Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2719

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
SHE 25/952
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:74 AwbArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtVerordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2025 gemeente Eindhoven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting na vernietiging aanslag

Eiser maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €81,20 opgelegd door de gemeente Eindhoven wegens het niet betalen van parkeerbelasting op 20 februari 2025. De heffingsambtenaar handhaafde de aanslag bij uitspraak op bezwaar, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.

Tijdens de beroepsprocedure besloot de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag geheel te vernietigen en het betaalde bedrag terug te storten. Hierdoor was er geen belang meer bij voortzetting van het beroep. De rechtbank stelde vast dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht van €53,- en proceskosten van €750,50 aan eiser, inclusief wettelijke rente vanaf vier weken na de uitspraak tot aan volledige betaling. De rechtbank zag af van inhoudelijke beoordeling van het beroep en sloot het onderzoek zonder zitting.

De uitspraak werd gedaan door rechter A.F. Vink op 30 april 2026. Partijen konden hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch binnen zes weken na bekendmaking van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang na vernietiging van de aanslag, met toekenning van proceskostenvergoeding en griffierecht aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/952

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [naam]),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting die aan hem is opgelegd.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 28 februari 2025 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting (met aanslagnummer 9906318) opgelegd ter hoogte van € 81,20. Dit bedrag omvat € 2,40 parkeerbelasting en € 78,80 kosten naheffing.
1.2.
Met de uitspraak op bezwaar van 11 maart 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Eiser heeft binnen de daartoe gestelde termijn verzocht om het beroep te behandelen op een zitting.
1.6.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
1.7.
Omdat partijen hebben laten weten dat zij een zitting niet nodig vinden, heeft de zitting van 31 maart 2026 niet plaatsgevonden en heeft de rechtbank het onderzoek op 30 april 2026 gesloten.

Feiten

2. Op 20 februari 2025 stond de auto van eiser met het kentekennummer [kenteken] geparkeerd op een openbare parkeerplaats, locatie [locatie]. Deze parkeerplaats is aangewezen als plaats waar tegen betaling mag worden geparkeerd. [1] Tijdens een controle op die dag is om 14:05 uur geconstateerd dat de parkeerbelasting niet was betaald. Op 20 februari 2025 om 14:20 uur heeft er een nacontrole plaatsgevonden om de juistheid van de constatering te bevestigen. Vervolgens is op 28 februari 2025 de naheffingsaanslag parkeerbelasting kenbaar gemaakt en opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De heffingsambtenaar heeft met een bericht van 10 maart 2026 kenbaar gemaakt dat hij – om door hem moverende redenen – heeft besloten om de naheffingsaanslag parkeerbelasting alsnog te vernietigen en toegezegd dat het betaalde bedrag aan naheffingsaanslag parkeerbelasting aan eiser zal worden teruggestort. Daarbij heeft de heffingsambtenaar meegedeeld dat er geen reden meer bestaat om het beroep op een (geplande) zitting te behandelen, omdat er geen belang meer is. Wel bestaat voor de gemachtigde van eiser recht op een proceskostenvergoeding. De heffingsambtenaar heeft aan de rechtbank verzocht om hem op grond van de huidige regelgeving en jurisprudentie te veroordelen in de proceskosten.
3.1.
Op het verzoek van de griffier van 10 maart 2026 om mee te delen of de kennisgeving van de heffingsambtenaar aanleiding geeft om het beroep in te trekken, heeft de gemachtigde van eiser zijn beroep – gelet op het verzoek om een proceskostenvergoeding – gehandhaafd. Daarbij heeft hij aangegeven dat de behandeling van het beroep achterwege kan blijven, omdat partijen het inhoudelijk eens zijn.
3.2.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij voortzetting van het beroep.
3.3.
Indien de heffingsambtenaar tijdens een procedure voor de rechter geheel aan de klachten van belanghebbende tegemoetkomt en de aanslag vernietigt, is er niet langer sprake van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. De rechter moet dan volgens vaste rechtspraak overgaan tot een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het ontbreken van procesbelang, omdat de procedure niet meer tot een voor deze belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden. [2]
3.4.
Daarmee is de heffingsambtenaar tegemoetgekomen aan het beroep van eiser. De heffingsambtenaar is daarom gehouden het griffierecht van € 53,- aan eiser terug te betalen [3] en om de proceskosten van eiser te vergoeden. [4] De rechtbank stelt die vergoeding vast op grond van artikel 8:75 Awb Pro in samenhang met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), de daarbij behorende bijlage en het Richtsnoer proceskostenvergoeding. [5] De rechtbank stelt de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 750,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 0,5 punt voor het indienen van repliek met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De wegingsfactor is vastgesteld conform het Richtsnoer. [6] Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor een vergoeding in aanmerking komen.
3.5.
Eiser heeft om toekenning van wettelijke rente verzocht over de in 3.5. en 3.6. genoemde bedragen. Gezien het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018 dient de heffingsambtenaar over het totale bedrag van € 803,50,- wettelijke rente te vergoeden vanaf vier weken na de uitspraak van de rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening. [7]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. De heffingsambtenaar moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Dit, omdat de heffingsambtenaar pas tijdens de beroepsprocedure tegemoet gekomen is aan het beroep van eiser.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van € 750,50;
  • draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de wettelijke rente over het griffierecht van € 53,- en de proceskostenvergoeding van € 750,50, te rekenen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.T.H. Verhagen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2025 van de gemeente Eindhoven (de Verordening) en de daarbij horende Tarieventabel verordening parkeerbelastingen 2025 (de Tarieventabel).
2.Hoge Raad van 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0655.
3.Dit volgt uit artikel 8:74, tweede lid, van de Awb.
4.Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:155 (https://www.inview.nl/document/id3c96a69f5a0e4bcdbd4b39cab45e6766).
5.Gerechtshof 's-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524.
6.Zie: punt 1.3, aanhef en onder d, van het Richtsnoer proceskostenvergoeding.
7.Dit volgt uit ECLI:NL:HR:2018:2358.