Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2279

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
26/479
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 112 WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV op bezwaar WIA-uitkering

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 9 januari 2025 waarin haar WIA-uitkering werd afgewezen. Het UWV heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op dit bezwaar beslist, ondanks ingebrekestelling door eiseres op 5 januari 2026.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat het UWV de beslistermijn heeft overschreden. Vanwege het spoedeisend belang van eiseres, die betrokken is bij een gemeentelijk schuldhulpverleningstraject dat dreigt stil te vallen, wijkt de rechtbank af van de gebruikelijke termijn van vier maanden en legt een termijn van twee weken op voor het UWV om alsnog te beslissen.

Daarnaast wordt het UWV een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het besluit uitblijft na deze termijn. Het UWV moet ook het griffierecht en proceskosten van eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 10 april 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV krijgt twee weken om alsnog te beslissen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/479

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. B.W.P.M. van Orsouw),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 24 januari 2025. Dit bezwaar richt zich tegen het besluit van het UWV van 9 januari 2025 waarin het UWV een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan eiseres heeft afgewezen.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Het UWV heeft het bezwaarschrift van eiseres ontvangen op 27 januari 2025. Het UWV had binnen zeventien weken moeten beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is
. [2] Het UWV heeft deze termijn verlengd. Partijen zijn het erover eens dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden. Eiseres heeft het UWV op
5 januari 2026 in gebreke gesteld. Omdat het UWV niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op het bezwaar van eiseres heeft beslist, en nog altijd niet heeft beslist, is het beroep ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. Deze rechtbank hanteert in principe de lijn om in zaken als deze te bepalen dat het UWV binnen vier maanden na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. [3] De rechtbank ziet in deze concrete zaak aanleiding om hiervan af te wijken.
4.2.
Eiseres heeft onbestreden gesteld dat zij spoedeisend belang heeft bij een zo spoedig mogelijke beslissing op haar bezwaar. Zij is verwikkeld in een gemeentelijk schuldhulpverleningstraject, dat dreigt stil te vallen aangezien een beslissing op het bezwaarschrift uitblijft. Uiteindelijk zou dit er zelfs toe kunnen leiden dat het gemeentelijk schuldhulpverleningstraject moet worden beëindigd. Eiseres heeft een flinke schuldenlast en zij kan niet aan haar betalingsverplichtingen voldoen. Een te treffen buitengerechtelijke schuldregeling zou een uitkomst zijn om aanvaarbare betalingsafspraken ten kunnen maken die wel te dragen zijn voor haar. Eiseres zegt dat het schuldhulpverleningstraject onderdeel is van de geboden hulp van de gemeente in het kader van de gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire waar (ook) zij slachtoffer van is.
4.3.
Gelet op wat eiseres aanvoert, zal de rechtbank in deze zaak de wettelijke hoofdregel volgen die inhoudt dat het UWV binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 5. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 6. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. [4] Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
7.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van N. Verhoeven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 112 van Pro de WIA.
3.Rechtbank Oost-Brabant 31 januari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:456, overwegingen 4.1. tot en met 4.3.
4.wegingsfactor 0,5, zie Centrale Raad van beroep 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288.