Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2157

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
25/2296
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673e BWArt. 2 Besluit compensatie transitievergoeding bij beëindiging van de werkzaamheden van de ondernemingArt. 7:669 BWArt. 7:671a BWArt. 7:671b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie transitievergoeding wegens ontbreken toestemming opzegging arbeidsovereenkomst

Eiseres heeft een aanvraag ingediend bij het UWV voor compensatie van betaalde transitievergoedingen aan drie ex-werknemers. Het UWV wees deze aanvraag af omdat eiseres niet had voldaan aan de voorwaarde dat zij voor ten minste één werknemer toestemming moest vragen om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Eiseres stelde dat artikel 2 van Pro het Besluit compensatie transitievergoeding onverbindend is en dat de toepassing ervan in haar geval onevenredig nadelige gevolgen heeft.

De rechtbank beoordeelde het beroep en concludeerde dat het UWV terecht de aanvraag heeft afgewezen. Artikel 2 van Pro het Besluit sluit aan bij de bestaande rechtspraktijk en het Burgerlijk Wetboek, en vormt geen beperking daarvan. De rechtbank oordeelde dat het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt omdat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die de toepassing van artikel 2 buiten Pro toepassing zouden moeten laten.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek van eiseres af. Zij krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak bevestigt dat de voorwaarde van toestemming voor opzegging essentieel is voor compensatie van transitievergoedingen bij beëindiging van werkzaamheden van een onderneming.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de compensatieaanvraag wegens het ontbreken van toestemming voor opzegging van ten minste één arbeidsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2296

