ECLI:NL:RBOBR:2026:260

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
23/622
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen herstelbesluit omgevingsvergunning voor uitbreiding varkenshouderij en bouw zeugenstal

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Oost-Brabant het beroep van eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster voor de uitbreiding van een varkenshouderij en de bouw van een zeugenstal. De omgevingsvergunning is verleend met het bestreden besluit van 12 januari 2023, maar dit besluit is later ingetrokken en vervangen door een herstelbesluit op 30 juli 2024. De rechtbank heeft in een eerdere tussenuitspraak op 14 mei 2024 gebreken geconstateerd in het m.e.r.-beoordelingsbesluit en het college de gelegenheid gegeven deze te herstellen. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het maken van een milieueffectrapport (MER) niet nodig is, ondanks de bezwaren van eisers over de ammoniakemissies en de effectiviteit van de luchtwassers. De rechtbank verklaart het beroep tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het herstelbesluit ongegrond. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eisers.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/622

einduitspraak van de meervoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] ,

[eiser].
[eiser], uit [vestigingsplaats] ,
eisers,
(gemachtigde: mr. V. Wösten),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bernheze, het college
(gemachtigden: mr. E.C.S.F. Frenken, mr. M. Box, [naam] en mr. Algan-Tuna).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam]
. uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. J.J.J. van Rooij).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning aan vergunninghoudster. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten “bouwen van een bouwwerk” en “veranderen van een inrichting” voor de uitbreiding van een varkenshouderij en de bouw van een zeugenstal. De omgevingsvergunning is verleend met het bestreden besluit van 12 januari 2023.
1.1.
Deze uitspraak is een vervolg op de tussenuitspraak van 14 mei 2024. In de overwegingen 6.2, 7.1 en 12.2 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat er gebreken kleven aan het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende m.e.r.-beoordelingsbesluit. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om deze gebreken te herstellen met inachtneming van de aanwijzingen en overwegingen in de tussenuitspraak.
1.2.
Op 26 juni 2024 heeft vergunninghoudster de aanvraag om een omgevingsvergunning aangevuld. Met het besluit van 30 juli 2024 (het herstelbesluit) heeft het college de verleende omgevingsvergunning ingetrokken en vervangen door een nieuwe omgevingsvergunning voor de uitbreiding van een varkenshouderij en de bouw van een zeugenstal. Eisers hebben geen procesbelang meer bij vernietiging van het ingetrokken besluit van 12 januari 2023. De rechtbank zal het beroep tegen dat besluit dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
1.3.
Het beroep van eisers heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het herstelbesluit. Eisers hebben zienswijzen ingebracht tegen het herstelbesluit. Het college en vergunninghoudster hebben op de zienswijzen gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, eiser [naam] en eiseres [naam] , de gemachtigden van het college, [naam] (projectleider Stalderingsloket/Ruimte voor Ruimte-regeling bij de provincie Noord-Brabant), de gemachtigde van vergunninghoudster, [naam] ( [naam] ) en [naam] (directeur van vergunninghoudster).

Het toepasselijke recht

2. In de tussenuitspraak staat dat het recht van vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft op de omgevingsvergunning van 12 januari 2023. Die omgevingsvergunning is ingetrokken. Met het herstelbesluit van 30 juli 2024 is opnieuw een omgevingsvergunning verleend. De nieuwe omgevingsvergunning is verleend op grond van een voor 1 januari 2024 ingediende aanvraag. Op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 januari 2024 van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Dat betekent dat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving ook van toepassing blijven op het herstelbesluit.

De verdere beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het herstelbesluit op grond van de gedingstukken en het verhandelde tijdens de zitting. Tot de gedingstukken behoort de schriftelijke reactie van het college op de zienswijze van eisers over de m.e.r.-beoordeling. Tijdens de zitting is gebleken dat de rechtbank heeft verzuimd om de schriftelijke reactie van het college op de zienswijze van eisers over het milieudeel door te zenden aan eisers. In verband hiermee heeft het college deze reactie alsnog mondeling naar voren gebracht op de zitting. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de schriftelijke weergave van de reactie buiten beschouwing te laten. Dat is anders voor de aanvullende schriftelijke reactie van de provincie over de staldering. Het college heeft dat stuk de dag voor de zitting om 16:40 uur aan de rechtbank gemaild. Daarmee is het stuk te laat in het geding gebracht. De rechtbank laat deze aanvullende schriftelijke reactie dan ook buiten beschouwing. De rechtbank houdt uiteraard wel rekening met wat tijdens de zitting over dit onderwerp is opgemerkt.
