ECLI:NL:CBB:2020:299
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete voor overtreding tarief- en administratievoorschriften door tandprotheticus
Appellant, een tandprotheticus, werd door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beboet wegens het in rekening brengen van tarieven voor niet-geldige prestaties en het voeren van een onvoldoende gespecificeerde administratie. De boetes betroffen een totaalbedrag van €112.000,-. Appellant voerde aan dat hij de tandtechnische werkzaamheden overnam van een BV en zich niet realiseerde dat dit juridisch gezien niet meer door een afzonderlijke vennootschap werd verricht. Tevens betwistte hij de hoogte van de boetes en stelde dat de omzet waarop de boete was gebaseerd niet correct was vastgesteld.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant en zijn eenmanszaak niet als aparte entiteiten konden worden gezien. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigt dit oordeel en stelt dat appellant als zorgaanbieder in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) moet worden aangemerkt. Het vervaardigen van gebitsprothesen en het aanbieden van mondzorg vielen onder de Wmg, ongeacht de rechtsvorm.
Het College concludeert dat appellant hogere tarieven in rekening bracht dan toegestaan, onjuiste prestatiecodes gebruikte en een niet-conforme administratie voerde. De boetes zijn vastgesteld op basis van de omzet van de eenmanszaak in 2015, waarbij een ernstfactor werd toegepast. Het beroep op verminderde verwijtbaarheid en financiële draagkracht werd verworpen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en de boetes gehandhaafd.
Uitkomst: Boetes van €112.000,- voor overtreding tarief- en administratievoorschriften worden bevestigd.