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: [naam]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. R. Boonstra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie van de betaalde transitievergoeding van drie van haar ex-werknemers. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag van eiseres mocht afwijzen. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel zoals door eiseres wordt gesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie van de door haar betaalde transitievergoeding aan drie ex-werknemers. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 29 april 2022 afgewezen. Eiseres heeft het UWV namelijk geen toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst van tenminste één werknemer op te zeggen. Deze toestemming is gelet op het Besluit compensatie transitievergoeding bij beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming (het Besluit) wel vereist om in aanmerking te komen voor de compensatie. Met het bestreden besluit van 22 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] in zijn hoedanigheid van directeur-grootaandeelhouder van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het UWV de aanvraag van eiseres om compensatie van de betaalde transitievergoeding terecht heeft afgewezen. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3.1.
De voor deze uitspraak relevante wettelijke bepalingen zijn vermeld in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3.2.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunten van partijen
4. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiseres niet voldoet aan alle voorwaarden om voor compensatie voor de betaalde transitievergoeding in aanmerking te komen. Eiseres heeft namelijk geen toestemming gevraagd aan het UWV, voor tenminste één werknemer, om de arbeidsovereenkomst op te zeggen vanwege het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van bedrijfsbeëindiging. Het UWV ziet ook geen ruimte om af te wijken van de gestelde voorwaarden.
4.1.
Eiseres verzoekt allereerst om haar bezwaargronden als herhaald en ingelast te beschouwen. Zij vindt verder dat zij voldoet aan alle voorwaarden die gelden om in aanmerking te komen voor compensatie van de betaalde transitievergoedingen. Eiseres vindt dat artikel 2 van Pro het Besluit onverbindend moet worden verklaard. Desgevraagd heeft eiseres tijdens de zitting laten weten dat zij ook vindt dat in haar concrete geval moet worden afgezien van strikte toepassing van artikel 2 van Pro het Besluit omdat die voor haar onevenredig nadelige gevolgen heeft in verhouding tot het doel van die regeling.
Overwegingen van de rechtbank
5. In artikel 7:673e, lid 1, aanhef en onderdeel b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat het UWV op verzoek van de werkgever een vergoeding verstrekt indien de arbeidsovereenkomst is geëindigd in verband met het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming.
5.1.
In lid 4 van artikel 7:673e van het BW staat dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot lid 1, aanhef en onderdeel b. Het Besluit berust op deze bepaling.
5.2.
Het Besluit bevat een compensatieregeling waarmee een kleine werkgever kan worden gecompenseerd voor verstrekte transitievergoedingen. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat werkgevers (of erfgenamen) die als gevolg van ziekte, pensionering of overlijden de onderneming moeten beëindigen en de werknemers moeten ontslaan het privévermogen moeten aanspreken, terwijl zij vanwege de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten naar verwachting al met een inkomstenachteruitgang worden geconfronteerd.
5.3.
Om vast te stellen of aan de voorwaarde dat in verband met het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming wordt voldaan, is in artikel 2 van Pro het Besluit aangesloten bij de beoordeling die het UWV uitvoert of er een redelijke grond is om de arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming (artikel 7:669, derde lid, onderdeel a, BW). Zodra het UWV voor ten minste één werknemer van die onderneming van de werkgever toestemming heeft verleend om de arbeidsovereenkomst wegens deze ontslagreden op te zeggen dan is voldaan aan de voorwaarde. Door hierbij aan te sluiten is aannemelijk dat de onderneming de werkzaamheden heeft beëindigd of in ieder geval op korte termijn zal gaan beëindigen. Een verdere beoordeling van deze voorwaarde na het ontvangen van de aanvraag voor compensatie is dan niet nodig.
5.4.
Niet in geschil is dat eiseres het UWV geen toestemming heeft gevraagd om de arbeidsovereenkomst van tenminste één werknemer op te zeggen, waardoor eiseres niet heeft voldaan aan de voorwaarde zoals is bepaald in artikel 2 van Pro het Besluit.
5.5.
Het standpunt van eiseres houdt in dat zij vindt dat artikel 2 van Pro het Besluit onverbindend moet worden verklaard, omdat dit artikel onterecht en op een onredelijke wijze de in het BW neergelegde vergoedingsmogelijkheid beperkt en daarom in strijd is met het evenredigheidsbeginsel als neergelegd in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Zij verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 mei 2025 [1] , waaruit dit volgens eiseres volgt. Dit standpunt heeft de rechtbank begrepen als een beroep op een exceptieve toetsing van artikel 2 van Pro het Besluit. Het gaat bij die toets om de beoordeling van de evenredigheid van het doel van de regeling, afgezet tegen de gevolgen van de toepassing daarvan in algemene zin. Als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de gevolgen voor – in dit geval – eiseres onevenredig nadelig zijn, kan de rechtbank de wettelijke regeling (deels) buiten toepassing laten.
5.6.
Het Besluit is een zogenaamd algemeen verbindend voorschrift, maar geen wet in formele zin: het is, eenvoudig gezegd, wetgeving die niet is vastgesteld door de formele wetgever (de Staten-Generaal en de regering samen), maar is vastgesteld door een lagere regelgever, in dit geval de regering. Voor de beantwoording van de vraag of artikel 2 van Pro het Besluit de exceptieve toetsing kan doorstaan, moet worden beoordeeld welk doel de regering met dit artikel heeft beoogd en of is onderzocht welke gevolgen de toepassing daarvan heeft.
5.7.
Bij die indirecte toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer, waarbij de toetsing wordt verricht op de wijze als door de Raad is uiteengezet in zijn uitspraak van 1 juli 2019. [2] In de uitspraak van 29 november 2023 [3] heeft de Raad overwogen dat de intensiteit van de beoordeling materieel terughoudend kan zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. In dat laatste geval heeft de rechter niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Wat betreft de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen geldt dat de beoordeling daarvan intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindend voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn. Bij uitspraak van 26 maart 2024 [4] heeft de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) het beoordelingskader over exceptieve toetsing van een algemeen verbindend voorschrift, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 februari 2022 [5] , nader ingevuld in die zin dat de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid van het voorschrift als zodanig al aan de orde kunnen komen bij de exceptieve toetsing aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb van het algemeen verbindende voorschrift waarop het bestreden besluit berust. Het CBb heeft verder overwogen dat bij exceptieve toetsing van het algemeen verbindende voorschrift aan het evenredigheidsbeginsel niet categorisch een drietrapstoets op geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid hoeft te worden uitgevoerd en dat de bestuursrechter van geval tot geval, in het verlengde van de aangevoerde beroepsgronden, moet bepalen of en zo ja op welke wijze de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid uitdrukkelijk bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel moeten worden betrokken. