ECLI:NL:RBOBR:2026:2191

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
26/868
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:11 AwbArt. 5.1 OmgevingswetArt. 10.2.3 planregelsArt. 22.36 OmgevingsplanArt. 2.29 Bbl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen last onder bestuursdwang woonwagen in strijd met omgevingsplan en brandveiligheid

Verzoekster heeft een woonwagen geplaatst op een locatie waar volgens het omgevingsplan slechts één woonwagen per bouwvlak is toegestaan en alleen binnen het bouwvlak gebouwd mag worden. Het college legde haar een last onder bestuursdwang op om de overtreding te beëindigen vanwege strijdigheid met het omgevingsplan en brandveiligheidsvoorschriften.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de woonwagen in strijd is met artikel 10.2.3 van de planregels, ongeacht of deze binnen of buiten het bouwvlak staat. Het college is bevoegd tot handhaving en weigert een omgevingsvergunning voor legalisatie. De woonwagen vormt bovendien een brandonveilige situatie vanwege onvoldoende doorgang en mogelijke brandoverslag.

De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster, die in een moeilijke woonsituatie verkeert, af tegen het algemeen belang bij handhaving en de brandveiligheid. Gezien de spoedeisendheid en het feit dat verzoekster zelf de woonwagen plaatste, wordt het verzoek om schorsing gedeeltelijk toegewezen. Het besluit wordt geschorst tot drie weken na de uitspraak, zodat verzoekster de woonwagen op eigen kosten kan verwijderen. Na die termijn kan het college handhavend optreden.

Daarnaast wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter D.J. Hutten en griffier M.J.A.B. Elsman op 3 april 2026.

Uitkomst: Het besluit tot bestuursdwang wordt geschorst voor drie weken zodat verzoekster de woonwagen op eigen kosten kan verwijderen, daarna kan het college handhavend optreden.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/868