4. De rechtbank beoordeelt het herstelbesluit aan de hand van de beroepsgronden die eisers in hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Daarbij geldt wel een beperking. De rechtbank bespreekt geen nieuwe gronden die al tegen het oorspronkelijke besluit naar voren konden worden gebracht, als de nadere motivering of het herstelbesluit op het desbetreffende punt niet afwijkt van het oorspronkelijke besluit. Aanleiding daarvoor is het belang van efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van de andere partijen, in het licht van de goede procesorde. [1]
4.1.
Eisers voeren in hun zienswijze aan dat het bedrijf al op 1 januari 2020 had moeten hebben voldaan aan het Besluit Emissiearme Huisvesting. Eisers hebben tijdens de zitting aangegeven dat dit van belang is om de bestaande toestand van het milieu te bepalen. Daarmee stellen eisers de omvang van de referentiebeoordeling ter discussie. Dat is een nieuwe beroepsgrond. Eisers hebben deze beroepsgrond niet naar voren gebracht tegen het oorspronkelijke besluit, terwijl zij dat wel hadden kunnen doen. Het herstelbesluit wijkt op dit punt niet af van het oorspronkelijke besluit. De rechtbank laat deze nieuwe beroepsgrond dan ook buiten beschouwing.
5. De rechtbank heeft het college in de tussenuitspraak de gelegenheid gegeven om gebreken in drie onderdelen van het bestreden besluit te herstellen. Een van die gebreken was dat de omgevingsvergunning geen controle- of monitoringsvoorschriften over het aspect geluid bevatte (tussenuitspraak overweging 12.2). In het herstelbesluit heeft het college alsnog controle- of monitoringsvoorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden. Eisers hebben geen beroepsgronden aangevoerd tegen dit onderdeel van het herstelbesluit. Dat is dus niet in geschil. Het geschil spitst zich toe op het m.e.r.-beoordelingsbesluit en de staldering. De rechtbank zal deze onderwerpen bespreken aan de hand van de beroepsgronden.
M.e.r.-beoordelingsbesluit6. De rechtbank heeft in overweging 6.2 van de tussenuitspraak geoordeeld dat het m.e.r.-beoordelingsbesluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Er is sprake van een forse toename van het aantal dierplaatsen. Het college is ervan uitgegaan dat die toename geen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu als het aangevraagde luchtwassysteem aan de eis van 85% ammoniakverwijderingsrendement voldoet. Onzeker is echter of het luchtwassysteem aan die eis voldoet. Gelet op die onzekerheid mocht het college niet volstaan met een verwijzing naar de in de RAV opgenomen ammoniakemissiewaarden. Daarom heeft de rechtbank het college in de tussenuitspraak opgedragen om dit motiveringsgebrek te herstellen.
7. Na de tussenuitspraak heeft vergunninghoudster een aanvullende notitie “beschermingsmaatregelen luchtwassers” ingediend bij het college. In deze notitie heeft zij aangegeven mitigerende maatregelen te zullen realiseren om de werking van de luchtwassers te garanderen. De beschermingsmaatregelen zijn ontleend aan het WUR-rapport “Onderzoek naar verbeterpunten voor combi-luchtwassers in de praktijk” van november 2021 (WUR-rapport 2021). Het college heeft de voorgestelde beschermingsmaatregelen op grond van artikel 7.20a van de Wet milieubeheer als voorschriften 3.2 (combi luchtwasser) en 3.3 (chemische luchtwasser) aan de omgevingsvergunning verbonden. Volgens het college zijn de voorschriften toereikend om belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu vanwege de stikstofdepositie uit te sluiten.
