ECLI:NL:RBOBR:2026:1587

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
25/1965
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 5:1 AwbArt. 5:32 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last onder dwangsom voor illegaal tuinhuis zonder omgevingsvergunning

Eiseres is eigenaar en bewoner van een perceel waar een tuinhuis zonder omgevingsvergunning is geplaatst. Het college legde haar een last onder dwangsom op wegens strijdig gebruik van de grond met de bestemming. Eiseres betwistte dit, stellende dat zij het tuinhuis niet heeft gebouwd, dat er geen overtreding is en dat een buurman een vergelijkbaar bouwwerk mag hebben.

De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was tot handhaving omdat het tuinhuis zonder vergunning is gebouwd, wat een overtreding vormt van artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet. Eiseres wordt als overtreder aangemerkt omdat zij als eigenaar en bewoner feitelijke zeggenschap heeft over het perceel en de overtreding kan beëindigen.

Verder is geen concreet zicht op legalisatie omdat het college de vergunning terecht heeft geweigerd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de vergelijkbare situatie niet identiek is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, verlengt de begunstigingstermijn tot vier weken na uitspraak en wijst proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de last onder dwangsom voor het illegale tuinhuis.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/1965 OW HAND

uitspraak van de rechtbank van 11 maart 2026 op het beroep in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats],

Eiseres,
(gemachtigde: mr. L.T. van Eyck van Heslinga),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalre,

het college,
(gemachtigden: mr. C. van de Laar en mr. F.P.G. Ricken-Cleven).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het beroep gaat over de last onder dwangsom die het college aan eiseres heeft opgelegd wegens (gesteld) gebruik van grond in strijd met de bestemming door het aanwezig hebben van een tuinhuis zonder daartoe een omgevingsvergunning te hebben. Eiseres is het niet mee eens met de last onder dwangsom. Zij is in beroep gekomen. Zij voert een aantal gronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom heeft mogen opleggen, omdat sprake is van een overtreding
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres is eigenaar van het perceel [adres] in [woonplaats]. In oktober 2023 is er een melding geweest van bouwwerkzaamheden op het perceel [adres] in [woonplaats]. In de rapportage wordt vermeld dat de toezichthouders geen toestemming kregen voor een uitgebreider controle, waarna het contact via e-mail verliep.
2.1.
Op 21 augustus 2024 heeft een controle plaatsgevonden op het perceel en is het tuinhuis geconstateerd. Het tuinhuis is ingemeten en met betrekking tot oppervlakte is het bijgebouw ca. 71,75 m2 groot met een hoogte van circa 3.3 meter.
2.2.
Het college heeft met het besluit van 9 januari 2025 besloten om handhavend op te treden. Met het bestreden besluit van 2 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Zijn heeft tevens om een voorlopige voorziening verzocht, welk verzoek onder zaaknummer SHE 25/3704 op dezelfde dag is behandeld.
2.3.
Eiseres heeft een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisatie van het bouwwerk, deze is door het college geweigerd. De weigering is bij deze rechtbank op dezelfde dag als deze zaak behandeld onder zaaknummer SHE 26/9.
2.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

