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld als [naam zoon] de bevoegdheid om namens hem een procedure te beginnen aan [eiser] zou hebben overgedragen (volmacht, vgl. artikel 3:60 BW Pro) of [eiser] daartoe opdracht zou hebben gegeven (lastgeving, vgl. 7:414 BW). Die situaties doen zich echter niet voor. Sterker, [eiser] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat [naam zoon] niet wist dat hij een vordering namens hem had ingesteld. Het feit dat het gestelde onrechtmatige handelen zijn oorzaak vindt in de periode van minderjarigheid van [naam zoon] doet aan deze conclusie niet af.
5.2.
Het gaat in deze zaak dus alleen om mogelijk onrechtmatig handelen jegens [eiser] en om schade die door [eiser] is geleden.
Nadere toelichting op de vordering van [eiser]
5.3.
Op de mondelinge behandeling heeft de rechtbank [eiser] gevraagd hoe zij zijn vorderingen moet lezen als niet ten aanzien van álle gedaagden de aansprakelijkheid komt vast te staan. [eiser] heeft daarop toegelicht dat de gevorderde verklaring voor recht wat hem betreft ook zou kunnen worden toegewezen als er slechts één of twee gedaagde(n) aansprakelijk zijn, en dat de gevorderde hoofdelijkheid pas in beeld komt als er meerdere gedaagden aansprakelijk zijn. Gedaagden hebben geen bezwaar gemaakt tegen een dergelijke lezing van het petitum.
5.4.
[eiser] is verder gevraagd op welke mogelijke andere rechtsgronden dan een onrechtmatige daad (6:162 BW) hij het oog heeft op grond waarvan gedaagden verwijtbaar schadeveroorzakend zouden kunnen hebben gehandeld of nagelaten. [eiser] is daar het antwoord op schuldig gebleven.
Vanzelfsprekend is de rechtbank gehouden om rechtsgronden ambtshalve aan te vullen, maar binnen de stellingen van [eiser] ziet de rechtbank niet in welke andere in de wet geregelde rechtsgronden voor toepassing in aanmerking komen. Dat betekent dat, gegeven het petitum van [eiser] , de rechtbank zal beoordelen of gedaagden een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW Pro hebben gepleegd.
De vereisten voor een onrechtmatige daad
5.5.
Onrechtmatige daad wordt in artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) omschreven. In deze bepaling staat dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, verplicht is de schade te vergoeden die de ander dientengevolge lijdt. Voor aansprakelijkheid van de Raad, Veilig Thuis of JBB op grond van dit artikel moet voldaan zijn aan de volgende - door [eiser] te bewijzen - vereisten:
  • onrechtmatigheid (inbreuk op een recht, strijd met wettelijke plicht, of strijd met maatschappelijk betamelijke zorgvuldigheid),
  • toerekenbaarheid (krachtens schuld, wet of verkeersopvattingen),
  • schade (materiële of immateriële),
  • causaliteit (het verband tussen de oorzaak (de onrechtmatige handeling) en het gevolg van de schade) en
  • relativiteit (de geschonden norm moet strekken tot bescherming tegen de schade).
5.6.
Deze vereisten zijn bovendien cumulatief: alleen wanneer aan
allevereisten is voldaan, is er aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW Pro. Dat betekent dat wanneer het aan een van deze vereisten schort, de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht niet kan worden afgegeven.
De gronden voor de vorderingen van [eiser].
5.7.
In essentie komen de stellingen van [eiser] er allemaal op neer dat Veilig Thuis, de Raad, en JBB - mede op basis van wat [eiser] hen allemaal vertelde – hadden moeten ingrijpen, wat er dan toe had moeten leiden dat [naam zoon] niet meer bij zijn moeder zou hebben verbleven en hij alleen nog op neutraal terrein of onder begeleiding contact met haar zou hebben gehad. Op die manier zou hij (dus) ook niet in contact zijn gekomen met [B] en haar vriend en was hij (dus) ook niet in contact gekomen met justitie.
5.8.
Voor een deel maakt [eiser] alle gedaagden dezelfde verwijten. Zo stelt hij dat gedaagden ervoor hebben gezorgd dat hij zijn uit artikel 1:247 BW Pro voortvloeiende ouderlijke taken niet heeft kunnen uitoefenen. Die stelling heeft hij echter onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank die verwerpt. Bij dat oordeel heeft de rechtbank ook betrokken dat [eiser] zelf ook gebruik had kunnen maken van de hem als vader op grond van de wet toekomende bevoegdheden om zich tot de rechter te wenden om tot wijziging van de zorgregeling te komen, tot wijziging van het gezag, of zelfs tot ondertoezichtstelling van [naam zoon] .
5.9.
[eiser] vindt verder dat de op hem rustende bewijslast omgekeerd moet worden. Dat speelt dan met name ten aanzien van het vereiste van het causale verband, waar hij een beroep doet op de zogenaamde omkeringsregel, op de redelijkheid en billijkheid en op de verzwaarde motiverings- of betwistplicht. [eiser] voert daarvoor echter onvoldoende aan, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.
5.10.
De rechtbank gaat hieronder in op de individuele verwijten die [eiser] aan gedaagden maakt.
Ten aanzien van JBB
5.11.
Samengevat verwijt [eiser] JBB dat zij:
- artikel 4.1.1 lid 1 Jeugdwet heeft geschonden. De diverse keren dat [eiser] zorgen uitte over de veiligheid van [naam zoon] in de thuissituatie bij [naam zoon] moeder, zijn niet, dan wel onvoldoende serieus genomen, wat diverse gevaarlijke situaties ten gevolge heeft gehad, waaronder vechtpartijen en tentamen suïcide.
