ECLI:NL:RVS:2020:2918
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit verwijderen lucht-warmtepompen in patio te Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft aan appellant, mede-eigenaar van een pand aan een locatie in Amsterdam, een last opgelegd om drie lucht-warmtepompen in de patio te verwijderen. Deze units waren geplaatst zonder de vereiste omgevingsvergunning, welke door het college was geweigerd omdat de plaatsing in strijd was met het bestemmingsplan "Oostelijke binnenstad" en niet voldeed aan de redelijke eisen van welstand.
Appellant voerde aan dat de units vergunningvrij geplaatst konden worden omdat de patio deel uitmaakt van het kantoorgebouw en dat er concreet zicht op legalisering zou zijn. De rechtbank en de Afdeling oordeelden echter dat de patio een niet-overdekte buitenruimte is en de units zelfstandige bouwwerken zijn, waarvoor een vergunning vereist is. Tevens is de plaatsing in strijd met het bestemmingsplan omdat de units niet passen binnen de bestemming "Tuin-3".
Verder werd het beroep van appellant verworpen dat het college onredelijk handhavend optreedt en dat er sprake zou zijn van détournement de pouvoir. Ook de verlenging van de begunstigingstermijn werd door het college terecht geweigerd, aangezien de units eenvoudig te verwijderen zijn en de financiële gevolgen voor appellant voor zijn rekening komen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt het bestreden vonnis en verklaart het beroep tegen de besluiten van het college van 17 maart 2020 en 15 juli 2020 ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit tot verwijdering van de lucht-warmtepompen is bevestigd.