Eiser kreeg van de minister twee bestuurlijke boetes opgelegd wegens overtredingen van de Meststoffenwet (Msw) in 2018: één als feitelijk leidinggevende van een voormalige vennootschap onder firma (V.O.F.) en één als eigenaar van een eenmanszaak, de rechtsopvolger van die V.O.F. De boetes betroffen overschrijding van gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen en stikstof, en het niet voldoen aan de mestverwerkingsplicht.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht een boete oplegde aan eiser als eenmanszaak, maar vernietigt de boete aan eiser als feitelijk leidinggevende vanwege strijd met het ne bis in idem-beginsel. De rechtbank stelt dat eiser en zijn eenmanszaak geen verschillende juridische entiteiten zijn, waardoor dubbele beboeting voor dezelfde feiten niet is toegestaan. Daarnaast verwierp de rechtbank het verweer van eiser dat de minister onvoldoende rekening hield met stikstofvervluchtiging en dat de mestverwerkingsplicht onjuist werd toegepast.
De redelijke termijn voor de procedure was overschreden, maar de minister had de boete al gematigd, zodat geen verdere matiging plaatsvond. De rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser. De uitspraak vervangt het vernietigde besluit en bevestigt dat eiser één boete van € 80.362,50 moet betalen.