AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding wegens onrechtmatige weigering Wwm-ontheffing voor re-enactmentwapen
Verzoeker heeft de minister van Justitie en Veiligheid gevraagd om een ontheffing op grond van de Wet wapens en munitie (Wwm) voor het gebruik van een vuurwapen bij re-enactments. De minister weigerde aanvankelijk deze ontheffing, maar verleende deze uiteindelijk na een uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State. Verzoeker stelde schade te hebben geleden door de onrechtmatige weigering en vorderde vergoeding.
De rechtbank beoordeelde verschillende schadeposten. De vordering voor gemiste inkomsten wegens niet kunnen deelnemen aan evenementen werd afgewezen omdat verzoeker geen winstverlies kon aantonen. De kosten voor opslag van het wapen bij de wapenhandelaar gedurende de periode van ontheffingsweigering werden wel toegewezen, omdat deze direct verband hielden met het onrechtmatige besluit.
De vordering voor immateriële schade wegens niet kunnen deelnemen aan evenementen werd afgewezen, omdat verzoeker onvoldoende concrete gegevens over geestelijk letsel had aangevoerd. Ook werden de gevorderde proceskosten en buitengerechtelijke kosten afgewezen vanwege de limitatieve regeling in artikel 8:75 vanPro de Awb.
De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van € 2.952,- aan schadevergoeding, het griffierecht van € 194,- en proceskosten van € 1.868,- aan verzoeker.
Uitkomst: De rechtbank wijst gedeeltelijk schadevergoeding toe voor opslagkosten en veroordeelt de minister tot betaling van schadevergoeding, griffierecht en proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3423
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. R. Skála),
en
de Minister van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. R.P. Stehouwer).
Samenvatting
1. De minister heeft geweigerd om verzoeker een ontheffing te verlenen voor het gebruik van een vuurwapen bij re-enactments. Verzoeker heeft hierover geprocedeerd en uiteindelijk heeft de minister naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State de gevraagde ontheffing alsnog verleend. Verzoeker stelt door de aanvankelijke weigering schade te hebben geleden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de meeste schadeposten van verzoeker niet toewijsbaar zijn. De schadepost die wel toewijsbaar is, omvat de kosten die verzoeker heeft gemaakt voor de opslag van het wapen gedurende de periode dat verzoeker niet bevoegd was om het wapen bij de verkoper op te halen. Verzoeker krijgt dus gedeeltelijk gelijk.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft de minister bij brief van 27 mei 2025 verzocht om vergoeding van schade. De minister heeft dit verzoek afgewezen.
2.1.
Verzoeker heeft de rechtbank op 3 december 2025 verzocht om de minister te veroordelen tot vergoeding van de door hem gestelde schade.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
3. Verzoeker heeft de minister op 9 januari 2019 verzocht om een uitbreiding van zijn ontheffing op grond van de Wet wapens en munitie (Wwm). Verzoeker wenste bij zogeheten re-enactments gebruik te kunnen maken van een vuurwapen met merknaam Eddy MM .46 (het wapen). Dit wapen heeft hij rond de aanvraagdatum aangeschaft. Bij besluit van 5 juni 2019 is het verzoek om ontheffing door de minister afgewezen.
3.1.
Verzoeker heeft tegen deze afwijzing geprocedeerd. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4628, heeft de minister de aanvraag uiteindelijk op 3 januari 2025 toegewezen.
3.2.
Nu de minister de aanvraag uiteindelijk heeft toegewezen en de onrechtmatigheid van de aanvankelijke afwijzing heeft erkend, houdt de rechtbank het ervoor dat niet alleen de beslissing op bezwaar onrechtmatig was, maar ook het herroepen besluit van 5 juni 2019.
3.3.
Verzoeker stelt schade te hebben geleden door de onrechtmatige afwijzing van 5 juni 2019 en wenst deze schade vergoed te zien. De totale gestelde schade bedraagt € 53.475,04 aan materiële schade en € 9.000,- aan immateriële schade. Verzoeker beperkt zijn vordering echter tot een bedrag van € 25.000,-.
4. De rechtbank behandelt hierna de verschillende door verzoeker aangevoerde schadeposten.
Gemiste inkomsten
5. Verzoeker voert aan dat hij het wapen heeft aangeschaft om daarmee deel te kunnen nemen aan evenementen van het Landelijk Platform voor Levende Geschiedenis. Deze deelnamen waren door het uitblijven van de ontheffing niet mogelijk. Hierdoor heeft hij geen aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor afgeschoten hulzen die in verband met de deelname aan deze evenementen gebruikelijkerwijs worden uitgekeerd. Het gaat over de schadeperiode van 6 jaar om een totaalbedrag van € 600,-.
5.1.
