De rechtbank Oost-Brabant heeft verdachte, bestuurder van twee failliete vennootschappen, veroordeeld voor drie feiten van faillissementsfraude. Feit 1 betreft het onttrekken van geldbedragen aan de boedel door overboekingen van zakelijke rekeningen naar een privérekening van de toenmalige partner, wetende dat dit schuldeisers benadeelde. Feit 2 betreft het niet tijdig verstrekken van de administratie aan de curator tijdens het faillissement. Feit 3 betreft het weigeren van het geven van vereiste inlichtingen aan de curator.
De rechtbank oordeelde dat verdachte formeel bestuurder was en daarmee verantwoordelijk voor de administratie en financiële verplichtingen. Hoewel de partner de administratie voerde en informatie achterhield, kon verdachte niet worden vrijgesteld van zijn wettelijke plichten. Vanaf het faillissement van de beheervennootschap in april 2021 had verdachte moeten weten van de financiële problemen en de onttrekkingen.
De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de verslaving van zijn partner en de grote gevolgen voor hem en zijn gezin. Gezien de ernst van de feiten en het tijdsverloop legde de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf van 60 uur op en wees het gevorderde beroepsverbod af.