8. Eisers stellen zich op het standpunt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu nog steeds niet uitgesloten zijn. De voorschriften 3.2 en 3.3 zijn niet voldoende om de onzekerheid over de emissiereductie van 85% weg te nemen. Dat komt doordat er geen volledig beeld bestaat van de mogelijke mankementen. Daarbij komt dat de voorschriften niet alle geconstateerde mankementen wegnemen. Er is geen oplossing voor de onzekere werking van de luchtwassers tijdens vorst, het optreden van verhoogde NOx-emissies en een langdurig verminderde werking na vervanging van het pakkingsmateriaal.
8.1.
Eisers voeren daarnaast beroepsgronden aan tegen specifieke voorschriften.
* De uitvoering van voorschrift 3.2.1 is problematisch. Luchtwassers mogen op grond van de Arbeidsomstandighedenwet niet worden betreden als specifieke luchtconcentraties optreden.
* De aanvraag bevat geen deugdelijk dimensioneringsplan en had daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Voorschrift 3.2.6 is overbodig omdat het dimensioneringsplan onderdeel dient uit te maken van de vergunningaanvraag.
* Voorschrift 3.2.8 is overbodig omdat deze eis ook geldt als dit voorschrift niet zou zijn opgenomen.
9. Ingevolge artikel 7:17, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het aan het bevoegd gezag om te beoordelen of bij de voorbereiding van de activiteit een MER moet worden gemaakt vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. In dit geval gaat het om de wijziging van een bestaande inrichting. Bij de m.e.r.-beoordeling mogen uitsluitend de gevolgen van de wijziging worden betrokken. [2]
9.1.
De gevolgen van de wijziging worden afgezet tegen de referentiesituatie. Op 14 november 2016 is een natuurvergunning verleend voor de varkenshouderij aan de [adres] in [vestigingsplaats] (de inrichting). Deze natuurvergunning geldt als referentie bij het beoordelen van de nadelige gevolgen van de wijziging van de inrichting voor Natura 2000-gebieden.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid kunnen beslissen dat het niet nodig is om een MER op te stellen voor de voorgenomen wijziging van de inrichting. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
10.1.
De voorschriften die hier aan de orde zijn ontleend aan het WUR-rapport 2021. In de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024 [3] waren vergelijkbare voorschriften aan de orde. Uit de uitspraak volgt dat de voorschriften in het kader van de verlening van een natuurvergunning onvoldoende zekerheid bieden dat de in de Regeling Ammoniak en Veehouderij (Rav) genoemde ammoniakreductie van 85% wordt gehaald. De grootte van de gerealiseerde ammoniakreductie is niet duidelijk. De uitspraak van de Afdeling is echter niet een-op-een toepasbaar op deze zaak. In deze zaak gaat het niet om de verlening van een natuurvergunning, maar om een m.e.r.-beoordeling ten behoeve van de verlening van een omgevingsvergunning milieu. Een m.e.r.-beoordeling is geen verkapte verlening van een natuurvergunning. Het gaat alleen om de vraag of een MER moet worden opgesteld en dus of een uitgebreider onderzoek naar de nadelige gevolgen voor (in dit geval) Natura 2000-gebieden moet worden verricht. Op het moment van het m.e.r.-beoordelingsbesluit hoeft nog niet duidelijk te zijn wat de exacte gevolgen van de wijziging van de inrichting zijn voor Natura 2000-gebieden. [4] Daaruit volgt dat de exacte ammoniakreductie van de betrokken luchtwassers ook niet duidelijk hoeft te zijn.
10.2.
De rechtbank gaat er met partijen van uit dat combi luchtwassers gemiddeld slechts een reductie realiseren van 59%. Bij dit percentage is geen rekening gehouden met het uitvoeren van de in de voorschriften voorgeschreven maatregelen. Het college heeft er naar het oordeel van de rechtbank van mogen uitgaan dat die maatregelen een positieve bijdrage leveren aan de ammoniakreductie door de luchtwassers. Hoe groot die bijdrage is, is niet duidelijk. Uit het DLV-advies van 24 februari 2025 blijkt dat minimaal een ammoniakreductie van 55 procent nodig is om op het punt van de ammoniakemissie binnen de grenzen van de natuurvergunning uit 2016 te blijven. Alles in aanmerking nemend heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in het herstelbesluit voldoende onderbouwd dat niet aannemelijk is dat de wijziging vanwege de stikstofdepositie belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Gelet op de beoordelingsruimte die het college heeft, heeft het in redelijkheid kunnen beslissen dat het maken van een MER niet nodig is.