2.6.
In beroep heeft eiseres zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een overtreding en dat het college daarom niet handhavend tegen haar mag optreden. Ten eerste omdat zij niet degene is geweest die het tuinhuis heeft geplaatst, ten tweede dat geen sprake is van een overtreding en ten derde omdat sprake is van een gelijk geval waarbij het college niet overgaat tot handhaving.
2.7.
Het college stelt zich op het standpunt dat het tuinhuis zonder
omgevingsvergunning is gebouwd (artikel 5.1, eerste lid, onder a Ow). Verder ziet het college in het onderhavige geval geen reden om van handhaving af te zien en is er geen sprake van een overtreding van het gelijkheidsbeginsel.
2.8.
De rechtbank moet op basis van de vaststaande feiten vaststellen of sprake is van een overtreding. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak bekend onder zaaknummer SHE 26/9, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning ter legalisatie van het tuinhuis mocht weigeren. Er is dus sprake van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid onder a van de Ow. Het college is daarmee ook bevoegd om te handhaven.
Kon aan eiseres een last onder dwangsom worden opgelegd?
2.9.
Eiseres bestrijdt dat de last onder dwangsom terecht aan haar is opgelegd, omdat niet zij, maar haar ex-man het tuinhuis heeft gebouwd.
2.10.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder een overtreder wordt verstaan degene die de overtreding pleegt dan wel medepleegt. In het kader van het opleggen van een herstelsanctie, zoals een last onder dwangsom, geldt dat deze uitsluitend kan worden opgelegd aan degene die het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen. Dit impliceert dat de last slechts gericht mag worden aan een overtreder die feitelijk in staat is uitvoering te geven aan de opgelegde verplichting. Artikel 5:32, eerste lid, Awb bevestigt dat een last onder dwangsom enkel aan de overtreder kan worden gericht.
2.11.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is de overtreder in beginsel degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dit betreft primair de persoon die de verboden gedraging fysiek heeft verricht. Echter, onder omstandigheden kan ook een persoon die de gedraging niet zelf feitelijk heeft verricht, maar aan wie deze gedraging kan worden toegerekend, als overtreder worden aangemerkt.
2.12.
In haar uitspraken van 31 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071) heeft de Afdeling het bestuursrechtelijke overtredersbegrip nader genuanceerd door aansluiting te zoeken bij het strafrechtelijke leerstuk van functioneel daderschap. Hieruit volgt het oordeel dat eiseres in dit geval als overtreder in de zin van artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden aangemerkt. Uit gegevens van het Kadaster blijkt dat eiseres zowel ten tijde van het oprichten van het vrijstaande bijgebouw als ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom als (mede-)eigenaar stond geregistreerd van het betreffende perceel. Voorts volgt uit de Basisregistratie Personen (BRP) dat eiseres op beide momenten op het perceel woonachtig was, hetgeen duidt op feitelijke zeggenschap over het perceel. Gelet op deze omstandigheden kan eiseres bewerkstelligen dat op het perceel conform het geldende omgevingsplan wordt gehandeld. Dat de ex-partner van eiseres niet is aangeschreven ligt, zoals de rechtbank begrijpt van het college, aan het feit dat hij de overtreding niet kan beëindigen nu hij niet meer staat ingeschreven en woonachtig is op het perceel.
2.13.
De last onder dwangsom is naar het oordeel van de rechtbank terecht aan eiseres opgelegd.
Is er een concreet zicht op legalisatie?
2.14.
Uit rechtspraak van de Afdeling [1] volgt dat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat in beginsel het enkele feit volstaat dat het college niet bereid is om een omgevingsvergunning voor afwijking van het omgevingsplan te verlenen. Slechts in het uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken, namelijk indien op voorhand duidelijk is dat het besluit om niet tot legalisering over te gaan rechtens onhoudbaar is. De rechter toetst de weigering om geen planologische medewerking te verlenen slechts zeer terughoudend. De rechtbank is van oordeel dat ten tijde van het bestreden besluit anders dan eiseres stelt, geen concreet zicht was op legalisatie, nu het college de omgevingsvergunning op goede gronden mocht weigeren.
Belangenafweging
3. Het college heeft in redelijkheid het algemene belang ter voorkoming van precedentwerking mogen laten prevaleren boven het belang van eiseres met het behoud van het tuinhuis. Verder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving dient te worden afgezien.
Gelijkheidsbeginsel
4. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen op gelijke wijze worden behandeld, tenzij een rechtvaardigingsgrond voor een afwijkende behandeling bestaat. Voor een geslaagd beroep op dit beginsel dient eiseres aannemelijk te maken dat sprake is van gelijke gevallen die op relevante punten overeenkomen met haar situatie. In dat kader verwijst eiseres naar de situatie op het perceel [adres] in [woonplaats].
5. De rechtbank constateert dat het college tijdens de bezwaarfase uitgebreid is ingegaan op de door eiseres aangedragen gevallen. In het beroepschrift, noch in het aanvullend beroepschrift heeft eiseres andere feiten aangebracht. Het college geeft aan dat voor de [adres] er geen vergunning is verleend voor een vrijstaand bijgebouw dat geheel buiten het bouwvlak is gesitueerd en dat het een vergunningsvrij bouwwerk betreft. Er is derhalve volgens de rechtbank ook geen sprake van een identieke situatie.
De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
7. De rechtbank realiseert zich dat eiseres direct na verzending van deze uitspraak dwangsommen verbeurt, omdat de schorsing van het bestreden besluit eindigt zodra in deze zaak uitspraak wordt gedaan. De rechtbank ziet wel aanleiding om een voorziening te treffen om te voorkomen dat op de datum van de uitspraak meteen dwangsommen verbeurd worden. De rechtbank verlengt daarom met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de begunstigingstermijn tot vier weken na de verzending van deze uitspraak. Dat betekent dat eiseres vier weken de tijd heeft om aan de opgelegde last te voldoen of rechtsmiddelen aan te wenden ter voorkoming daarvan.
8. In aanmerking genomen dat het beroep ongegrond is en eiseres in zoverre in het ongelijk wordt gesteld en een voorlopige voorziening wordt gelast die niet het gevolg is van een onjuistheid in het bestreden besluit maar enkel dient om een belang van eiseres te dienen, ziet de rechtbank geen aanleiding om het college tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen. Gelet daarop bestaat evenmin aanleiding om het college te gelasten het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom wordt verlengd tot
vier weken na de verzending van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.zie bijvoorbeeld uitspraak van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2918