- artikel 4.1.1 lid 3 Jeugdwet heeft geschonden. Volgens [eiser] heeft JBB bij herhaling niet de verantwoordelijkheid genomen die op haar rustte en heeft zij ook niet conform de voor haar geldende professionele standaarden gehandeld. Schending van deze zorgplicht levert een onrechtmatige daad op jegens degene die onder de reikwijdte van deze algemene zorgplicht valt ( [eiser] verwijst daarbij naar Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 november 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3475).
- verwijtbaar heeft nagelaten om gebruik te maken van een aantal bevoegdheden die JBB als gecertificeerde instelling had.
- de primaire taken uit artikel 1:262 BW Pro niet heeft uitgevoerd, omdat [A] met het gebruik van verdovende middelen kampte. Niet blijkt dat [A] hulp is aangeboden, waardoor [naam zoon] in een situatie moest verblijven die mentaal onveilig was en in fysiek opzicht gevaarlijk.
- [A] geen schriftelijke aanwijzing heeft gegeven in de zin van 1:263 BW: [A] had verboden moeten worden [B] toegang tot haar huis te geven op de momenten dat [naam zoon] bij haar verbleef. Dat is niet gebeurd, waardoor is [naam zoon] bij meerdere gevechten betrokken is geraakt.
- op grond van artikel 1:265f BW de contacten met [A] (die onder invloed stond van [B] ) tijdens de uithuisplaatsing had kunnen beperken.
- op grond van artikel 1:267 BW Pro had kunnen verzoeken het gezag van [A] te beëindigen. Dan zou [naam zoon] daar niet langer hebben verbleven en zou er een omgangsregeling zijn op een neutrale locatie (niet bij [A] thuis).
- de Richtlijn jeugdhulp en jeugdbescherming: Stemmingsproblemen (E21) heeft geschonden, waarin in hoofdstuk 4 is bepaald dat een gecertificeerde instelling (GI) bij elke vorm van suïcidaal gedrag direct dient in te grijpen vanwege een verhoogd risico op suïcide. JBB had moeten onderzoeken of medisch handelen geïndiceerd was.
- in weerwil van de vele incidenten, meldingen en noodkreten nimmer gepaste hulp heeft gezocht voor [naam zoon] en de onveilige situatie van [naam zoon] in stand heeft gehouden.
- door niet in te grijpen, [eiser] en [naam zoon] nauwelijks hebben kunnen genieten van de momenten dat ze samen waren, dat de band tussen hen daardoor niet of nauwelijks is bevorderd, wat op grond van artikel 1:262, lid 3 BW wel een van de primaire taken van JBB als GI zou moeten zijn.
- artikel 2 EVRM Pro (recht op leven) en artikel 8 EVRM Pro (recht op gezinsleven) heeft geschonden.
- een instroomstop en veel zieken had en dus niet eens had kunnen optreden om hulp te verlenen.
5.12.
JBB verweert zich en voert, samengevat, aan dat
- de verwijten van [eiser] heel algemeen zijn, het lastig is om daar verweer tegen te voeren en dat [eiser] zijn vordering had moeten concretiseren.
- zij pas betrokken is sinds 28 oktober 2021, sinds de voorlopige ondertoezichtstelling (VOTS) en dus niet zoveel te maken heeft met de door [eiser] genoemde incidenten van vóór die datum.
- zij alleen een inspanningsverplichting heeft en daarnaast ook beleidsvrijheid heeft om bepaalde beslissingen te nemen en trajecten in te zetten. Zij maakt eigen inschattingen, in het belang van [naam zoon] . Dat die niet altijd in overeenstemming zijn met de wensen/eisen van [eiser] (zoals het weghalen van [naam zoon] bij [A] ), maakt haar handelen nog niet onrechtmatig.
- het in het kader van een VOTS het doel van een GI is om binnen drie maanden een terugkeer bij een van de ouders te proberen te realiseren. [naam zoon] wilde graag terug naar [A] . JBB zette daarop in met ambulante spoedhulp, en had bovendien een alternatief plan, namelijk dat [naam zoon] op zichzelf ging wonen.
- op 8 december 2021 een plan van aanpak is opgesteld en met ouders is besproken.
[eiser] heeft daarop uitgebreid gereageerd en die reactie is ook opgenomen in het advies.
- [naam zoon] sinds de start van de (V)OTS te kennen heeft gegeven geen contact te willen met [eiser] . Gelet op zijn leeftijd moest JBB serieus rekening houden met die wens, en dat is ook steeds aan [eiser] uitgelegd. [naam zoon] wilde ook niet dat zij alle informatie met [eiser] zou delen. Ook met die wens is zoveel mogelijk rekening gehouden.
- [eiser] zich op heel veel bepalingen beroept, die tot doel hebben om de jeugdige te beschermen. Die bepalingen hebben niet als doel om de schade te voorkomen, zoals [eiser] die stelt te hebben geleden. JBB beroept zich in dat kader dan ook uitdrukkelijk op het ontbreken van de relativiteit, zoals bedoeld in artikel 6:163 BW Pro.
- [eiser] dezelfde verwijten maakt die door de klachtencommissie van JBB al zijn verworpen.
- er sinds de betrokkenheid van JBB geen meldingen meer zijn gemaakt van gewelddadige/fysieke incidenten bij [A] thuis. Eerdere incidenten kunnen niet worden toegerekend aan JBB.
- zij alles heeft gedaan om hulp te verstrekken aan [naam zoon] , ook wat betreft diens suïcidale uitingen. Zij wijst er daarbij op dat zij crisisverblijf bij Oosterpoort heeft geregeld, [naam zoon] heeft aangemeld bij de Viersprong en – toen Viersprong de casus afwees – heeft ingezet op een GGZ traject.