De rechtbank wijst deze schadepost af. Op grond van artikel 6:96, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) omvat vermogensschade geleden verlies en gederfde winst. Gederfde omzet is als zodanig geen schade als deze gederfde omzet, afgezet tegen de gespaarde kosten, geen winstverlies met zich brengt. Verzoeker heeft ter zitting toegelicht dat hij geen winst maakt op het afschieten van hulzen, maar dat de vergoeding voor afgeschoten hulzen – plusminus een paar cent – kostendekkend is. Dat betekent dat verzoeker geen winst heeft gederfd en dus op dit punt geen schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.
Opslag wapen
6. Verzoeker voert aan dat hij het wapen vanwege het uitblijven van de ontheffing in bewaring heeft moeten geven bij de wapenhandelaar waar verzoeker het wapen heeft gekocht. De wapenhandelaar heeft daarvoor opslagkosten in rekening gebracht. Deze kosten bedragen over de schadeperiode € 2.952,-.
6.1.
Verzoeker heeft toegelicht dat een wapenhandelaar normaal gesproken kosteloos een aangekocht wapen in beheer houdt totdat de koper verzekerd is van de juiste publiekrechtelijke ontheffingen en vergunningen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in dit geval toch kosten aan de verkoper van de Eddy MM .46 heeft moeten vergoeden vanwege de buitengewoon lange periode dat het wapen bij de verkoper opgeslagen heeft moeten blijven.
6.2.
De minister heeft niet betwist dat deze kosten door verzoeker zijn gemaakt, maar volgens de minister dienen deze kosten voor eigen rekening te blijven. Verzoeker heeft volgens de minister bewust het risico genomen om het wapen aan te schaffen vóórdat er een ontheffing was verleend. De kosten zouden niet zijn ontstaan als verzoeker de ontheffing had afgewacht voordat hij het wapen aanschafte. Daarom kan het ontstaan van deze kosten redelijkerwijs niet worden toegerekend aan het onrechtmatige besluit.
6.3.
De rechtbank wijst deze schadepost in zijn geheel toe. Op grond van artikel 6:98 vanPro het BW komt die schade voor vergoeding in aanmerking die in zodanig verband staat met de schadeveroorzakende gebeurtenis dat de schade aan de schadeveroorzakende gebeurtenis kan worden toegerekend. Bij de beoordeling hiervan moet worden gelet op de aard van de aansprakelijkheid en van de schade. De rechtbank acht het redelijk dat een wapenhandelaar op enig moment kosten in rekening brengt voor het langdurig in beheer houden van een aangekocht wapen en dat verzoeker, ter afwending van een mogelijke ontbinding door de handelaar van de koopovereenkomst, met het vergoeden van deze kosten heeft ingestemd. Deze kosten houden rechtstreeks verband met het onrechtmatige besluit, aangezien ze niet zouden zijn gemaakt als er direct positief op de aangevraagde ontheffing was beschikt. Voor zover de minister betoogt dat causaal verband ontbreekt, wordt dit betoog dus verworpen. Ook verwerpt de rechtbank het betoog van de minister dat het de wapenhandelaar op grond van de Wwm niet vrijstond om kosten in rekening te brengen omdat daarmee sprake zou zijn van een onrechtmatige overdracht. De kosten die in rekening zijn gebracht, dienen immers ter compensatie van het langdurig door de wapenhandelaar onder zich houden van het wapen. Dat is niet gelijk te stellen aan een overdracht.
6.4.
Voor zover de minister met zijn betoog een beroep doet op de eigenschuldregeling van artikel 6:101 vanPro het BW, overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van deze bepaling wordt, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. De rechtbank is echter van oordeel dat de verzoeker in redelijkheid niet kan worden verweten dat hij de Eddy MM .46 heeft aangeschaft voordat hij absolute zekerheid had dat hij daarvoor publiekrechtelijke toestemming zou krijgen. Verzoeker hoefde er namelijk geen rekening mee te houden dat de minister onrechtmatig zou beslissen.
6.5.
Verzoeker heeft toegelicht dat het bedrag van € 2.952,- met de wapenhandelaar is overeengekomen en is gebaseerd op een gangbaar termijntarief. De minister heeft de hoogte van dit bedrag of de redelijkheid daarvan niet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de toewijsbaarheid ervan.
Immateriële schade
7. Verzoeker voert aan dat hij vanwege het uitblijven van de ontheffing zes jaar lang niet (volledig) deel heeft kunnen nemen aan de evenementen van het Landelijk Platform voor Levende Geschiedenis. Verzoeker zegt hierdoor immateriële schade te hebben geleden.
7.1.
Bij de beoordeling van deze vordering stelt de rechtbank het volgende toetsingskader voorop.
7.2.
Als de schade die het gevolg is van een onrechtmatige daad nadeel omvat dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Het moet dan gaan om immateriële schade vanwege lichamelijk letsel, omdat hij in zijn eer of goede naam is geschaad of omdat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
7.3.
Van de in art. 6:106, eerste lid, onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van een aantasting in de persoon op andere wijze sprake is.
7.4.