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. T.J.N. Hameleers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Son en Breugel, het college
(gemachtigden: mr. I.J.J. Dirks en M.H. Loomans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college waarin het een last onder bestuursdwang aan verzoekster heeft opgelegd in verband met het bewonen van een woonwagen in strijd met het omgevingsplan en in strijd met voorschriften die gaan over de brandveiligheid. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoekster als volgt af.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot drie weken na verzending van deze uitspraak. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
De voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving is als bijlage bij deze uitspraak opgenomen.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 19 maart 2026 heeft het college de last onder bestuursdwang opgelegd
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar partner [naam] , de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Vooraf
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
 Verzoekster woonde tot voor kort met onder meer haar vader aan de [adres] in [woonplaats] (de locatie). Zij heeft direct achter de bestaande woonwagen op dat adres een extra woonwagen geplaatst om in te wonen.
 Ter plaatse van de locatie geldt het Omgevingsplan gemeente Son en Breugel (het omgevingsplan). Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “Sonniuspark; Herziening 2017” (het bestemmingsplan) als onderdeel van dat omgevingsplan. Op grond van het bestemmingsplan is aan de locatie de bestemming “Wonen” en de functieaanduiding ‘woonwagenstandplaats’ toegekend. De locatie bevat ook een bouwvlak.
 Een toezichthouder van het college heeft tijdens een controle op 12 maart 2026 gezien dat verzoekster met behulp van een hoogwerker een woonwagen aan het plaatsen was op de locatie. Toezichthouders van het college hebben op 18 maart 2026 opnieuw een controle uitgevoerd. Daarbij is geconstateerd dat de woonwagen nog steeds aanwezig is, dat deze buiten het bouwvlak staat en dat deze dicht tegen de bestaande woonwagen aan de [adres] staat.
 Het college heeft geconstateerd dat de woonwagen in strijd is met het omgevingsplan, omdat woonwagens alleen binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd en per bouwvlak slechts één woonwagen is toegestaan. Dit volgt uit artikel 10.2.3 van de planregels. Het plaatsen van de woonwagen is volgens het college evenmin vergunningvrij op grond van artikel 22.36 van het omgevingsplan en artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het plaatsen van de woonwagen is daarom in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Volgens het college is vanwege de extra woonwagen ook sprake van een brandonveilige situatie, omdat niet wordt voldaan aan artikel 4.180 van het Bbl dat gaat over de minimale breedte en vrije hoogte van een doorgang en artikel 4.54 van het Bbl dat gaat over de wering tegen branddoorslag en brandoverslag.
 Met het bestreden besluit heeft het college de last opgelegd. Verzoekster wordt gelast de overtreding van artikel 10.2.3 van de planregels vóór 2 april 2026 te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan verzoekster doen door de woonwagen te verwijderen en verwijderd te houden. Doet verzoekster dat niet, dan zal het college zelf overgaan tot verwijdering van de woonwagen en de kosten daarvan doorberekenen aan verzoekster.
 Het college heeft de rechtbank laten weten bereid zijn te wachten met bestuursdwang als de inhoudelijke behandeling van het verzoek van verzoekster door de voorzieningenrechter op 2 april 2026 plaatsvindt en kort daarna uitspraak wordt gedaan. Het college is voornemens om op 9 april 2026 toepassing te geven aan de opgelegde bestuursdwang. Het college heeft daarvoor al een hijskraan besteld.
Is sprake van een overtreding?
4. Verzoekster voert aan dat voor haar niet duidelijk is of haar woonwagen buiten het bouwvlak staat, zoals door het college in het bestreden besluit is gesteld. Ook staat niet vast dat dat de ruimte tussen haar woonwagen en de bestaande woonwagen inderdaad maar 52 centimeter bedraagt zodat de doorgang niet breed genoeg is, en of de woonwagen onvoldoende wering heeft tegen branddoorslag en brandoverslag.
4.1.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het is tussen partijen niet in geschil dat de woonwagen van verzoekster in strijd is met artikel 10.2.3 van de planregels, omdat woonwagens alleen binnen een bouwvlak geplaatst mogen worden en per bouwvlak slechts één woonwagen is toegestaan. De omstandigheid dat de woonwagen van verzoekster wel of niet binnen een bouwvlak staat, is niet relevant voor de vraag of sprake is van een overtreding. Indien de woonwagen buiten het bouwvlak staat, is dit in strijd met artikel 10.2.3 van de planregels, omdat woonwagens enkel binnen het bouwvlak zijn toegestaan. Indien de woonwagen binnen het bouwvlak staat, is dit in strijd met artikel 10.2.3 van de planregels, omdat binnen het bouwvlak slechts één woonwagen is toegestaan en daarbinnen al een woonwagen staat. Omdat sprake is van een overtreding, is het college bevoegd om handhavend op te treden.
Kan de woonwagen van verzoekster op deze locatie worden gelegaliseerd?
5. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat de woonwagen niet gelegaliseerd kan worden. In het omgevingsplan is namelijk geen afwijkingsbevoegdheid of wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de strijdigheid met artikel 10.2.3 van de planregels kan worden weggenomen. Het college is ook niet bereid om een omgevingsvergunning te verlenen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ter legalisatie van de woonwagen van verzoekster. Verzoekster heeft hiertegen geen gronden gericht. Zij heeft in dat kader slechts aangevoerd dat haar woonwagen ook elders op het terrein geplaatst kan worden, namelijk tussen de woonwagens aan de [adres] . Het college heeft ter zitting daarover echter terecht opgemerkt dat de woonwagen van verzoekster ook op die locatie in strijd zou zijn met artikel 10.2.3 van de planregels. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de woonwagen van verzoekster niet gelegaliseerd kan worden op de plaats waar deze nu staat. Dat de woonwagen volgens verzoekster ook op de noodvoorziening op [naam] zou kunnen staan, betekent – wat daarvan ook zij – niet dat de woonwagen gelegaliseerd kan worden op de plaats waar deze nu staat.
Had het college van handhavend optreden behoren af te zien?
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij handhavingsbesluiten zoals in deze zaak aan de orde het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. [1] Handhaving staat dus voorop. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien.
