Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2253

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
25/1162
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 14 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bernheze 2024Art. 44 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bernheze 2024Art. 1 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College wijst ten onrechte aanvraag woningaanpassing af op grond van verhuis- en voorzienbaarheidscriteria

Eiser, met diverse gezondheidsproblemen, vroeg op grond van de Wmo 2015 een woningaanpassing aan om zijn douche met opstap te vervangen door een inloopdouche. Het college wees de aanvraag af omdat eiser zonder toestemming was verhuisd naar een niet geschikte woning en omdat het voorzienbaar was dat hij beperkingen zou ervaren met de douche.

De rechtbank stelde vast dat eiser in 2019 verhuisde naar een gelijkvloers appartement dat rolstoeltoegankelijk was en dichtbij mantelzorgers en voorzieningen lag. De woning was passend en het college kon onvoldoende aantonen dat de woning ongeschikt was. Ook was het niet voorzienbaar dat eiser vanaf medio 2024 de douche niet meer zelfstandig kon gebruiken, gezien het grillige verloop van zijn reumatische artritis.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Zij verstrekt aan eiser de gevraagde maatwerkvoorziening en veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van het college en kent de gevraagde woningaanpassing toe.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1162

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Breedveld),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze, het college
(gemachtigde: [naam] en mr. drs. M.I.K. Selen-Boers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Eiser heeft namelijk op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een aanvraag gedaan voor een woningaanpassing. Hij wenst een wijziging van zijn douche met opstap in een inloopdouche. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Enerzijds omdat eiser zonder toestemming van het college is verhuisd naar een niet geschikte woning. Anderzijds omdat voorzienbaar was dat eiser in de toekomst beperkingen zou ervaren met deze douche. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het college de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen op deze gronden. Het beroep is gegrond en eiser krijgt gelijk.

Procesverloop

2. Het college heeft met een besluit van 31 december 2024 (het primaire besluit) de aanvraag van eiser om een woningaanpassing op grond van de Wmo 2015 afgewezen.
2.1.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Het college is met het besluit van 9 april 2025 (het bestreden besluit) bij die afwijzing gebleven en heeft het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op een zitting behandeld. Eiser en zijn dochter, [naam] , zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eiser. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Het tot stand komen van het bestreden besluit