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft zich bij deze opvatting aangesloten. [6] Volgens de CRvB moet verder bij exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften aan het evenredigheidsbeginsel, als het gaat om het sociaalzekerheidsrecht, terughoudend getoetst worden. Kenmerkend voor een groot deel van dat socialezekerheidsrecht is namelijk dat aan de hand van objectieve en meetbare criteria groepen van belanghebbenden worden vastgesteld. Vervolgens wordt bepaald wat de duur en omvang is van hun financiële aanspraken. Dat is bij uitstek voorwerp van een politiek-bestuurlijke afweging. De terughoudendheid vindt een grens waar fundamentele rechten aan de orde zijn waarop een belanghebbende zich bij de rechter rechtsreeks kan beroepen. [7]
5.8.
De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat artikel 2 van Pro het Besluit de exceptieve toetsing niet kan doorstaan en dat dit artikel daarom onverbindend is. De rechtbank ziet namelijk geen aanknopingspunten voor het oordeel dat artikel 2 van Pro het Besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel omdat het artikel 7:673e van het BW beperkt. In de memorie van toelichting [8] bij de invoering van dit artikel in het BW staat:
“In de tweede plaats wordt voorgesteld twee nieuwe vormen van compensatie mogelijk te maken. Het gaat om de compensatie van de transitievergoeding die betaald is bij het eindigen van een arbeidsovereenkomst in verband met het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming vanwege pensionering of ziekte of gebreken van de werkgever. De voorwaarden waaronder deze compensatie mogelijk is, en tot welk aantal werknemers de werkgever van de compensatie gebruik kan maken, zullen worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur. Het eerste lid, onderdeel b, en vierde lid bevatten hiervoor een grondslag.”De rechtbank leest hierin dat de wetgever een grote mate van vrijheid heeft gegeven aan de regering voor het stellen van voorwaarden waaronder deze compensatie mogelijk. Met het Besluit heeft de regering de voorwaarden bepaald. Artikel 7:673e van het BW staat niet op zichzelf. In artikel 7:669, derde lid, van het BW wordt het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming ook genoemd. Dit is een redelijke grond voor het opzeggen van een arbeidsovereenkomst door de werkgever. Gelet op artikel 7:671a van het BW heeft de werkgever hiervoor of toestemming van het UWV nodig, of de rechter kan de arbeidsovereenkomst van ten minste één werknemer, na een verzoek daartoe, vanwege genoemde reden ontbinden op grond van artikel 7:671b, eerste lid, aanhef en onderdeel b van het BW. Het vervallen van arbeidsplaatsen vanwege de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming wordt daarmee in het BW al (limitatief) ingevuld. Bij deze al bestaande invulling en daarmee behorende toets van het UWV in de praktijk, heeft de regering vervolgens bewust aansluiting gezocht bij het invullen van artikel 7:673e van het BW door artikel 2 van Pro het Besluit. Dit blijkt uit de Nota van Toelichting bij het Besluit. [9] “Voorwaarde om voor de compensatie in aanmerking te komen, is dat sprake is van het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming. Om vast te stellen of aan deze voorwaarde wordt voldaan, wordt aangesloten bij de beoordeling die Uwv uitvoert of er een redelijke grond is om de arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming (artikel 7:669, derde lid, onderdeel a, BW). Zodra Uwv voor ten minste één werknemer van die onderneming van de werkgever toestemming heeft verleend om de arbeidsovereenkomst wegens deze ontslagreden op te zeggen dan is voldaan aan de voorwaarde. Door hierbij aan te sluiten is aannemelijk dat de onderneming de werkzaamheden heeft beëindigd of in ieder geval op korte termijn zal gaan beëindigen. Een verdere beoordeling van deze voorwaarde na het ontvangen van de aanvraag voor compensatie is dan niet nodig. De aanvraagprocedure voor de compensatie wordt geregeld in de Regeling compensatie transitievergoeding.”De rechtbank is daarom van oordeel dat artikel 2 van Pro het Besluit geen beperking is van het BW, maar dat het aansluit bij de bestaande rechtspraktijk die is gebaseerd op het BW. Een ander oordeel zou leiden tot de situatie waarin de vraag of er sprake is van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming in het kader van compensatie van de transitievergoeding niet hetzelfde wordt beoordeeld als in het kader van de ontslagprocedure zoals bedoeld in artikel 7:669 van Pro het BW. Het is de rechtbank niet toegestaan om te beoordelen of artikel 7:673e, lid 1, aanhef en onderdeel b van het BW in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Volgens vaste rechtspraak houdt het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet het verbod in om wetten in formele zin (in dit geval de van toepassing zijnde artikelen van het BW) te toetsen aan algemene rechtsbeginselen en brengt dit verder mee dat de rechter niet mag treden in de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht.
5.9.
De rechtbank is verder van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om artikel 2 van Pro het Besluit buiten toepassing te laten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan dit aanleiding geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt. Dit is het geval indien niet verdisconteerde omstandigheden die strikte toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. [10] Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende onderbouwd dat zulke bijzondere omstandigheden zich hier voordoen. Eiseres heeft in het algemeen gesteld dat artikel 2 van Pro het Besluit buiten toepassing moet worden gelaten, maar heeft geen bijzondere omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat de toepassing van artikel 2 van Pro het Besluit in haar geval zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank is daarom niet gebleken dat er zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de regering en die voor eiseres onredelijk bezwarend zijn.
6. Voor zover eiseres in haar beroepschrift verwijst naar dat wat zij in bezwaar heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank dat het aan eiseres is om in beroep gemotiveerd en specifiek aan te voeren waarom zij het niet eens is met het bestreden besluit. De verwijzing naar de bezwaargronden wordt niet als zo’n gemotiveerde en specifieke betwisting opgevat. Daarop is immers gereageerd in het bestreden besluit. Eiseres zal dus moeten aanvoeren waarom zij het met die reactie niet eens is. Gelet hierop heeft de rechtbank de beoordeling van het beroep geplaatst in het licht van de in beroep nader uitgewerkte gronden zoals hiervoor uiteen is gezet en niet in het licht van wat in bezwaar is aangevoerd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Wintjes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage

