ECLI:NL:HR:2010:BK4797
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende bewijs bedrieglijke verkorting schuldeisers
De Hoge Raad heeft op 16 februari 2010 het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 13 juli 2007 vernietigd voor zover het betrekking had op het feit dat verdachte als bestuurder van Stichting [B] ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers niet voldeed aan zijn administratieve verplichtingen. De bewezenverklaring van dit feit was onvoldoende onderbouwd met bewijsmiddelen die het vereiste opzet konden aantonen.
De zaak betrof de periode van 1 januari 1999 tot en met 8 augustus 2000, waarin verdachte als penningmeester van Stichting [A]/[B] verantwoordelijk was voor de administratie. Diverse bewijsmiddelen, waaronder inschrijvingen bij de Kamer van Koophandel, een faillissementsvonnis, verklaringen van de curator en de Belastingdienst, toonden aan dat er geen volledige boekhouding was gevoerd, slechts een slecht bijgehouden kasboek.
Het Hof had geoordeeld dat het voeren van een administratie meer inhoudt dan alleen een kasboek en dat verdachte niet aan zijn verplichtingen had voldaan. De Hoge Raad stelde echter dat voor de bewezenverklaring van bedrieglijke verkorting van schuldeisers het opzet van verdachte vereist is, waarbij voorwaardelijk opzet volstaat. Omdat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kon worden afgeleid dat verdachte dit opzet had, ontbrak een deugdelijke motivering.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het Hof Arnhem voor hernieuwde behandeling. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Arnhem is vernietigd voor het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde behandeling.