ECLI:NL:RVS:2019:4439
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit handhaving bestemmingsplan strijdig gebruik bakkerij Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag weigerde handhavend op te treden tegen het gebruik van panden als bakkerij aan de Mezenlaan, omdat het gebruik volgens het college onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan Vogelwijk viel. Appellant betoogde dat het gebruik sinds 1997 niet ononderbroken was voortgezet en dat het gebruik was geïntensiveerd, waardoor het overgangsrecht niet van toepassing zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde anders.
De Afdeling stelde vast dat het gebruik als bakkerij op de peildatum 16 januari 1997 bestond en ononderbroken was voortgezet, ook al was er een faillissement in 2015 met een korte onderbreking. Het feit dat in de periode 2001-2015 elders een bakkerij werd geëxploiteerd, en dat in die periode geen grootbrood werd gebakken, leidde niet tot onderbreking van het gebruik. Wel oordeelde de Afdeling dat het college onvoldoende had onderzocht of het gebruik sinds de peildatum was geïntensiveerd, wat een vergroting van de afwijking van het bestemmingsplan betekent en het beroep op het overgangsrecht kan uitsluiten.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college van 21 april 2017 voor zover het bezwaar van appellant ongegrond werd verklaard. Het college moet een nieuw besluit nemen met een toereikende motivering over de intensivering van het gebruik en de ruimtelijke gevolgen daarvan. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de bakkerij werd ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het college wordt vernietigd wegens ontoereikende motivering over het overgangsrecht en intensivering van het gebruik; het college moet een nieuw besluit nemen.