Eiser maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van €81,20 opgelegd door de gemeente Eindhoven wegens het niet betalen van parkeerbelasting op 20 februari 2025. De heffingsambtenaar handhaafde de aanslag bij uitspraak op bezwaar, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
Tijdens de beroepsprocedure besloot de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag geheel te vernietigen en het betaalde bedrag terug te storten. Hierdoor was er geen belang meer bij voortzetting van het beroep. De rechtbank stelde vast dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht van €53,- en proceskosten van €750,50 aan eiser, inclusief wettelijke rente vanaf vier weken na de uitspraak tot aan volledige betaling. De rechtbank zag af van inhoudelijke beoordeling van het beroep en sloot het onderzoek zonder zitting.
De uitspraak werd gedaan door rechter A.F. Vink op 30 april 2026. Partijen konden hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch binnen zes weken na bekendmaking van de uitspraak.