11. Hierna zal de rechtbank de kritiek van eisers op drie voorschriften voor de gecombineerde luchtwassers van de stallen 2 t/m 6 bespreken.
11.1.
Eerst is voorschrift 3.2.1 aan de orde. Het voorschrift bepaalt, voor zover hier van belang, dat wekelijks een visuele controle uitgevoerd dient te worden waarbij in het bijzonder gelet wordt op de werking van de sproeiers, leidingen en druppelvangers. Daarnaast dient vastgesteld te worden dat het hele waspakket besproeid wordt.
Uit het voorschrift blijkt niet dat het nodig is om de luchtwasser op ieder willekeurig moment te betreden om deze visuele controle uit te kunnen voeren. Het gaat om een wekelijkse controle. Dat het betreden van de luchtwasser in bepaalde omstandigheden in strijd is met de Arbeidsomstandighedenwet, wat daar verder ook van zij, wil nog niet zeggen dat de visuele controle niet wekelijks kan worden uitgevoerd.
11.2.
Daarna is voorschrift 3.2.6 aan de orde. Dit voorschrift gaat over een dimensioneringsplan. De stelling van eisers dat bij de aanvraag geen dimensioneringsplan is overgelegd is feitelijk onjuist. Voor alle luchtwassystemen is een dimensioneringsplan bij de aanvraag gevoegd. Voorschrift 3.2.6 bepaalt dat de luchtwasser moet worden gerealiseerd conform de detailtekeningen van het door het bevoegd gezag goedgekeurde dimensioneringsplan. De rechtbank volgt eisers niet in de stelling dat dit voorschrift overbodig zou zijn. Dit voorschrift is van belang bij het toezicht op de uitvoering van het luchtwassysteem. Met de gegevens uit het goedgekeurde dimensioneringsplan is tijdens de bouw- en opleveringscontrole eenvoudig te controleren of de daadwerkelijke uitvoering van het luchtwassysteem overeenkomt met de specificaties. Hiermee kan worden voorkomen dat de luchtwasser anders wordt gerealiseerd dan in de aanvraag.
11.3.
Op grond van voorschrift 3.2.8 moet de luchtwasser altijd zo zijn ingesteld dat deze optimaal kan functioneren, conform de systeembeschrijving van het luchtwassysteem. De rechtbank volgt eisers niet in de stelling dat dit voorschrift overbodig is. In het WUR-rapport 2021 is onder meer geconstateerd dat een verkeerd afgestelde luchtwasser leidde tot een laag ammoniakverwijderingsrendement. Volgens dit rapport is het belangrijk dat de instellingen van luchtwassers correct zijn zodat negatieve gevolgen op de ammoniakverwijdering voorkomen worden. [5] Gelet hierop is dit voorschrift van belang bij het toezicht op het juiste gebruik van de luchtwasser.
11.4.
De beroepsgronden van eisers tegen de m.e.r.-beoordeling in het herstelbesluit slagen niet.
Staldering
12. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het college heeft verzuimd om het voorlopige stalderingsbewijs toe te voegen aan de ter inzage gelegde stukken. Na de periode van terinzagelegging heeft het college eisers evenmin op de hoogte gesteld van het stalderingsbewijs. Eisers hebben daardoor geen gelegenheid gekregen om bedenkingen in te brengen tegen het stalderingsbewijs. Ook heeft het college verzuimd het bestreden besluit op het punt van de staldering kenbaar te motiveren.