6.1.
Vanwege de onverwijlde spoed, het college gaat op 9 april 2026 de last onder bestuursdwang effectueren en daarvoor is al een hijskraan besteld, maakt de voorzieningenrechter een belangenafweging. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekster die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college en daarmee het algemeen belang bij handhavend optreden die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt.
6.2.
De voorzieningenrechter heeft begrip voor de moeilijke woonsituatie waarin verzoekster verkeert. Zij woonde tot 12 maart 2026 met haar dochter bij haar vader in zijn woonwagen, samen met haar neef, haar zus en het kind van haar zus. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster, mede vanwege haar jonge dochter, behoefte heeft aan meer rust, en daarom de woonwagen heeft laten plaatsen. De voorzieningenrechter volgt echter ook het college in zijn standpunt dat de woonwagen niet legaal aanwezig is, dat de woonwagen op deze locatie niet gelegaliseerd kan worden, dat het college precedentwerking wil voorkomen, en dat er terechte zorgen zijn over de brandveiligheid. Uit het controlerapport van 18 maart 2026 volgt namelijk dat de toegang naar de woonwagen van verzoekster niet de minimale doorgang heeft van 0,85 meter zoals voorgeschreven in het Bbl, maar slechts een doorgang van 52 centimeter. De noodzakelijke vluchtroute vanuit de woonwagen van verzoekster loopt over deze te smalle vluchtroute. Verder is niet duidelijk of de woonwagen voldoet aan de brandweringseisen die het Bbl daarover stelt. Duidelijk is wel dat de woonwagen van verzoekster in ieder geval niet op een afstand van minimaal 5 meter staat van een andere woonwagen. Het college heeft in dit kader gewezen op het risico op brandoverslag. Het voorgaande maakt dat ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake is van een brandonveilige situatie waartegen het college met de nodige spoedeisendheid moet optreden, zoals het college ook doet, en dat het college op grond van artikel 4:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van het horen van verzoekster heeft mogen afzien. Het college mag verder meewegen dat verzoekster zelf de woonwagen heeft geplaatst, en dat het dus in haar risicosfeer ligt dat zij de bewoning van die woonwagen moet staken. Ook leidt het verwijderen van de woonwagen niet tot onomkeerbare gevolgen. Er volgt nog een bezwaarprocedure. Als die procedure daar aanleiding voor geeft, kan verzoekster relatief eenvoudig de verwijdering van haar woonwagen ongedaan maken. Het is tot slot niet gebleken dat verzoekster niet elders kan wonen, bijvoorbeeld bij haar vader aan de [adres] , ondanks dat het om een voor haar moeilijke woonsituatie gaat.
6.3.
Gelet op het voorgaande en het uitgangspunt dat handhaving voorop staat, zal de voorzieningenrechter het bestreden besluit niet schorsen tot op het bezwaar is beslist. Tijdens de zitting heeft verzoekster zorgen geuit over de kosten die het college aan verzoekster zal doorberekenen als het college de woonwagen zelf zal verwijderen. Het college heeft toegelicht dat het geen opstalkosten aan verzoekster zal doorberekenen, maar wel de kosten voor het vervoer en het wegtakelen van de woonwagen. Omdat verzoekster geen inkomen geniet, wil zij zelf nog de mogelijkheid hebben om de woonwagen te verwijderen. Die mogelijkheid heeft zij niet meer als het college op 9 april overgaat tot het effectueren van de last onder bestuursdwang. Het kost namelijk tijd om het wegtakelen van de woonwagen te regelen. Het college heeft daarop ter zitting aangegeven dat het bereid is om nog tot drie weken tot na de uitspraak te wachten. De voorzieningenrechter zal daarom het bestreden besluit overeenkomstig die termijn schorsen. In zoverre wijst de voorzieningenrechter het verzoek dus wel toe.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 19 maart 2026 is geschorst tot en met 24 april 2026. Dit biedt de verzoekster de mogelijkheid om op eigen kosten de woonwagen te verwijderen. Na die datum kan het college wel handhavend optreden.
7.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit van 19 maart 2026 tot en met 24 april 2026;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid
de uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Artikel 10.2.3 van de planregels luidt als volgt:
Voor het bouwen van woonwagens gelden de volgende bepalingen:
Woonwagens zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'woonwagenstandplaats'.
Woonwagens mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden, met dien verstande dat per bouwvlak maximaal één woonwagen is toegestaan.
De inhoud van een woonwagen mag niet meer bedragen dan 350 m3.
De goothoogte van een woonwagen mag niet meer bedragen dan 3 m.
De bouwhoogte van een woonwagen mag niet meer bedragen dan 4,75 m.
Bijgebouwen en overkappingen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'.
De bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 3.5 m.
Artikel 4.180 van het Bbl luidt als volgt:
1. Een doorgang heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en ten minste de in tabel 4.179 aangegeven vrije hoogte. Dit geldt voor een doorgang naar:
a. een verblijfsgebied;
b. een verblijfsruimte;
c. een toiletruimte als bedoeld in de artikelen 4.166 en 4.186;
d. een badruimte als bedoeld in de artikelen 4.169 en 4.186;
e. een bergruimte als bedoeld in artikel 4.171;
f. een buitenruimte als bedoeld in artikel 4.174; en
g. een ruimte voor het bereiken van een lift als bedoeld in artikel 4.189.
Dit geldt ook voor een doorgang op een route vanaf het aansluitende terrein naar een in dit lid bedoelde ruimte.
2. Een lifttoegang heeft een vrije breedte van ten minste 0,85 m en een tussen de onderdelen van de bouwconstructie gemeten hoogte van ten minste de in tabel 4.179 aangegeven vrije hoogte.
Artikel 3.40, tweede lid, van het Bbl luidt:
De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment is ten minste 20 minuten of de afstand tussen een brandcompartiment en een ander brandcompartiment is ten minste 5 m.
Artikel 4.53, achtste lid, van het Bbl luidt:
De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een woonwagen naar een andere woonwagen is ten minste 30 minuten.
Artikel 4.54, vierde lid, van het Bbl luidt:
Bij het bepalen van de in artikel 4.53, achtste lid, bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt uitgegaan van een identieke maar spiegelsymmetrisch op een afstand van 5 m geplaatste woonwagen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678 en 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.