- alleen [naam zoon] een beroep toekomt op schending van artikel 2 EVRM Pro, zo dat artikel al geschonden is.
- er geen sprake is van een oorzakelijk verband tussen het handelen van JBB en de door [eiser] gestelde schade.
5.13.
De rechtbank wijst de vordering van [eiser] af, voor zover die tegen JBB is gericht. Gelet op het tijdstip waarop JBB bij [naam zoon] betrokken is geraakt (28 oktober 2021), valt JBB geen verwijt te maken van alle gebeurtenissen van voor die datum. Tegenover het gemotiveerde verweer van JBB heeft [eiser] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld om tot de slotsom te komen dat JBB onrechtmatig heeft gehandeld. Het op de mondelinge behandeling (concreet) nog door [eiser] naar voren gebrachte argument dat JBB door ziekte en een instroomstop niet eens iets voor [naam zoon] had kunnen betekenen als ze eerder was ingeschakeld, levert geen onrechtmatig handelen op van JBB. Niet alleen heeft die situatie zich niet voorgedaan, maar JBB heeft bovendien gesteld dat als er een eerder verzoek om een (voorlopige) ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing zou zijn gekomen, een andere GI (zoals de William Schrikkerstichting) de uitvoering van die maatregel op zich zou hebben genomen.
5.14.
Nu van onrechtmatig handelen van JBB geen sprake is, moet de vordering van [eiser] jegens JBB worden afgewezen, waarbij de rechtbank verwijst naar wat zij heeft overwogen in 5.5.
5.15.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van JBB worden begroot op:
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.183,00
5.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Ten aanzien van de Raad
5.17.
Samengevat stelt [eiser] ten aanzien van de Raad het volgende:
- de Raad heeft niet snel genoeg gehandeld: Veilig Thuis heeft op 27 mei 2021 laten weten dat de Raad was verzocht een onderzoek in te stellen. De Raad heeft echter pas op 28 oktober 2021 gehandeld door een spoedverzoek in te dienen om [naam zoon] voorlopig onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen.
- mevrouw [D] , onderzoeker bij de Raad, heeft in een telefoongesprek op 26 oktober 2021 erkend dat de Raad fout zat en dat het nooit zo lang had mogen duren.
- het verzoek om ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is op een onjuiste wijze weergegeven, waardoor de noodzakelijke zorg voor [naam zoon] niet is geïmplementeerd. De Raad was op de hoogte van de eerdere zorgmeldingen, maar de Raad heeft deze kwesties niet adequaat benoemd in de rapportages aan de (kinder)rechter en/of de officier van justitie.
- de Raad heeft andere mogelijkheden om in te grijpen onbenut gelaten. De Raad had het gezag van [A] kunnen beëindigen, zodat ze alleen nog (begeleide) omgang met [naam zoon] zou hebben op een neutrale locatie. Aan die omgang hadden dan voorwaarden kunnen worden verbonden, zoals dat er geen contact met [B] zou zijn. Vooruitlopend daarop had de Raad het gezag van [A] alvast kunnen schorsen.
- de Raad heeft de Richtlijn jeugdhulp en jeugdbescherming Stemmingswisselingen geschonden.
- de rapportages van de Raad bevatten aantoonbare onjuistheden. Zo is in het rapport van 8 juli 2020 de historie en situatie van [naam zoon] onjuist en/of onvolledig omschreven, alsmede de ernst van de psychische belasting die dat heeft gehad op [naam zoon] .
- de Raad heeft [eiser] reactie op het conceptrapporten op een dergelijk ongeordende wijze bij het definitieve rapport van 14 januari 2022 gevoegd dat de samenhang daarvan volstrekt onduidelijk is: meerdere pagina’s zijn onleesbaar afgedrukt, dan wel zodanig klein afgedrukt dat het een 'woordenbrij' vormt.
- [eiser] heeft in zijn reactie op het conceptrapport aangegeven niet akkoord te gaan met het advies van de Raad, terwijl de Raad in het definitieve advies aan de kinderrechter van 14 januari 2022 juist heeft gesteld dat beide ouders wel akkoord waren gegaan met het advies.
- de Raad heeft verzuimd de politiemelding aan Veilig Thuis van 4 augustus 2019 in het advies te vermelden: dat levert schending op van artikel 3.3. van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de Raad verplicht is in haar rapportages en verzoeken de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.
- de Raad heeft het [eiser] onmogelijk gemaakt om zijn taken als (gezaghebbende) ouder van [naam zoon] deugdelijk uit te voeren. Daardoor heeft [eiser] machteloos moeten toezien hoe het steeds slechter ging met [naam zoon] .
- de Raad heeft verzuimd relevante informatie van [eiser] op te nemen (onder meer dat hij heeft gezegd dat [naam zoon] in twee weken tijd twee keer is opgepakt en dat de gebeurtenissen veel psychische druk bij [naam zoon] hebben veroorzaakt).
- [naam zoon] staat in het (straf)advies van 8 juli 2020 onterecht als dader aangeduid, terwijl hij juist het slachtoffer was.
