ECLI:NL:RBOBR:2026:201

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
C/01/414817 / HA ZA 25-272
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
  • C.S. Schollen-den Besten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 6:51 BWArt. 616 lid 1 RvArt. 616 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zekerheidstelling voor proceskosten in procedure reconventie tussen Prowise en ELB

In deze civiele procedure vordert Prowise dat ELB zekerheid stelt voor de proceskosten in de procedure in reconventie, op grond van artikel 224 Rv Pro. ELB heeft niet gereageerd op deze vordering. De rechtbank oordeelt dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van €9.208, de door Prowise begrote en niet betwiste proceskosten.

Prowise had ook een hoger bedrag van €20.000 gevorderd, maar de rechtbank wijst dit af omdat het meerdere betrekking heeft op reeds gemaakte kosten in eerdere procedures, waarvoor artikel 224 Rv Pro geen grondslag biedt. De rechtbank benadrukt dat de vorm van de zekerheid in beginsel aan ELB is, conform artikel 6:51 BW Pro, en dat hierover geen beslissing wordt genomen in dit incident.

De rechtbank stelt een termijn van drie weken voor ELB om zekerheid te stellen en eenzelfde termijn voor Prowise om de zekerheid te accepteren of te weigeren. Bij niet-tijdige zekerheidstelling wordt ELB niet-ontvankelijk verklaard in haar reconventionele vordering, maar deze vordering wordt nu afgewezen omdat dit vooruitloopt op een latere beslissing. De proceskosten van het incident worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De hoofdzaak wordt op 25 februari 2026 voortgezet.

Uitkomst: ELB moet binnen drie weken zekerheid stellen voor €9.208 aan proceskosten in de procedure in reconventie tegen Prowise.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/414817 / HA ZA 25-272
Vonnis in incident van 14 januari 2026
in de zaak van
PROWISE B.V.,
te Budel,
eiseres in conventie in de hoofdzaak,
verweerster in reconventie in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: Prowise,
advocaat: mr. M.J. Kesler,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
ELB PTY LTD,
te St. Leonards (Australië),
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiseres in reconventie in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: ELB,
advocaat: mr. C.H.A. van de Wiel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
De dagvaarding van 31 maart 2025, waarbij een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 maart 2025 in de zaak 200.341.144/01 is betekend,
De conclusie van antwoord in de hoofdzaak, teven eis in reconventie,
De conclusie in incident tevens conclusie van antwoord in reconventie, van Prowise.
1.2.
Vervolgens is bepaald dat vonnis in incident zal worden gewezen.

2.Het geschil in het incident en de beoordeling daarvan

2.1.
Prowise vordert, onder verwijzing naar artikel 224 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat ELB zekerheid stelt voor proceskosten.
2.2.
ELB heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te reageren op deze vordering.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering tot zekerheidstelling moet worden toegewezen tot een bedrag van € 9.208,-, omdat de aangevoerde en niet weersproken gronden de vordering kunnen dragen. Prowise heeft de proceskosten van de procedure in reconventie begroot op € 9.208,- en de juistheid van deze begroting is niet betwist.
2.4.
Prowise heeft (naast zekerheid voor de proceskosten in reconventie) zekerheid gevorderd voor in totaal € 20.000,-, maar er is geen grondslag voor toewijzing van het meerdere (zekerheidstelling voor het bedrag boven € 9.208,-). Het meerdere ziet op kosten die Prowise al heeft gemaakt, in de procedures bij de rechtbank Oost-Brabant met zaaknummer 397170 HA ZA 23-632 en bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch met zaaknummer 200.341.144/01. Voor vergoeding van deze kosten biedt artikel 224 Rv Pro geen grondslag. In een latere (volgende) instantie kan niet op voet van artikel 224 Rv Pro zekerheidstelling worden gevorderd voor onbetaald gebleven proceskosten, tot betaling waarvan een in het buitenland wonende partij, in eerdere instantie(s) is veroordeeld (HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:651, NJ 2021/166). Verder heeft Prowise het bedrag waarvoor zekerheid moet worden geboden naar boven afgerond (waardoor is uitgekomen op precies € 20.000,-), maar ook voor toewijzing van dit meerdere is geen grondslag.
2.5.
Prowise vordert dat zekerheid wordt gesteld in de vorm van een
door een in Nederland gevestigde handelsbank af te geven deugdelijke garantie, althans door storting op een derdengeldenrekening van een in Nederland gevestigde notaris.
De rechtbank stelt hier voorop dat ingevolge artikel 6:51 BW Pro de vorm van de zekerheid in beginsel ter keuze van ELB zelf staat. Redenen om van dat beginsel te kunnen afwijken zijn gesteld noch gebleken. Het is daarom thans niet aan de rechtbank om dienaangaande in deze procedure een beslissing te nemen.
2.6.
Gelet op het bepaalde in artikel 616, lid 3 Rv, en het feit dat al een mondelinge behandeling in de hoofdzaak is bepaald op 11 maart 2026, zal de rechtbank een termijn van drie weken bepalen voor het stellen van zekerheid door ELB. Voorts zal de rechtbank eenzelfde termijn bepalen waarbinnen Prowise de gestelde zekerheid moet hebben geweigerd of aanvaard.
De rechtbank wijst partijen op het volgende. Indien tussen partijen naar aanleiding van dit vonnis een geschil ontstaat over de vraag of ELB
tijdigde zekerheid heeft gesteld dan wel de vraag of Prowise de geboden zekerheid
tijdigheeft geweigerd of aanvaard, dan dient dat geschil ter beoordeling aan deze rechtbank (de rolrechter) te worden voorgelegd. Daarentegen wordt - ingevolge artikel 616, lid 1 Rv - in geval van geschil over de
genoegzaamheidvan de (tijdig) gestelde zekerheid daarover op vordering van de meest gerede partij in kort geding beslist door de voorzieningenrechter van deze rechtbank.
2.7.
Prowise vordert dat de rechtbank bepaalt dat bij niet-tijdige zekerheidstelling ELB niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar reconventionele vordering, maar deze vordering wordt afgewezen, omdat daarmee vooruit zou worden gelopen op een later te nemen beslissing.
2.8.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
bepaalt dat ELB zekerheid zal moeten stellen tot een bedrag van € 9.208,- voor de proceskosten waarin zij jegens Prowise in de hoofdzaak in reconventie zou kunnen worden veroordeeld,
3.2.
bepaalt dat ELB de zekerheid moet stellen
binnen drie wekenna dit vonnis,
3.3.
bepaalt dat Prowise
binnen drie wekenna het stellen van zekerheid, die zekerheid moet weigeren of aanvaarden,
3.4.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst af het anders of meer gevorderde,
in de hoofdzaak
3.7.
bepaalt dat de hoofdzaak weer op de rol van rol zal komen van
25 februari 2026voor uitlating van Prowise en ELB over de gestelde zekerheid.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Schollen-den Besten en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.