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1962. Eiser is bekend met reumatoïde artritis, chronisch obstructieve longziekte, vernauwde bloedvaten, darmproblemen en manische depressie.
3.1.
Eiser was voorheen woonachtig in [plaats] en is sinds 5 december 2019 verhuisd naar [woonplaats] . In [woonplaats] woont hij samen met zijn partner in de woning op het adres [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning). Dit is een gelijkvloers appartement te bereiken met een lift. De woning bestaat uit één woonkamer/keuken, één slaapkamer, een extra kamer en een badkamer. De badkamer beschikt over een bad en een douche met een hoge douchebak van 32 cm. De douche beschikt (inmiddels) over een douchestoel. Voorts is er een apart toilet met een steunbeugel en een douche-föhn-installatie.
3.2.
Eiser heeft zich eind 2019 bij het college gemeld voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Naar aanleiding van deze melding heeft op 27 januari 2020 een huisbezoek in de woning plaatsgevonden, dat geresulteerd heeft in een gespreksverslag (gedateerd 27 januari 2020). Eiser heeft in dit kader een aanvraag ingediend, waarna het college aan eiser op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening scootmobiel heeft verstrekt.
3.3.
Eiser kan in de loop van 2024 als gevolg van zijn beperkingen niet langer gebruik maken van de douche. Daarom meldt hij zich op 9 september 2024 opnieuw bij het college voor ondersteuning op grond van de Wmo 2015 en dient daarvoor een aanvraag in.
3.4.
Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, afgewezen. Het college legt twee gronden aan deze afwijzing ten grondslag. Ten eerste stelt het college zich op het standpunt dat de woning van eiser al bij de aankoop niet passend was. Eiser heeft voorafgaand aan de verhuizing geen contact gehad met het college en eiser heeft ook niet aangetoond dat deze woning de best passende aanwezige woning was. Het college baseert deze grond op artikel 14, tweede lid, aanhef en onder g, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Bernheze 2024 (Verordening). Ten tweede stelt het college zich op het standpunt dat een toename van de beperkingen voorzienbaar was. Van eiser had daarom mogen worden verwacht dat hij maatregelen zou treffen die de gevraagde maatwerkvoorziening overbodig zou hebben gemaakt. Het college baseert deze grond op artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, sub 2o, van de Verordening. Ten slotte ziet het college geen aanleiding om de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 44 van Pro de Verordening toe te passen.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat het college de aanvraag van eiser ten onrechte heeft afgewezen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Is de woning de meest geschikte beschikbare woning?
4.1.
Eiser betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij is verhuisd naar een niet passende woning. Eiser is juist vanwege zijn beperkingen verhuisd van zijn oude woning in [plaats] naar zijn huidige woning in [woonplaats] . Het betreft een gelijkvloers appartement te bereiken met een lift. De woning is rolstoeltoegankelijk. Bovendien heeft hij de beschikking over een garage waarin hij zijn gesloten buitenwagen en scootmobiel kan stallen. Ten slotte bevindt de woning zich in de nabijheid van zijn mantelzorger, zijn dochter, en verschillende voorzieningen in het dorp. Anders dat het college betoogt, kon eiser in 2020 wel degelijk zelfstandig gebruik maken van de douche. Daarom heeft hij destijds ook een douchestoel aangeschaft. Alleen in slechte periodes heeft hij hierbij hulp nodig gehad van zijn vrouw of heeft hij zich gewassen aan de wastafel. De badkamer was bij aankoop dus wel passend voor eiser. Eiser betwist dat hij tijdens het gesprek op 27 januari 2020 heeft verklaard dat hij de douche alleen kon gebruiken met behulp van zijn vrouw. Dit is pas veel later het geval geweest, toen zijn situatie verslechterde. Kortom, eiser is van mening dat hij in 2019 is verhuisd naar de meest geschikte beschikbare woning.
4.1.1.
Het college betoogt tijdens de mondelinge behandeling dat eiser niet is verhuisd naar de meest geschikte beschikbare woning. In de douche was namelijk geen douchestoel aanwezig. En, hij had ook al in 2020 een douchestoel nodig om gebruik te kunnen maken van de douche. Daarom was de douche dus niet geschikt voor eiser. In het verweerschrift betoogt het college dat eiser al in 2019 problemen ondervond in het gebruik van de douche. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst het college naar het gespreksverslag van 27 januari 2020 en het onderzoeksverslag van 27 januari 2020. Hierin staat dat eiser zich momenteel (dus in 2020) wast met ondersteuning van zijn vrouw. Hij overweegt om een douchestoel te kopen om zo weer gebruik te kunnen maken van de douche. De douche heeft helaas wel een hoge opstap, maar met ondersteuning van zijn vrouw kan hij deze stap nog maken. Eiser heeft dit gespreksverslag gezien en ondertekend. Daarom mag het college ook uitgaan van de juistheid van dit verslag en van de eerdere verklaring van eiser.