Verzoeker heeft volstaan met het benoemen van het gegeven dat hij niet aan de evenementen van het Landelijk Platform voor Levende Geschiedenis heeft kunnen deelnemen en dat hij veel energie en kosten heeft moeten stoppen in het halen van zijn gelijk. Dat is een vervelende omstandigheid, waaraan de rechtbank niet af wil doen. Uit dit gegeven volgt echter niet dat verzoeker in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast zoals bedoeld in artikel 6:106 vanPro het BW. De stelling van verzoeker dat vrienden en kennissen vraagtekens hebben kunnen plaatsen bij de aanvankelijke afwijzende beschikking en de redenen daarvoor, is daarvoor onvoldoende concreet onderbouwd. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
Proceskosten en buitengerechtelijke kosten
8. Verzoeker wenst de vergoeding van verschillende kosten die verband houden met de bestuursrechtelijke rechtsgangen die hij heeft doorlopen. Het gaat om de volgende posten:
Honorarium huidige en vorige gemachtigden
Kosten getuigen
Rapport van Fare Consultancy
Werkzaamheden van Wapenherstelbedrijf [naam].
Eigen reiskosten
Opgenomen 20 vrije dagen door verzoeker.
8.1.
De rechtbank wijst deze vorderingen af. Artikel 8:75 vanPro de Awb bevat een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de proceskosten waarin een bestuursorgaan kan worden veroordeeld. De wetgever heeft bewust gekozen voor een regeling waarin niet de werkelijke proceskosten van een procederende burger worden vergoed, maar waarin een vaste vergoeding wordt toegekend. De wetgever heeft daarbij – mede om budgettaire redenen – aanvaard dat een bestuursrechtelijke procedure voor een burger verlieslatend kan zijn. [1]
8.2.
De bestuursrechter die oordeelt over de bestuursrechtelijke rechtsgang waarin de proceskosten zijn gemaakt, dient ook te oordelen over de vergoedbaarheid van de proceskosten. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat er geen plaats is voor aanvullende civiele rechtsbescherming in de vorm van schadevergoeding, tenzij het een aanspraak betreft die de belanghebbende redelijkerwijs niet op de voet van artikel 8:75 vanPro de Awb aan de bestuursrechter heeft kunnen voorleggen. [2]
8.3.
Voor de in nummer 8 genoemde schadeposten geldt dat ze vallen onder de reikwijdte van de regeling van artikel 8:75 AwbPro in combinatie met het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verzoeker heeft geen gronden aangevoerd die maken dat hij deze posten redelijkerwijs niet op de voet van artikel 8:75 AwbPro aan de bestuursrechter heeft kunnen voorleggen. Deze vorderingen van verzoeker worden daarom afgewezen.
8.4.
De rechtbank merkt op dat op het voorgaande een uitzondering mogelijk is, namelijk voor zover de kosten zijn aan te merken als redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte zoals bedoeld in artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder c, van het BW. Deze kosten moeten op grond van de genoemde bepaling namelijk worden gezien als vermogensschade en niet als proceskosten waarvoor artikel 8:75 vanPro de Awb een uitputtende regeling geeft, mits het gaat om kosten met betrekking tot verrichtingen die buiten het bestek van de bestuursrechtelijke procesgang vallen. Verder moet het gaan om verrichtingen die méér omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een – niet aanvaard – schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op een gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Is van zulke verrichtingen sprake, dan worden de buitengerechtelijke kosten vervolgens begroot aan de hand van de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [3]
8.5.
De rechtbank is echter van oordeel dat de kosten ook niet op grond van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder c, van het BW voor vergoeding in aanmerking komen. De verrichtingen ter verkrijging van voldoening buiten rechte die verzoeker heeft aangevoerd, behelzen het bij de minister verzoeken om schadevergoeding met onderbouwing van de schadeposten en het gemotiveerd reageren op de afwijzende beslissing van de minister. Het verzoeken om schadevergoeding is een verplichte verrichting in het kader van deze verzoekschriftprocedure en hier zijn daarom geen buitengerechtelijke kosten mee gemoeid. Het gemotiveerd reageren op de afwijzende beslissing van de minister is niet van dien aard en omvang dat de hiermee gepaard gaande kosten voor vergoeding in aanmerking komen.
Conclusie en gevolgen
9. Omdat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk toewijst, moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden en krijgt verzoeker ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. Voor het verzoekschrift krijgt verzoeker één punt en voor het door de gemachtigde ter zitting verschijnen krijgt verzoeker ook één punt. Per punt krijgt verzoeker € 934,-. In totaal krijgt verzoeker dus 2 x 934 = € 1.868,-.
9.1.
Verzoeker heeft separaat een vergoeding gevorderd van de reiskosten die zijn gemachtigde heeft gemaakt. Deze kosten worden geacht te zijn inbegrepen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, genoemd in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. Deze kosten worden daarom niet apart vergoed.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
- veroordeelt de minister tot het betalen van € 2.952,- aan schadevergoeding aan eiser;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.Y. Ifzaren, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
3.Met dit toetsingskader sluit de rechtbank aan bij het door de rechtspraak opgestelde rapport BGK-integraal. Dit rapport is te vinden op https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Rapport-BGK-integraal.pdf.