- medewerkers van de Raad hebben de kinderrechter en de officier van justitie een onjuist beeld voorgehouden. Die zijn daardoor onjuist voorgelicht, waardoor [naam zoon] niet de juiste zorg heeft gekregen en er ten onrechte tot vervolging is overgegaan. Dat is in strijd met artikel 21 Rv Pro, artikel 6 EVRM Pro en de eigen protocollen, richtlijnen en kwaliteitsstandaarden van de Raad (Kwaliteitskader 2020 en 2021, het Protocol Beschermingszaken 2021 en het Protocol Strafzaken 2021):
o door alle waarschuwingen van [eiser] te negeren en zijn feitelijke aanvullingen en correcties niet te verwerken in de raadsrapporten - waardoor feitelijk geen hoor en wederhoor is toegepast - heeft de Raad gehandeld in strijd met bepaling 3.3.1 van zijn eigen Kwaliteitskader 2021. Daardoor kon de Raad geen weloverwogen beslissingen maken in de zin van 3.3.2. van dat Kwaliteitskader en is geen sprake van de in 4.4. van dat kader vereiste zorgvuldige besluitvorming
o in art. 3.3.1 Kwaliteitskader staat expliciet vermeld dat het soms nodig is om beweringen van cliënten en anderen te bevestigen door middel van andere bronnen. Dit heeft de Raad duidelijk nagelaten. Immers, hij heeft nimmer onderzoek gedaan naar de zeer verontrustende beweringen van [eiser] omtrent de moeder van [naam zoon] , die door [eiser] alcoholverslaafd, labiel en pedagogisch incompetent geacht wordt
o de Raad heeft in strijd met artikel 4.5. van het eigen kwaliteitskader nagelaten om de reactie van [eiser] op de rapporten bij te voegen in zijn rapporten. Dat is ook in strijd met artikel 4.1. van het kader (ouders worden in de gelegenheid gesteld om mening te geven over de gezinssituatie)
o in strijd met 3.3.3. van het kader is met het perspectief van [eiser] naar zijn mening geen rekening gehouden.
- artikel 2.1. van het Protocol beschermingszaken is geschonden: de Raad moet in een acute en ernstige bedreigende situatie van een minderjarige, een melding van een burger of organisatie rechtstreeks in ontvangst nemen, beoordelen en een onderzoek instellen. De Raad heeft nooit actie ondernomen naar aanleiding van de veelvuldige meldingen van [eiser] .
- de Raad heeft niet gehandeld conform het protocol Strafzaken 2021:
o de Raad heeft geen acht geslagen op de diverse signalen omtrent de problematiek van [naam zoon] , waaronder de veelvuldige meldingen van [eiser]
o de Raad moet ouders zo nodig zetten op het spoor van hulpverlening, waarbij de Raad gebruik kan maken van de bevoegdheid kinderbeschermingsmaatregel te vragen. De Raad heeft lange tijd verzuimd in te grijpen: dat heeft hij pas op 28 oktober 2021 met de VOTS
o het rapport van 8 juli 2020 rept in strijd met protocol niet over de mogelijkheid van mediation en herstelbemiddeling.
- de Raad heeft ervoor gezorgd dat [eiser] zijn bevoegdheden van artikel 1:247 BW Pro niet kon uitoefenen.
5.18.
De Raad voert verweer en voert – samengevat – het volgende aan:
- de Raad is voor het eerst betrokken in juni 2020, naar aanleiding van de mishandeling van [B] en haar vriend door [naam zoon] . Het raadsrapport van 8 juli 2020 beschrijft de zorgen over de thuissituatie van [naam zoon] uitvoerig. De meest urgente zorgen zijn opgepakt door Veilig Thuis en Toegang en Regie van de gemeente ’s-Hertogenbosch.
- [naam zoon] wilde terug naar [A] . Om dat mogelijk te maken is er een veiligheidsplan opgesteld.
- Na het voorwaardelijk sepot op 15 april 2021 kreeg de Raad op 28 juni 2021 een verzoek van Veilig Thuis om een beschermingsonderzoek te doen.
- Door wachttijd bij de Raad is dat gestart op 26 oktober 2021. De raad heeft dat ook kenbaar gemaakt en excuses voor de wachttijd aangeboden. De Raad heeft daarbij niet erkend dat hij fout zat, maar heeft slechts begrip getoond voor de emoties en zorgen die [eiser] had. In de regel komt dat de samenwerking tussen ouders en de Raad ten goede.
- Na de crisissituatie in de nacht van 26 en 27 oktober 2021, waarbij [naam zoon] zichzelf had verwond, suïcidale uitspraken had gedaan en [eiser] had bedreigd, is besloten tot plaatsing in crisisopvang, gevolgd door een voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
- Voor deze zaak geldt het toetsingskader zoals door de Hoge Raad uiteengezet in zijn uitspraak van 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1976, waarin onder meer het volgende is overwogen:
(…) Aan door de rechter ingeschakelde deskundigen dient de nodige vrijheid en zelfstandigheid te worden gelaten “om het onderzoek, waarvoor zij immers verantwoordelijk zijn, op de hun best voorkomende wijze te verrichten” (…). In lijn daarmee is het aan de Raad, als deskundige bij uitstek op het gebied van kinderbescherming, om te bepalen hoe hij zijn onderzoeken inricht en de daarop betrekking hebbende rapportages vormgeeft. De Raad heeft daarvoor richtlijnen en kwaliteitseisen opgesteld (…)
In het licht van de vrijheid die de Raad als deskundige toekomt (zie hiervoor in 3.4.3), is een onderzoek niet onzorgvuldig op de enkele grond dat dit ook op andere wijze, of met meer of andere middelen, had kunnen worden uitgevoerd. Waar het, bij een verwijt als de moeder de Raad in deze aansprakelijkheidsprocedure maakt, op aankomt is of de Raad heeft mogen menen zich met de uit zijn onderzoek verkregen informatie een verantwoord oordeel te kunnen vormen over hetgeen het belang van het kind vergt.