4.1.2.
In artikel 14, tweede lid, aanhef en onder g, van de Verordening is, voor zover van belang, bepaald dat geen woonvoorziening wordt verstrekt als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijke toestemming is gegeven door het college.
4.1.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ligt het op de weg van de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat ten tijde van belang geen geschikte woning voor de cliënt beschikbaar, als de cliënt gelet op de beperkingen is verhuisd naar een woning die niet voor de cliënt geschikt is en vooraf geen inlichtingen heeft ingewonnen bij het college. [1]
4.1.4.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat eiser eind 2019 is verhuisd naar een woning die gelet op zijn beperkingen niet voor hem geschikt is. Hiervoor is allereerst van belang dat de rechtbank de verwijzing van het college naar het gespreksverslag van 27 januari 2020 en het onderzoeksverslag van 27 januari 2020 niet volgt. Uit het door eiser ondertekende gespreksverslag van 27 januari 2020 volgt immers niet dat eiser heeft verklaard dat hij beperkingen ondervindt bij het gebruik van de douche. Dit verslag onderbouwt daarom het standpunt van het college niet. In het onderzoeksverslag van 27 januari 2020 staat weliswaar dat de douche een hoge opstap heeft en dat eiser met ondersteuning van zijn vrouw deze stap nog kan maken, maar eiser betwist dat hij dit toen heeft gezegd. Eiser heeft dit onderzoeksverslag ook nooit gezien, omdat dit een intern stuk van het college betreft zoals het college tijdens de mondelinge behandeling ook heeft aangegeven. Eiser is daardoor niet in de gelegenheid geweest om te verifiëren of de inhoud van dit onderzoeksverslag in overeenstemming is met wat tijdens het huisbezoek op 27 januari 2020 is gezegd. Gezien zijn uitdrukkelijke betwisting en het feit dat dit verslag niet is gezien en ondertekend door eiser, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet kan worden gehouden aan wat hierin is vermeld over het gebruik van de douche. Dit onderzoeksverslag biedt daarom onvoldoende onderbouwing voor het standpunt van het college. Daar komt nog bij dat in het onderzoeksverslag van 27 januari 2020 niet is geconcludeerd door het college dat eiser is verhuisd naar een niet geschikte woning. Op p. 3 van dit verslag staat een tabel. In deze tabel is bij ondersteuningsbehoefte/-doelen ‘Wonen in een geschikt huis’ geen beperking aangenomen. Dit wijst dus op het tegendeel: op dat moment werd de woning voor eiser geschikt bevonden. Het college wijst tijdens de mondelinge behandeling op de toelichting hierbij, maar uit deze toelichting volgt niet dat het college een oordeel heeft gegeven over de geschiktheid van de woning. Voor zover het college tijdens de mondelinge behandeling betoogt dat de woning al bij aankoop ongeschikt was omdat hierin geen douchestoel aanwezig was, is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat er geen douchestoel in de douche aanwezig was deze woning niet ongeschikt maakt voor eiser. Het lijkt erop dat het college dit ook tijdens de mondelinge behandeling erkent door desgevraagd te verklaren dat van eiser niet werd verlangd dat hij in 2019 naar een woning verhuisde met een douche met douchestoel. Alles in ogenschouw nemend is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser destijds is verhuisd naar een woning die gelet op zijn beperkingen ongeschikt voor hem was. De beroepsgrond slaagt.
Was de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs voorzienbaar voor eiser?
4.2.
Eiser betoogt dat het college ten onrechte artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, sub 2o, van de Verordening aan hem tegenwerpt. Voor eiser was niet voorzienbaar dat hij niet langer gebruik kan maken van zijn douche. Eiser heeft al sinds 1995 klachten en al in 1998 is de diagnose reumatische artritis gesteld. Hij is als gevolg hiervan bekend met slechte periodes en relatief goede periodes. De reumatische artritis heeft bij hem een grillig verloop. Als gevolg hiervan was het voor hem eind 2019 niet voorzienbaar dat hij vanaf medio 2024 niet langer gebruik kon maken van de douche. In 2020 kon eiser nog 100 meter lopen, in maart 2025 is dat nog maar 5 meter. Bovendien kon eiser tot medio 2024 zelfstandig gebruik maken van de douche. Alleen in slechte periodes had hij hulp nodig van zijn vrouw of waste hij zich onder de kraan. Vanaf medio 2024 gaat het zo slecht met hem dat hij alleen nog gebruik kon maken van de douche met hulp van zijn vrouw. Inmiddels kan dat ook niet meer, omdat zijn vrouw dit fysiek niet meer aan kan.
