ECLI:NL:RBOBR:2026:1698

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/01/417245 / HA ZA 25-453
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 613 lid 2 RvArt. 128 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechtbank in schadestaatprocedure na eerder vrijwaringsincident

In deze civiele procedure tussen Toko Horst B.V. en twee gedaagden staat de vraag centraal of de rechtbank Oost-Brabant bevoegd is om kennis te nemen van een schadestaatprocedure, terwijl de hoofdzaak door de rechtbank Gelderland is behandeld.

De gedaagden stelden een incidentele exceptie van onbevoegdheid op grond van artikel 613 lid 2 Rv Pro, stellende dat de schadestaatprocedure exclusief door de rechtbank Gelderland behandeld moet worden. Toko Horst voerde verweer dat de bevoegdheid van de rechtbank Oost-Brabant is aanvaard omdat de gedaagden eerder een conclusie tot oproeping in vrijwaring hadden genomen zonder beroep op onbevoegdheid.

De rechtbank oordeelt dat het beroep op onbevoegdheid een exceptie is die in de eerste schriftelijke conclusie moet worden opgeworpen. Nu de gedaagden eerst een vrijwaringsincident hebben ingediend, is het beroep op onbevoegdheid te laat en derhalve verworpen. De rechtbank veroordeelt de gedaagden in de proceskosten van het incident en bepaalt dat de zaak op 1 april 2026 zal worden voortgezet met beraad over een mondelinge behandeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep op onbevoegdheid af en veroordeelt de gedaagden in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/417245 / HA ZA 25-453
Vonnis in incident van 18 maart 2026
in de zaak van
TOKO HORST B.V.,
te Horst,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Toko Horst,
advocaat: mr. K.J.T. Boersma,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. M.A.F. Evers,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. W.M.J. Weijers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het vonnis in incident van 5 november 2025, met de daarin genoemde stukken,
  • de conclusie van antwoord tevens houdende exceptie van onbevoegdheid ex artikel 612 Rv Pro van [gedaagde 1] ,
  • de conclusie van antwoord tevens houdende een exceptie van onbevoegdheid van [gedaagde 2] ,
  • de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid,
  • het vonnis in incident van 21 januari 2026,
  • het e-mailbericht van de griffier van deze rechtbank van 19 februari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2.De beoordeling in de incidenten

2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] doen afzonderlijk van elkaar in hun conclusies van antwoord een beroep op onbevoegdheid van de rechtbank. Zij onderbouwen dat allebei als volgt. In dit geval gaat het om een schadestaatprocedure. De schadestaatprocedure is te beschouwen als een voortzetting van het hoofdgeding. In artikel 613 lid 2 Rv Pro is bepaald dat in een schadestaatprocedure de rechter bevoegd is die in eerste instantie over de hoofdzaak heeft geoordeeld. Dat betreft een exclusieve bevoegdheid. In dit geval is de rechtbank Gelderland de rechter die over de hoofdzaak heeft beslist.
2.2.
Toko Horst voert verweer. Zij wijst erop dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] eerst een vrijwaringsincident hebben opgeworpen. Toko Horst voert onder meer aan dat zij zich daardoor niet meer kunnen beroepen op onbevoegdheid van de rechtbank, omdat zij door eerst een conclusie tot oproeping in vrijwaring te nemen de bevoegdheid van de rechtbank hebben aanvaard.
2.3.
Het verweer van Toko Horst slaagt.
2.4.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 april 1994 [1] overwogen dat de in artikel 128 lid 3 Rv Pro bedoelde excepties verweermiddelen zijn die ertoe strekken dat de rechter aan wie het geschil is voorgelegd, op grond van regels van processuele aard niet tot een beoordeling van de rechtsbetrekking in geschil zelf kan komen. In het genoemde arrest was aan de orde een beroep op onbevoegdheid wegens een arbitraal beding. De Hoge Raad overwoog dat het beroep op onbevoegdheid moet worden gedaan in de eerste schriftelijke conclusie die gedaagde neemt. Dat kan dus ook in de conclusie van antwoord zijn. Niet valt in te zien dat dit niet ook van toepassing zou zijn wanneer op andere gronden dan een arbitraal beding een beroep op onbevoegdheid van de rechtbank wordt gedaan.
2.5.
In dit geval is sprake van een exceptie in de hiervoor door de Hoge Raad bedoelde zin. Toepassing van artikel 613 lid 2 Rv Pro zou betekenen dat deze rechtbank het geschil niet inhoudelijk beoordeelt omdat de zaak verwezen moet worden naar de rechtbank Gelderland. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de exceptie opgeworpen tegelijk met de conclusie van antwoord, wat door de rechtbank is aangemerkt als een vordering in incident. Hoewel met betrekking tot de bevoegdheidsexceptie dus naar de letter is voldaan aan artikel 128 lid 3 Rv Pro, is de exceptie echter niet opgeworpen in de eerste schriftelijke conclusie die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben genomen. Zij hebben eerst een vrijwaringsincident opgeworpen. In het kader van de beoordeling van dat incident is vereist dat de rechter inhoudelijk kennis neemt van het geschil tussen partijen. Het gaat dan niet aan om nadat daarop bij vonnis is beslist, alsnog de bevoegdheid van de rechtbank ter discussie te stellen. Dat is een gepasseerd station. De rechtbank is het met Toko Horst eens dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] impliciet de bevoegdheid van de rechtbank hebben aanvaard.
2.6.
De conclusie is dat het beroep op de bevoegdheidsexceptie wordt verworpen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten van de incidenten (inclusief nakosten) worden veroordeeld.
Deze worden aan de zijde van Toko Horst begroot op:
- salaris advocaat
653,00
(1,00 punt × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
842,00

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst de incidentele vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] af,
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van de incidenten, aan de zijde van Toko Horst tot op heden begroot op € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
in de hoofdzaak
3.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
1 april 2026voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.