- dat toetsingskader betekent dat een oordeel over de deugdelijkheid van een onderzoek terughoudend moet worden getoetst. Daarbij gaat het bovendien om een toetsing ex tunc.
- de Raad heeft de vrijheid om zelf te bepalen hoe zij voorgestelde wijzigingen in haar rapport verwerkt. Het belang van het kind is daarbij steeds leidend. Voorkomen moet worden dat een rapport escalerend werkt of beschadigend werkt voor andere betrokkenen.
- de Raad heeft er voor gekozen om bepaalde uitingen niet op te nemen: zo zou [naam zoon] het rapport zelf te zien kunnen krijgen en zouden bepaalde beschrijvingen een negatieve invloed op hem kunnen hebben. De Raad wilde bovendien niet dat de strijd tussen de ouders de boventoon zou voeren in het rapport: het ging om [naam zoon] . Desalniettemin zijn de rapporten wel volledig in de zin dat die melding maken van de zorgen van [eiser] .
- de Raad heeft een standaard werkwijze, die vastligt in zijn kwaliteitskader. Dat is hier gevolgd.
- de weergave van gesprekken in de rapporten kan variëren: het maakt verschil of het om een beschermingsonderzoek of een strafonderzoek gaat. Beide rapporten hebben namelijk een verschillende doelstelling.
- [eiser] onderbouwt niet dat het rapport van 8 juli 2020 onjuist of onvolledig is. Hij heeft er bovendien op kunnen reageren en is akkoord gegaan met het eindrapport.
- ten aanzien van het rapport van 14 januari 2020 heeft de Raad de ontvangen reactie van [eiser] aan het rapport gevoegd als bijlage. Bovendien heeft [eiser] zijn reactie zelf ook nog naar de rechtbank gestuurd. Niet valt in te zien in hoeverre [eiser] hierdoor benadeeld is.
- [eiser] stemde in met de conclusies van het definitieve rapport, maar had nog aanvullende opmerkingen. Die heeft de Raad naar de rechtbank gestuurd. Dat de Raad of de rechtbank die niet heeft overgenomen, maakt nog niet dat de Raad onzorgvuldig heeft gehandeld.
- de Raad wist niets van de politiemelding van 4 augustus 2019. Daarom is die niet opgenomen. En als de Raad dat wel had geweten, dan had hij dat nog niet op hoeven te nemen in zijn rapport, want het ging om iets van bijna tweeënhalf jaar eerder.
- Voor de Raad zijn te allen tijde de belangen van [naam zoon] leidend, niet die van zijn ouders.
- bij de Raad staat geen contact geregistreerd met [eiser] in de periode van 27 mei tot 21 oktober 2021. In die periode heeft de Raad geen signalen gekregen die aanleiding gaven tot directe interventie.
- de Raad heeft een wachtlijst, zoals andere organisaties in de jeugdbeschermingsketen die helaas ook hebben. Het kantoor Den Bosch kampte in 2021 bovendien met onderbezetting. Dat betekent echter nog niet dat de Raad onzorgvuldig handelt. Gedurende de wachttijd blijft eerder opgestarte hulpverlening door andere instanties in de regel doorgaan. Daarnaast houdt de Raad actief toezicht op de gevallen die op de wachtlijst staan en kan een onderzoek, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, vervroegd worden gestart. De Raad maakt altijd een afweging welke zaken spoed hebben.
- de Raad kwam meteen in actie na de nacht van 26-27 oktober 2021. De Raad nam de zorgen over suïcidale uitingen wel degelijk serieus.
- Over het verwijt dat hij niet eerder maatregelen heeft genomen voert de Raad aan dat kinderbeschermende maatregelen eigenlijk altijd een laatste redmiddel zijn. Een ondertoezichtstelling werd pas noodzakelijk medio oktober 2021. In de strafzaken zag de Raad na een overleg in een multidisciplinair verband geen aanleiding om een beschermingsonderzoek te doen.
- voor een uithuisplaatsing bestond voor 27 oktober 2021 geen grond. De Raad vond wel een verlenging van de uithuisplaatsing nodig, maar het verzoek daartoe is door de rechtbank afgewezen.
- een gezagsbeëindiging verzoekt de Raad alleen in extreem uitzonderlijke gevallen: eerst wordt ingezet op minder ingrijpende trajecten. Hier was een gezagsbeëindiging juridisch niet haalbaar.
- als er niet wordt gekozen voor mediation of herstelbemiddeling is het niet zo dat de Raad moet motiveren waarom hij daar niet voor kiest. In dit geval achtte de Raad dat ook niet geschikt, gelet op alle verstoorde verhoudingen en het ontbreken van bereidheid bij [naam zoon] om met [eiser] in gesprek te gaan. [eiser] maakt ook niet duidelijk welke schade is geleden door het niet laten plaatsvinden van zo’n traject.
5.19.
De rechtbank wijst ook ten aanzien van de Raad de vorderingen van [eiser] af.
Aan de Raad komt, als orgaan van de Staat, een beleids- en beoordelingsvrijheid toe bij de keuze van de wijze waarop hij zijn onderzoeken inricht. De Raad heeft de hier bedoelde beleidsvrijheid gedeeltelijk ingevuld door middel van beleidsregels, een kwaliteitskader en protocollen. Gelet op deze beleidsvrijheid mag de Raad (binnen zijn eigen regelend kader) in redelijkheid een eigen afweging maken over welke informatie hij al dan niet in zijn rapporten opneemt en hoe hij die informatie weergeeft. [eiser] stelt wel dat de Raad heeft gehandeld in strijd met zijn regelend kader, maar heeft niet onderbouwd in hoeverre de uitkomst anders zou zijn geweest als de Raad destijds in zijn rapporten alle informatie zou hebben opgenomen waarvan [eiser] vindt dat die er (al dan niet op een bepaalde wijze) in moest. Daar komt nog bij dat als [eiser] van mening was dat het onderzoek van de Raad dan wel de onderbouwing van een van zijn adviezen tekortschoot, hij zijn standpunt onder de aandacht van de kinderrechter of de officier van justitie heeft kunnen brengen.