4.2.1.
Het college betoogt in het verweerschrift dat eiser bij de koop van de woning in 2019 al bekend was met de reumatische artritis. De beperking in het gebruik van de douche heeft te maken met de aard en de ernst van de gezondheidsklachten van eiser. Eiser had bij de koop van de woning in 2019 al rekening moeten houden met zijn beperkingen en de te verwachten ontwikkeling hiervan. De Wmo 2015 biedt ruimte om voorzieningen te weigering als iemand verhuist zonder daarmee rekening te houden. Het college verwijst in dit kader naar de uitspraak van de CRvB van 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603.
4.2.2.
Daargelaten de vraag hoe de toepassing van het college van de weigeringsgrond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, sub 2o, van de Verordening zich in dit geval verhoudt met de toepassing van de hiervoor in 4.1 t/m 4.1.4 besproken weigeringsgrond, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de hulpvraag en de noodzaak tot ondersteuning voor eiser voorzienbaar waren. Eiser is immers al sinds 1998 gediagnosticeerd met reumatische artritis en ervaart al sinds 1995 beperkingen van wisselende aard. De aandoening heeft bij hem een grillig verloop met slechte en relatief goede periodes. Hij gebruikt hiervoor ook medicatie die de ene keer beter werkt dan de andere keer. Het college erkent het doorgaans grillige verloop van deze aandoening ook tijdens de mondelinge behandeling. Dit betekent dat het enkele feit dat eiser bekend is met deze aandoening niet maakt dat het voor hem voorzienbaar was dat hij als gevolg hiervan op enig moment geen gebruik meer zou kunnen maken van de douche. Door het grillige verloop, had het ook zo kunnen zijn dat eiser nog jarenlang zelfstandig gebruik had kunnen maken van de douche. Het college wijst tijdens de zitting ook op het feit dat eiser meer beperkingen krijgt met het ouder worden en dat moet worden gekeken naar het totaalbeeld van de medische situatie van eiser. Zoals de CRvB heeft overwogen in de uitspraak van 22 augustus 2018 biedt de Wmo 2015 echter geen ruimte om van de burger te eisen dat hij preventief maatregelen treft en investeringen doet die tot doel hebben te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op deze wet. [2] Verder maakt het college niet aannemelijk dat eiser als gevolg van zijn andere aandoeningen geen gebruik kan maken van de douche. Ook hiermee onderbouwt het college dus niet dat de hulpvraag en de noodzaak tot ondersteuning voor eiser voorzienbaar waren. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
4.3.
Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft de aanvraag van eiser ten onrechte afgewezen op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder g, en eerste lid, aanhef en onder g, sub 2o, van de Verordening. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.
4.4.
De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Hiervoor acht de rechtbank van zwaarwegend belang dat eiser zich al op 9 september 2024 heeft gemeld voor de gevraagde woningaanpassing. Inmiddels is het al ruim anderhalf jaar later. Bovendien heeft eiser aangegeven last te hebben van darmklachten, waardoor hij een grotere behoefte dan gemiddeld heeft om zich te kunnen wassen onder een douche. Daar komt bij dat de rechtbank op grond van het huidige procesdossier geen andere weigeringsgronden ziet. De rechtbank zal daarom het primaire besluit herroepen en op grond van de Wmo 2015 aan eiser een maatwerkvoorziening woningaanpassing verstrekken in die zin dat de huidige douche wordt aangepast in een inloopdouche zonder verhoging. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
5. Dit betekent verder dat eiser zijn griffierecht terugkrijgt en dat het college de door eiser gemaakte kosten aan hem moet vergoeden. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1; 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 april 2025;
- herroept het besluit van 31 december 2024;
- verstrekt aan eiser op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening woningaanpassing, in die zin dat de huidige douche wordt aangepast in een inloopdouche zonder verhoging en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt het college in de kosten van eiser tot een bedrag van € 2.534,-;
- bepaalt dat het college aan eiser het betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2868, r.o 4.3 en 4.5, en de uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2951, r.o 4.1 tot en met 4.3.