ECLI:NL:RBOBR:2026:1964
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling invordering verbeurde dwangsommen wegens strijdige bewoning vakantiepark
Eisers exploiteren een vakantiepark waar strijdige bewoning van recreatiewoningen plaatsvond. Het college legde op 12 maart 2024 lasten onder dwangsom op om deze bewoning te beëindigen vóór 16 september 2024, met een dwangsom van € 50.000 per maand bij overtreding. Op 16 september 2024 constateerde het college dat de overtreding voortduurde en verbeurde dwangsommen werden opgelegd en later ingevorderd.
Eisers voerden aan dat zij alles redelijkerwijs mogelijk hadden gedaan om de overtreding te beëindigen, waaronder sommatiebrieven, afsluiten nutsvoorzieningen, inschakeling politie en een kort geding na afloop van de begunstigingstermijn. Zij stelden dat invordering onevenredig was omdat het park inmiddels was ontruimd.
De rechtbank overwoog dat het doel van de last onder dwangsom juist is om onder dreiging van dwangsommen overtredingen te beëindigen. Hoewel eisers inspanningen hadden verricht, was er geen bijzondere omstandigheid die invordering in de weg stond. Eisers hadden eerder een kort geding kunnen starten en hadden ook de mogelijkheid om verlenging van de begunstigingstermijn te vragen, wat zij niet deden.
De rechtbank concludeerde dat het college terecht tot invordering mocht overgaan en wees de beroepen ongegrond. Eisers kregen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter Maarschalkerweerd op 30 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat het college terecht tot invordering van de verbeurde dwangsommen mocht overgaan.