5.20.
De rechtbank vindt verder dat de Raad, gegeven de wachttijd die er ook bij de Raad helaas is, een grote mate van beleidsvrijheid heeft om een inschatting te maken van de mate van spoedeisendheid van een individuele casus, zoals hij ook beleidsvrijheid heeft om naar aanleiding van een strafadvies al dan niet te onderzoeken of de zaak zich – via een beschermingsonderzoek – leent voor een kinderbeschermende maatregel. Leidend daarbij is te allen tijde het belang van [naam zoon] . Dat het belang van [naam zoon] tot eerder ingrijpen van de Raad noopte, staat voor de rechtbank niet vast, en in ieder geval heeft de Raad na de gebeurtenissen in de nacht van 26 op 27 oktober 2021 meteen actie ondernomen.
5.21.
De rechtbank overweegt verder dat, áls al aangenomen zou moeten worden dat de Raad onrechtmatig heeft gehandeld door zijn eigen beleidsregels niet te respecteren, voor het kunnen aannemen van een onrechtmatige daad nog vereist zou zijn dat [eiser] schade heeft geleden en dat er causaal verband bestaat. Ten aanzien van dat laatste heeft [eiser] een beroep gedaan op de zogenaamde ‘omkeringsregel’. Daarmee is de in de rechtspraak geformuleerde regel bedoeld waarbij op grond van een bijzondere, uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende regel, een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro in die zin dat het bestaan van causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) tussen de onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst – waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt – dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor toepassing van deze regel is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade te voorkomen en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt.
5.22.
Het regelend kader van de Raad heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet de strekking de door [eiser] gestelde schade te voorkomen, zodat de rechtbank – zou die al toekomen aan het aannemen van onrechtmatig handelen door de Raad – aan toepassing van de omkeringsregel niet toekomt. Voor het overige heeft [eiser] het vereiste causaal verband onvoldoende onderbouwd, wat een aparte grond is om zijn vordering jegens de Raad af te wijzen.
5.23.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Raad worden begroot op:
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.183,00
5.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Ten aanzien van Veilig Thuis:
5.25.
Samengevat stelt [eiser] ten aanzien van Veilig Thuis het volgende:
  • Veilig Thuis heeft verzuimd om meldingen van bedreigende situaties adequaat op te volgen.
  • Veilig Thuis heeft [eiser] niet op de hoogte gesteld van de melding van 12 maart 2019. Als [eiser] dat had geweten, had hij kunnen ingrijpen door [naam zoon] in huis te nemen. [eiser] wordt hier pas op 11 april 2020 mee bekend.
  • Veilig Thuis waarborgde de eigen opgelegde veiligheidsregels (dat [B] niet in huis mocht zijn als [naam zoon] daar was en dat moeder niet zou drinken) niet. Daardoor raakte [naam zoon] in een incident betrokken met alle gevolgen van dien.
  • [eiser] nooit geïnformeerd over driemaandelijkse controles van de veiligheidsregels.
  • zelfs [naam zoon] wees Veilig Thuis erop dat die niks deed.
  • pas bijna een maand na 2 mei 2021 (als Veilig Thuis een melding van de politie ontvangt dat zij is uitgerukt omdat [B] thuis is) zegt Veilig Thuis een raadsonderzoek te zullen verzoeken. Dat doet ze dan pas een maand later. Dat is te laat: dat had meteen na 2 mei 2021 moeten gebeuren.
  • Veilig Thuis heeft de Richtlijn jeugdhulp en jeugdbescherming geschonden, waarbij [eiser] zich op dezelfde bepalingen beroept als hij ten aanzien van de Raad heeft gedaan.
  • Veilig Thuis heeft klachten van [naam zoon] ook na noodkreten nooit serieus genomen.
  • Veilig Thuis heeft fouten erkend, in brief van 29 maart 2023
  • Veilig Thuis heeft haar taken op grond van de artikelen 4.1.1. lid 2 en 4.1.2. WMO overtreden, door pas na vier jaar passende maatregelen te nemen.
  • Veilig Thuis heeft artikel 7.3 van het eigen handelingsprotocol overschreden (Veilig Thuis is verantwoordelijk voor het zicht op veiligheid zodra het kennis heeft genomen van het spoedeisend karakter van een melding. In alle andere gevallen draagt Veilig Thuis die verantwoordelijkheid vanaf het moment dat de veiligheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden. Veilig Thuis is in ieder geval verantwoordelijk voor het zicht op veiligheid op de 6de werkdag na binnenkomst).
  • de organisatie van Veilig Thuis liet te wensen over. Er waren veel personeelswisselingen.
  • de aard van de normschending (het bieden van bescherming) brengt mee dat de schade voldoende aannemelijk is en dat de causaliteit vast staat.
5.26.