Burgerlijk Wetboek
Artikel 7:669
1. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst opzeggen indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Herplaatsing ligt in ieder geval niet in de rede indien sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer als bedoeld in lid 3, onderdeel e.
(…)
3. Onder een redelijke grond als bedoeld in lid 1 wordt verstaan:
a. het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering;
(…).
Artikel 7:671a
1. De werkgever die voornemens is de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van artikel 669, lid 3, onderdeel a of b, verzoekt hiervoor schriftelijk toestemming aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(…).
Artikel 7:671b
1. De kantonrechter kan op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst ontbinden:
a. op grond van artikel 669, lid 3, onderdelen c tot en met i;
b. op grond van artikel 669, lid 3, onderdelen a en b, indien de toestemming, bedoeld in artikel 671a, is geweigerd; of
c. op grond van artikel 669, lid 3, onderdelen a en b, indien er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds kan worden opgezegd.
2. De kantonrechter kan het verzoek, bedoeld in lid 1, slechts inwilligen indien aan de voorwaarden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 669, is voldaan en er geen opzegverboden als bedoeld in artikel 670 of Pro met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift gelden.
3. Indien het verzoek om ontbinding is gegrond op artikel 669, lid 3, onderdeel a, is artikel 671a, leden 5 en 7, van overeenkomstige toepassing
(…).
Artikel 7:673e
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, verstrekt op verzoek van de werkgever die op grond van artikel 673 een Pro transitievergoeding verschuldigd was, een vergoeding, indien de arbeidsovereenkomst:
(…)
b. is geëindigd in verband met het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming en de werkgever, die minder dan een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal werknemers in dienst had:
1°.de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd bereikt of heeft bereikt;
2°.[Red: dit onderdeel is nog niet in werking getreden;]
3°.is overleden.
Besluit compensatie transitievergoeding bij beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming.
Artikel 2
Van het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming, bedoeld in artikel 673e, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 1° of 3°, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is sprake, zodra voor ten minste één werknemer, op een verzoek daartoe, toestemming als bedoeld in artikel 671a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is verleend om de arbeidsovereenkomst op te zeggen vanwege het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming, bedoeld in artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel, zodra de rechter de arbeidsovereenkomst van ten minste één werknemer, op een verzoek daartoe, vanwege genoemde reden heeft ontbonden op grond van artikel 671b, eerste lid, onderdeel b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 7
1. Compensatie wordt verstrekt voor vergoedingen die de werkgever op of na 1 januari 2021 heeft verstrekt in verband met het eindigen of niet voortzetten van arbeidsovereenkomsten in de periode van zes maanden voorafgaand aan de indiening van het eerste verzoek op basis van artikel 2, dat heeft geleid tot toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen hetzij dat heeft geleid tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de rechter tot negen maanden na de dag waarop de toestemming is verleend of het verzoek om ontbinding is ingewilligd.
2. Compensatie wordt verstrekt voor vergoedingen die de werkgever heeft verstrekt aan werknemers die bij de onderneming in dienst waren:
a. op 31 december van het kalenderjaar, voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend; of
b. in de periode van 1 juli tot en met 30 december voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend en van wie de arbeidsovereenkomst in die periode is beëindigd of niet voortgezet.
3. Compensatie wordt niet verstrekt indien ten behoeve van dezelfde werknemer over dezelfde periode van het dienstverband reeds compensatie is verstrekt.

Voetnoten

6.Centrale Raad van Beroep 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1075.
7.Centrale Raad van Beroep 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:748.
8.Kamerstukken II 2018–2019, 35 074, nr. 3, p. 138-139 (MvT, Artikel I, Onderdeel K ).
9.Staatsblad 2020, 439.
10.Centrale Raad van Beroep 9 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:445.