Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
“In de tweede plaats wordt voorgesteld twee nieuwe vormen van compensatie mogelijk te maken. Het gaat om de compensatie van de transitievergoeding die betaald is bij het eindigen van een arbeidsovereenkomst in verband met het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming vanwege pensionering of ziekte of gebreken van de werkgever. De voorwaarden waaronder deze compensatie mogelijk is, en tot welk aantal werknemers de werkgever van de compensatie gebruik kan maken, zullen worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur. Het eerste lid, onderdeel b, en vierde lid bevatten hiervoor een grondslag.”De rechtbank leest hierin dat de wetgever een grote mate van vrijheid heeft gegeven aan de regering voor het stellen van voorwaarden waaronder deze compensatie mogelijk. Met het Besluit heeft de regering de voorwaarden bepaald. Artikel 7:673e van het BW staat niet op zichzelf. In artikel 7:669, derde lid, van het BW wordt het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming ook genoemd. Dit is een redelijke grond voor het opzeggen van een arbeidsovereenkomst door de werkgever. Gelet op artikel 7:671a van het BW heeft de werkgever hiervoor of toestemming van het UWV nodig, of de rechter kan de arbeidsovereenkomst van ten minste één werknemer, na een verzoek daartoe, vanwege genoemde reden ontbinden op grond van artikel 7:671b, eerste lid, aanhef en onderdeel b van het BW. Het vervallen van arbeidsplaatsen vanwege de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming wordt daarmee in het BW al (limitatief) ingevuld. Bij deze al bestaande invulling en daarmee behorende toets van het UWV in de praktijk, heeft de regering vervolgens bewust aansluiting gezocht bij het invullen van artikel 7:673e van het BW door artikel 2 van Pro het Besluit. Dit blijkt uit de Nota van Toelichting bij het Besluit. [9] “Voorwaarde om voor de compensatie in aanmerking te komen, is dat sprake is van het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming. Om vast te stellen of aan deze voorwaarde wordt voldaan, wordt aangesloten bij de beoordeling die Uwv uitvoert of er een redelijke grond is om de arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming (artikel 7:669, derde lid, onderdeel a, BW). Zodra Uwv voor ten minste één werknemer van die onderneming van de werkgever toestemming heeft verleend om de arbeidsovereenkomst wegens deze ontslagreden op te zeggen dan is voldaan aan de voorwaarde. Door hierbij aan te sluiten is aannemelijk dat de onderneming de werkzaamheden heeft beëindigd of in ieder geval op korte termijn zal gaan beëindigen. Een verdere beoordeling van deze voorwaarde na het ontvangen van de aanvraag voor compensatie is dan niet nodig. De aanvraagprocedure voor de compensatie wordt geregeld in de Regeling compensatie transitievergoeding.”De rechtbank is daarom van oordeel dat artikel 2 van Pro het Besluit geen beperking is van het BW, maar dat het aansluit bij de bestaande rechtspraktijk die is gebaseerd op het BW. Een ander oordeel zou leiden tot de situatie waarin de vraag of er sprake is van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming in het kader van compensatie van de transitievergoeding niet hetzelfde wordt beoordeeld als in het kader van de ontslagprocedure zoals bedoeld in artikel 7:669 van Pro het BW. Het is de rechtbank niet toegestaan om te beoordelen of artikel 7:673e, lid 1, aanhef en onderdeel b van het BW in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Volgens vaste rechtspraak houdt het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet het verbod in om wetten in formele zin (in dit geval de van toepassing zijnde artikelen van het BW) te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en brengt dit verder mee dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Informatie over hoger beroep
Bijlage
1. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Herplaatsing ligt in ieder geval niet in de rede indien sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in lid 3, onderdeel e.