Uitspraak
1.[eiser 1/ de zoon] ,
[eiser 2/ kleindochter 1],
1.1. De procedure
- de producties 1 tot en met 22 van [eisers] ;
- de producties 1 tot en met 11 van [gedaagde] .
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Oost-Brabant
Deze zaak betreft een kort geding over het gebruik van een woning na het overlijden van de huurder, waarbij eisers en gedaagde beiden aanspraak maken op voortzetting van de huurovereenkomst en het gebruik van de woning.
Eisers, de zoon en kleindochter van de overleden huurder, vorderen een tijdelijke maatregel die hen het exclusieve gebruik van de woning toekent en gedaagde veroordeelt het huis te verlaten. De kantonrechter oordeelt dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de overleden huurder hadden, een vereiste voor voortzetting van de huurovereenkomst volgens artikel 7:268 lid 2 BW Pro.
De kantonrechter wijst de primaire vorderingen af en oordeelt dat ook de subsidiaire vordering tot betaling van huurpenningen niet toewijsbaar is, omdat geen rechtsgrond is voor betaling aan eisers. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
De uitspraak benadrukt dat de conflictenregeling uit artikel 7:267 lid 7 BW Pro niet van toepassing is omdat eisers geen recht op voortzetting van de huurovereenkomst hebben. De zaak wordt aangehouden voor mediation, maar na mislukking daarvan volgt dit vonnis.
Uitkomst: De gevraagde voorlopige voorziening tot exclusief gebruik van de woning door eisers wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van voortzetting van de huurovereenkomst.