Veilig Thuis betwist de stellingen van [eiser] en voert – wederom samengevat – het volgende aan:
  • Veilig Thuis is voor het eerst bij [naam zoon] betrokken in maart 2019, naar aanleiding van een handgemeen tussen moeder en [B] , waar ook [naam zoon] bij betrokken raakte. Veilig Thuis deed een veiligheidstaxatie. De politie schatte in dat het een eenmalig ernstig incident betrof, veroorzaakt door de combinatie van medicatie en alcoholmisbruik van [B] . [B] had een intake bij Reinier van Arkel. Veilig Thuis besloot de melding door te zetten naar het Sociaal Wijk Team (SWT), en droeg het dossier op 25 maart 2019 aan hen over, waarmee de bemoeienis van Veilig Thuis eindigde. Op 26 maart 2019 kreeg Veilig Thuis een terugkoppeling van SWT dat de rust was wedergekeerd.
  • Op 11 april 2020 ontving Veilig Thuis een melding van politie naar aanleiding van een ruzie tussen [naam zoon] en [B] . Toen is ook weer een veiligheidstaxatie uitgevoerd. In een multidisciplinair overleg werd gekozen voor overdracht naar Farent sociaal werk (jongerenwerk) voor hulp aan [naam zoon] .
  • Op 20 april 2020 ontving Veilig Thuis een nieuwe zorgmelding van de politie naar aanleiding van de vechtpartij tussen [naam zoon] , [B] en haar vriend. Veilig Thuis deed opnieuw een veiligheidstaxatie. Farent bleek toch niet de geëigende instantie te zijn, en Veilig Thuis droeg de zaak over naar KOO, die [naam zoon] aanmeldde bij Toegang en regie Jeugd van de gemeente. Die schakelde het SWT in en nam de regie en verantwoordelijkheid voor het zicht op het veiligheidsplan en de veiligheid in het gezin op zich. Bij brief van 30 april 2020 heeft Veilig Thuis [eiser] bericht dat haar actieve betrokkenheid eindigde.
  • [eiser] heeft op die brief gereageerd per e-mail. Veilig Thuis heeft op die e-mail gereageerd met onder meer het volgende:
  • de gemeente liet vervolgens weten dat er nog wel ruzies waren, maar dat die niet meer uit de hand liepen. Veilig Thuis had in de periode van 20 mei 2020 tot 21 mei 2021 enkele keren contact met [B] en moeder. [naam zoon] hield de boot af en vond dat Veilig Thuis bij zijn ouders moest zijn.
  • volgens het rapport van de Raad van 7 juli 2020 werden de door Veilig Thuis gestelde veiligheidsvoorwaarden inmiddels goed nageleefd.
  • op 2 mei 2021 ontving Veilig Thuis een nieuwe zorgmelding van de politie toen [B] het huis van [A] betrad terwijl [naam zoon] daar was. Toen is weer een nieuwe veiligheidstaxatie uitgevoerd en werd besloten de route via het KOO te laten vallen en de Raad in te schakelen. De Raad kon akkoord gaan met een verkorte route (buiten de beschermtafel om) als ouders daarmee instemden. Op 27 mei 2021 liet Veilig Thuis aan de ouders weten dat een raadsonderzoek werd aangevraagd. Dat gebeurde mede vanwege een vakantieperiode van de betrokken medewerker van Veilig Thuis uiteindelijk op 28 juni 2021.
  • de meldingen van [eiser] van 2 juli en 9 september 2021 zijn doorgeleid naar de Raad.
  • op 19 september vroeg [eiser] advies over suïcidale uitspraken van [naam zoon] . Veilig Thuis liet [eiser] weten dat de huisarts de uitspraken moest inschatten. [eiser] was zelf in staat die in te schakelen.
  • na het meerderjarig worden van [naam zoon] is een nieuwe veiligheidstaxatie uitgevoerd. Veilig Thuis besloot vervolgstappen te zetten, maar [naam zoon] wilde niet in gesprek. Daarom werd besloten de zorgmelding te sluiten. Daarna zijn er nog allerlei incidenten geweest, Veilig Thuis heeft daar steeds onderzoek naar gedaan, maar stuitte op onwil van [naam zoon] .
  • Veilig Thuis stelt dat zij beleidsvrijheid en beoordelingsvrijheid heeft
  • over het niet inlichten van [eiser] over het incident van 12 maart 2019 stelt Veilig Thuis dat in het handelingsprotocol is opgenomen dat een casus zonder direct contact met de direct betrokkenen kan worden overgedragen aan de lokale teams. Dat is hier gebeurd.
  • als er al een norm is geschonden, is er geen causaal verband. Het is ook niet aannemelijk dat [eiser] [naam zoon] dan in huis zou hebben genomen: met [naam zoon] was frictie en [eiser] zei in april 2020 zelf nog dat [naam zoon] rust moest nemen en naar zijn moeder ging.
  • kennelijk wist [eiser] overal van, omdat die zelf schreef dat het sinds 2014 achteruitging met [naam zoon] door de “1000-en conflicten”, en hij desondanks [naam zoon] niet in huis nam. [eiser] was bovendien zelf degene die [naam zoon] had blootgesteld aan de door hem gestelde gevaarlijke en traumatiserende situaties, omdat hij huiselijk geweld had gepleegd tegen moeder.
  • Veilig Thuis heeft geen dwangmiddelen om gemaakte afspraken af te dwingen. Het opleggen van een huisverbod aan [B] was niet logisch: zij had haar sleutel al afgegeven en had hulp bij Reinier van Arkel. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid lag vanaf 30 april 2020 bij het SWT en niet meer bij Veilig Thuis.
  • [eiser] komt geen beroep toe op de omkeringsregel, want er is geen norm geschonden die strekt tot bescherming van een specifiek gevaar.
  • Veilig Thuis heeft geen aansprakelijkheid erkend: de betreffende medewerker heeft slechts empathie geuit.
