Eiser verzocht om compensatie kinderopvangtoeslag voor 2015 en 2016 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), stellende dat sprake was van institutioneel vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen, mede vanwege een CAF-onderzoek. De Dienst Toeslagen wees het verzoek af, stellende dat neerwaartse correcties het gevolg waren van reguliere wijzigingen en niet van vooringenomen handelen.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van institutioneel vooringenomen handelen. Het CAF-onderzoek betrof vooral 2016 en leidde tot een zorgvuldige aanpassing van het voorschot, waarbij de gegevens in de KOI-viewer overeenkwamen met de bewijsstukken. Eiser had destijds bezwaar kunnen maken tegen de correcties, maar deed dit niet.
De rechtbank concludeert dat de afwijzing van het verzoek om compensatie terecht is en verklaart het beroep ongegrond. Wel wordt een immateriële schadevergoeding van €1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure. Daarnaast krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €467 toegewezen, maar geen griffierechtvergoeding vanwege de datum van het verzoek.
De uitspraak is gedaan door rechter J. Woestenburg op 25 maart 2026 te 's-Hertogenbosch.