13. Na de tussenuitspraak heeft het college het stalderingsbewijs en de onderliggende stukken toegevoegd aan de omgevingsvergunning. Het college heeft aangegeven dat het stalderingsbewijs strekt tot uitbreiding van de stallen aan de [adres] te [vestigingsplaats] met een oppervlakte van maximaal 2.334 m2 voor het houden van varkens. Ten behoeve van deze uitbreiding zijn de volgende locaties door sloop gesaneerd:
- [adres] in [vestigingsplaats] met een gesaneerd staloppervlak van 1.746 m2 en
- [adres] in [vestigingsplaats] met een gesaneerd staloppervlak van 1.055 m2.
Volgens het college is hiermee voldaan aan de artikelen 2.74 en 3.52 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) en de Beleidsregel staldering Noord-Brabant.
Formele beroepsgronden tegen de staldering
14. Eisers voeren aan dat de gewijzigde aanvraag met bijbehorende stukken niet ter inzage is gelegd en dat ten onrechte geen nieuw ontwerpbesluit is genomen. Daarnaast ontbreken de onderliggende stukken bij het stalderingsbewijs en een overzicht van de stalderingsberekening. Ook ontbreekt een definitief stalderingsbewijs. Volgens eisers is slechts sprake van een concept stalderingsbewijs.
14.1.
Het college stelt zich in navolging van de gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (GS) op het standpunt dat een voorlopig stalderingsbewijs wordt omgezet naar een definitief stalderingsbewijs wanneer de gemeente heeft aangegeven dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvankelijk is. GS hebben het voorlopige stalderingsbewijs op 15 maart 2022 omgezet in een definitief stalderingsbewijs. Alle informatie is terug te vinden in het voorlopige stalderingsbewijs. De omzetting bevat volgens het college geen nieuwe gegevens en/of bijlagen.
14.2.
De rechtbank constateert met eisers dat het college geen nieuw ontwerpbesluit heeft genomen en de stalderingsstukken niet alsnog ter inzage heeft gelegd. Het herstelbesluit is op dat punt evenals het oorspronkelijke besluit in strijd met de verplichting in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb om alle op het ontwerp van het besluit betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp ter inzage te leggen. Het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is in zoverre niet hersteld. Dat neemt niet weg dat eisers voorafgaand aan het herstelbesluit de beschikking hebben gekregen over alle stukken die ten grondslag liggen aan de staldering. Eisers hebben voldoende gelegenheid gekregen om daarop te reageren. De rechtbank acht aannemelijk dat eisers of andere belanghebbenden niet zijn benadeeld door de schending van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Daarom zal de rechtbank het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.
14.3.
Het herstelbesluit bevat een weergave van de vierkante meters die ten behoeve van de uitbreiding van de varkensstallen van vergunninghoudster door sloop zijn gesaneerd. In samenhang met de onderliggende stukken is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijkheid geboden over de stalderingsberekening.
14.4.
Eisers stellen zich ten onrechte op het standpunt dat een definitief stalderingsbewijs ontbreekt. GS hebben op 12 januari 2022 een aanvraag voor afgifte van een stalderingsbewijs ten behoeve van de omgevingsvergunning ontvangen. Op 2 februari 2022 hebben GS een voorlopig stalderingsbewijs afgegeven. In het voorlopige stalderingsbewijs is vermeld dat tot zes maanden na de datum van dit besluit een verzoek kan worden gedaan tot omzetting van het besluit voorlopig stalderingsbewijs naar een besluit definitief stalderingsbewijs. Op 14 maart 2022 hebben GS de verklaring ontvangen dat de aanvraag omgevingsvergunning ontvankelijk is. Vervolgens hebben GS het voorlopige stalderingsbewijs op 15 maart 2022 omgezet naar een definitief stalderingsbewijs.
14.5.
De rechtbank volgt eisers niet in de stelling dat de stalderingsverklaring onduidelijk is omdat hierin niet het bedrijfsadres [adres] van de stalderingsgever is genoemd. Het bedrijfsadres [adres] is genoemd in het voorlopige stalderingsbewijs van 2 februari 2022. In het besluit van 15 maart 2022 is dit voorlopige stalderingsbewijs omgezet in een definitief stalderingsbewijs. De vermelding van het adres [adres] maakt dan ook deel uit van het definitieve stalderingsbewijs.