  • Veilig Thuis heeft haar verplichtingen uit de WMO niet geschonden: na iedere melding is een veiligheidstaxatie uitgevoerd en Veilig Thuis heeft daarnaar gehandeld. De WMO verplicht slechts tot het op de hoogte houden van de melder en dat was [eiser] niet. Dat laat onverlet dat veel met [eiser] is gesproken over de stappen die werden ondernomen.
  • de meldingen van [eiser] waren steeds een herhaling of aanvulling van eerdere zorgen, waarvoor trajecten liepen. Veilig Thuis voegde die toe aan het dossier.
  • de verantwoordelijkheid van Veilig Thuis eindigt op het moment dat er vervolgstappen worden gezet.
  • het is niet waar dat [eiser] steeds een nieuwe contactpersoon kreeg. In de periode waarover het hier gaat, had [eiser] contact met mevrouw [C] : zij onderhield het contact met [eiser] als hoofdbehandelaar.
  • een psychisch onbehagen is geen reden voor schadevergoeding.
  • voor schade die veroorzaakt door de “psychische teloorgang” van [naam zoon] geldt de regeling van 6:107 BW en [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden die binnen de dwingendrechtelijke kaders van art. 6:107 lid 1 onder Pro a BW valt.
  • voor de gestelde materiële schade is geen begin van een deugdelijke onderbouwing gegeven. [eiser] maakt ook niet concreet welke concrete normschendingen door Veilig Thuis maakten dat hij niet meer kon werken.
  • er is geen causaal verband: er waren al eerdere meldingen over het geweld in het gezin van [eiser] en moeder. Bovendien zegt [eiser] zelf dat de problemen van [naam zoon] deels aangeboren zijn en te maken kunnen hebben met het American Football dat hij speelde en het stunten op een fiets door [naam zoon] . Als dat zo is, ligt de oorzaak voor de problemen van [naam zoon] dus dieper en vindt die zijn oorsprong in omstandigheden die Veilig Thuis niet zijn aan te rekenen.
5.27.
De rechtbank verwerpt het verwijt van [eiser] dat Veilig Thuis onrechtmatig heeft gehandeld door de melding van 12 maart 2019 niet aan hem door te zetten. In artikel 2.1 van haar Handelingsprotocol is opgenomen dat de casus direct zonder contact met de direct betrokkenen kan worden overgedragen aan lokale teams. Dat is hier gebeurd: Veilig Thuis droeg de casus direct over aan SWT dat vervolgens de verantwoordelijkheid droeg voor het contact met (en de informatievoorziening aan) de direct betrokkenen.
5.28.
De rechtbank overweegt verder dat Veilig Thuis de vrijheid had om te beoordelen of de situatie in maart 2019 een crisiselement in zich had, of dat het ging om een structureel probleem. [eiser] stelt over dit laatste wel dat Veilig Thuis wist dat er meer meldingen waren, maar hij heeft dat verder niet onderbouwd. Bovendien zagen die kennelijk op een periode waarin hij samen met [A] nog een gezin vormde. Aan Veilig Thuis moet bovendien de vrijheid worden gelaten om vanuit haar professionele en objectieve rol een inschatting te maken of er hulpverlening noodzakelijk is, en zo ja, welke. Dat zij in maart 2019 een andere inschatting had moeten maken, is niet gebleken en wordt bovendien gelogenstraft door de omstandigheid dat er geen verdere meldingen met betrekking tot [naam zoon] zijn gedaan zijn tot april 2020. Veilig Thuis stelt verder terecht dat zij zelf niet in de positie is om handhaving van regels af te dwingen.
5.29.
[eiser] stelt verder als rode draad in zijn betoog dat Veilig Thuis steevast de verkeerde inschattingen heeft gemaakt. De enkele omstandigheid dat Veilig Thuis niet heeft ingezet op wat [eiser] zelf vond dat er moest gebeuren, betekent echter nog niet dat Veilig Thuis onrechtmatig of onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld. Ook hier geldt dat het aan de professionaliteit van Veilig Thuis moet worden overgelaten om [naam zoon] door te verwijzen naar de juiste hulpverlening. [eiser] stelt verder bij herhaling dat Veilig Thuis niet toezag op naleving van de gemaakte veiligheidsafspraken, maar dat was – zodra Veilig Thuis hulpverlening had ingeschakeld voor [naam zoon] - niet langer de taak van Veilig Thuis: het was dan aan de hulpverlenende instantie om daarop toe te zien. Als de hulp aan [naam zoon] (en daarmee ook het naleven van de veiligheidsafspraken) niet in een vrijwillig kader kon worden gerealiseerd, was het aan Veilig Thuis om zo nodig op te schalen naar een minder vrijblijvende setting. Daarmee komt de rechtbank dan aan het verwijt dat Veilig Thuis niet meteen eind mei 2021 een raadsonderzoek heeft aangevraagd, maar dat pas een maand later heeft gedaan. Met [eiser] vindt de rechtbank dat betreurenswaardig. Maar onrechtmatig is dat nog niet.
5.30.
Ten aanzien van de door [eiser] gestelde geschonden normen uit de WMO, geldt dat hij niet heeft onderbouwd dat het gaat om normen die strekken ter voorkoming van de schade zoals [eiser] die thans stelt te hebben geleden. Een onrechtmatige daad kan daarop dan ook niet worden gebaseerd.
5.31.
De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] jegens Veilig Thuis zullen worden afgewezen.
5.32.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Veilig Thuis c.s. worden begroot op:
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.183,00

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover die ziet op een jegens [naam zoon] gepleegde onrechtmatige daad,
6.2.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van JBB van € 2.183,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Raad van € 2.183,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Veilig Thuis van € 2.183,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van de Raad en JBB als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.E. Roll en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.