Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser
[naam]uit [woonplaats] (derde-partij)
Samenvatting
Procesverloop
mr. R.A.M. Verkoijen.
Feiten en omstandigheden
Beoordeling door de rechtbank
" [naam] " van de gemeente Veldhoven (bestemmingsplan), met ingang van 1 januari 2024 van rechtswege onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Veldhoven.
.Daarvoor is de e-mail te onduidelijk en er kan niets méér uit worden afgeleid dan het algemene uitgangspunt dat een bouwwerk moet worden gebouwd binnen het bouwvlak. Uit de e-mail blijkt niet wat concreet is besproken en in welke context dat is besproken. Ook blijkt niet of de bouwinspecteur bekend was met de wijziging van het planologisch regime en de gevolgen ervan. Niet blijkt dat is toegezegd dat de bouwvergunning een titel geeft tot de bouw van de kas die niet binnen het huidige planologische regime past. Evenmin blijkt dat er een toezegging is gedaan over het afwijken van de planregels. Ook blijkt uit het dossier niet dat het gesprek tussen de derde-partij en de bouwinspecteur, wat tot de e-mail heeft geleid, heeft plaatsgevonden voorafgaand aan het afgraven van de grond door de derde-partij. Eiser concludeert dat dus niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een toezegging waaruit de derde-partij redelijkerwijs kon en mocht afleiden hoe het college zijn bevoegdheid zou uitoefenen in het geval de kas in strijd met het huidige bestemmingsplan zou worden gebouwd.
“Beste [derde-partij] Zoals telefonisch is afgesproken geef ik hierbij schriftelijk aan dat ik destijds toen mevrouw mr. [geanonimiseerd] nog in dienst was van de gemeente Veldhoven mondeling heb aangegeven dat de kas in het bouwblok [lees: bouwvlak] geplaatst moest worden.”, als een (zodanige) toezegging kan worden aangemerkt.