14.6.
Gelet op het voorgaande slagen de formele beroepsgronden niet.
Eis van drie jaar onafgebroken gebruik voor het houden van hokdieren
15. Eisers voeren aan dat de voor staldering ingebrachte stallen op grond van artikel 7.4.2 van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant in de vijf jaar voorafgaand aan de afgifte van het voorlopige stalderingsbewijs ten minste drie jaar onafgebroken en bedrijfsmatig moeten zijn gebruikt voor het houden van hokdieren. Omdat het voorlopige stalderingsbewijs is afgegeven op 2 februari 2022, gaat het volgens eisers om de periode tussen 2017 en 2022. De stallen aan [adres] zijn rond 2018 gesloopt en voldoen dus niet aan deze eis. Voor de locatie [adres] is op 7 juli 2020 een sloopvergunning afgegeven. Dit roept twijfel op bij eisers of die locatie aan deze eis voldoet.
15.1.
Eisers beroepen zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant. Deze beleidsregel is gebaseerd op de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De Omgevingsverordening en Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant zijn op 1 januari 2024 in werking getreden. Zoals hiervoor al is overwogen, blijft het oude recht van toepassing op de beslissing op een aanvraag die vóór 1 januari 2024 is ingediend. De aanvraag om een stalderingsverklaring is in 2022 ingediend. Het toen geldende artikel 2.74 van de IOV en de daarop gebaseerde beleidsregel Staldering Noord-Brabant zijn van toepassing op de beslissing op de stalderingsaanvraag.
15.2.
Op grond van artikel 2.74, vijfde lid, aanhef en onder b, van de IOV moet het te saneren dierenverblijf drie jaar legaal en onafgebroken voorafgaand aan 17 maart 2017 bedrijfsmatig zijn gebruikt voor het houden van hokdieren. Het college heeft in navolging van de provincie Noord-Brabant onweersproken gesteld dat bij de afgifte van het stalderingsbewijs hierop is getoetst en dat dit akkoord is bevonden. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De stelling van eisers dat de stallen van [adres] rond 2018 zijn gesloopt, is in dit kader niet relevant omdat het om de periode voorafgaand aan 17 maart 2017 gaat. Ook de gestelde afgifte in 2020 van een sloopvergunning ten behoeve van [adres] is in dit kader niet relevant.
15.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Stalderingsberekening
16. Eisers voeren aan dat dat de stalderingsberekening niet klopt.
Voor de uitbreiding is 2.800 m2 aan overdraagbaar staloppervlak vereist. Aan die eis is niet voldaan.
Er is ten onrechte 1.746 m2 overdraagbaar staloppervlak toegekend aan [adres] . In de stalderingsverklaring van [adres] is namelijk slechts 1.455 m2 vermeld.
Aan [adres] is ten onrechte 1.055 m2 overdraagbaar staloppervlak toegekend. Daarbij is het woonhuis als staloppervlak meegerekend. Op basis van de milieutekening bedraagt het staloppervlak 866 m2. Uit een mailwisseling over de stalderingstransactie blijkt dat voor [adres] maximaal 633 stalderingsmeters beschikbaar zijn.
17. Het college en vergunninghoudster stellen zich in navolging van GS op het standpunt dat 2.801 m2 staloppervlak is gesaneerd.
Van de [adres] is 1.746 m2 ingezet. Dat is de bruto bijdrage. In de verklaring B stopper/herbestemmer is abusievelijk de netto bijdrage van 1.455 m2 genoemd.
De oppervlakte van de gesloopte stallen van [adres] bedraagt 1.267 m2. Hierbij is het woonhuis niet meegerekend. Van het totaal is bruto 1.055 m2 ingezet voor de uitbreiding. Dat blijkt volgens het college en vergunninghoudster uit de milieutekening en uit de provinciale administratie.
18. De stalderingseis uit artikel 2.74, tweede lid, onder b, onder 1, van de IOV houdt, kort gezegd, in dat er pas mag worden uitgebreid in oppervlakte dierenverblijf voor een hokdierhouderij als, in het geval van sloop, elders in het aangewezen stalderingsgebied 120% van die oppervlakte aan dierenverblijf wordt gesaneerd. In deze zaak is een stalderingsbewijs afgegeven voor een uitbreiding van maximaal 2.334 m2. De ingebrachte stalderingsmeters zijn afkomstig van sloop. Bij saldering wordt onderscheid gemaakt tussen de bruto bijdrage en de netto bijdrage. De bruto bijdrage betreft het aantal vierkante meters dat daadwerkelijk wordt ingezet. In deze zaak is een bruto bijdrage van 2.801 m2 (120% van 2.334 m2) nodig voor de uitbreiding. De netto bijdrage is het aantal vierkante meters dat bestemd is voor de oppervlakte van de uitbreiding. In deze zaak is een netto bijdrage van 2.334 m2 nodig voor de uitbreiding.
18.1.
Het college en vergunninghoudster stellen zich terecht op het standpunt dat de bruto bijdrage van [adres] 1.746 m2 bedraagt. Dat blijkt uit het stalderingsbewijs, de onderliggende stukken en de provinciale administratie van gesaneerde en uitgegeven meters dierenverblijf voor hokdieren. De omstandigheid dat in de verklaring stopper/herbestemmer abusievelijk niet de bruto bijdrage, maar de netto bijdrage is genoemd, doet hieraan niet af.
18.2.
Het college en vergunninghoudster stellen zich ook terecht op het standpunt dat de bruto bijdrage van [adres] 1.055 m2 bedraagt. Uit de milieutekening van [adres] blijkt dat de oppervlakte van de gesloopte stallen 1.267 m2 bedraagt. Daarbij is van belang dat, anders dan eisers kennelijk menen, twee stallen zijn gesloopt: een stal van 866,32 m2 en een stal van 400,32 m2. Het woonhuis is daarbij niet meegerekend. Uit het stalderingsbewijs en de provinciale administratie van gesaneerde en uitgegeven meters dierenverblijf voor hokdieren blijkt dat van de 1.267 m2 gesloopte stallen 1.055 m2 bruto is ingezet voor de uitbreiding van vergunninghoudster. Dat betekent dat de berekening van de ingezette stalderingsmeters klopt. Wat eisers verder hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat de betrokken bedrijfsadviseur in de e-mail van 31 augustus 2021 juist heeft aangegeven dat in plaats van 633 stalderingsmeters toch 1.055 stalderingsmeters beschikbaar zijn.
19. De beroepsgronden tegen de stalderingsberekening slagen niet. Het college heeft het stalderingsbewijs van 15 maart 2022 naar het oordeel van de rechtbank ten grondslag mogen leggen aan het herstelbesluit.

Conclusie en gevolgen

20. Zoals hiervoor al is overwogen hebben eisers geen procesbelang meer bij een beoordeling van het ingetrokken besluit van 12 januari 2023. De rechtbank verklaart het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.
20.1.
Het beroep tegen het herstelbesluit is ongegrond. Dat betekent dat het herstelbesluit en het daaraan ten grondslag liggende m.e.r.-beoordelingsbesluit in stand blijven.
20.2.
Het bestreden besluit van 12 januari 2023 is ingetrokken omdat er gebreken kleefden aan dat besluit. Het college is tegemoetgekomen aan het beroep van eisers tegen dat besluit door die gebreken te herstellen. Daarnaast heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan en met toepassing van artikel 6:22 van de Awb een gebrek in het herstelbesluit gepasseerd. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van eisers. De proceskostenvergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 3.269,00 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hierbij gaat de rechtbank uit van 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de eerste zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, 1 punt voor de nadere zitting na tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1. Eisers hebben ook recht op vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 12 januari 2023 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het herstelbesluit van 30 juli 2024 ongegrond;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,00 aan eisers moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 3.269,00 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, mr. D.J. Hutten en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze einduitspraak of met de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het daarmee niet eens is. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop de einduitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4717, overweging 11.2.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:556.
4.Zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 15 september 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023: 4322.
5.Blz. 63 WUR-rapport 2021.