ECLI:NL:RBOBR:2026:2800

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
SHE 25/3092
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 AKWArt. 3:4 AwbBeleidsregel SB1401
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag kinderbijslag met terugwerkende kracht na terugkeer uit buitenland

Eiser keerde in mei 2015 met zijn gezin terug uit Australië en diende in juni 2025 een aanvraag in voor kinderbijslag met terugwerkende kracht vanaf mei 2015. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) kende kinderbijslag toe vanaf juni 2024, met één jaar terugwerkende kracht, en wees het verzoek voor de periode daarvoor af. Eiser maakte bezwaar en stelde dat de beperking onredelijk was vanwege administratieve fouten en ongelijke behandeling.

De rechtbank oordeelde dat de hoofdregel uit artikel 14 van Pro de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) geldt, namelijk dat kinderbijslag op aanvraag wordt toegekend en dat terugwerkende kracht wettelijk beperkt is tot één jaar. De beleidsregel SB1401 bevestigt dat automatische toekenning alleen geldt bij een volgend kind als er al kinderbijslag wordt ontvangen, wat bij eiser niet het geval was. De rechtbank vond geen grond om de wettelijke bepaling buiten toepassing te laten en verwierp het beroep.

Verder stelde de rechtbank dat er geen sprake was van ongelijke behandeling, omdat eiser bij terugkeer geen kinderbijslag ontving voor het eerste kind en dus niet viel onder het beleid voor opvolgende kinderen. De verwijzingen naar rapporten van de Ombudsman waren niet relevant voor deze zaak. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag kinderbijslag met terugwerkende kracht vanaf mei 2015 wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3092

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, SVB

(gemachtigde: mr. M. Sturmans).

Samenvatting

1.1
Eiser heeft drie kinderen. In mei 2015 is het gezin teruggekeerd vanuit Australië. Eiser heeft in juni 2025 kinderbijslag aangevraagd. Dit vanaf mei 2015.
1.2
De SVB heeft kinderbijslag toegekend vanaf juni 2024. Dat is met één jaar terugwerkende kracht. Daar is eiser het niet mee eens.
1.3
De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De hoofdregel is dat eiser zelf kinderbijslag moet aanvragen. Dat heeft hij bij het eerste kind ook gedaan. De kinderbijslag is toen gestopt bij vertrek naar Australië. Die kinderbijslag wordt niet automatisch toegekend als het gezin weer wordt ingeschreven bij de gemeente bij terugkeer. Dat de SVB dat wel doet bij een volgend kind als er al kinderbijslag wordt verstrekt voor een eerder kind is een andere situatie. Eiser ontving bij terugkeer geen kinderbijslag voor een eerder kind. Daarom is er ook geen sprake van ongelijke behandeling. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet omdat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om de terugwerkende kracht te beperken tot één jaar en geen uitzondering te maken voor bijzondere gevallen.

Feiten, omstandigheden en procesverloop

2.1
De echtgenote van eiser heeft na de geboorte van hun zoon [naam] ( [geboortedatum] ) een aanvraag ingediend voor kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Deze is aan haar toegekend met ingang van het derde kwartaal van 2011 in het besluit van 21 juni 2011. De kinderbijslag is vanaf het derde kwartaal 2012 beëindigd omdat eiser, zijn echtgenote en hun zoon naar Australië zijn verhuisd.
2.2
Tijdens hun verblijf in Australië zijn hun twee andere kinderen geboren, [naam] is geboren op [geboortedatum] en [naam] is geboren op [geboortedatum] .
2.3
Na de geboorte van [naam] zijn eiser en zijn gezin in mei 2015 teruggekeerd naar Nederland en hebben zij zich ingeschreven in de Basis Registratie Personen (BRP).
2.4
Eiser heeft op 23 juni 2025 een aanvraag voor kinderbijslag ingediend voor zijn drie kinderen. Dit met terugwerkende kracht tot mei 2015. Eiser zegt dat hij het gezin bij terugkeer in Nederland in 2015 heeft ingeschreven in de BRP en hij vermoedt dat er destijds niet automatisch een koppeling is gemaakt vanuit de BRP naar de SVB. Eiser zegt ook dat hij wel al vanaf 2015 recht had op kinderbijslag.
2.5
De SVB heeft in een besluit van 30 juni 2025 kinderbijslag toegekend vanaf het tweede kwartaal 2024. De SVB zegt dat kinderbijslag met maximaal één jaar terugwerkende kracht wordt toegekend. Voor eiser is dat het tweede kwartaal van 2024. De aanvraag van juni 2015 tot het tweede kwartaal 2024 wordt afgewezen.
2.6
Eiser heeft op 7 juli 2025 bezwaar gemaakt. Hij zegt dat de beperking tot één jaar terugwerkende kracht onredelijk is, omdat het ontbreken van een aanvraag niet alleen aan hem te wijten is. Het komt ook door een administratieve vergissing. Hij heeft bij de terugkeer in mei 2015 geen kinderbijslag gekregen omdat er geen automatische koppeling was tussen de BRP en de SVB. Hij heeft altijd aangenomen dat regelingen zoals kinderbijslag, net als andere sociale verzekeringen, automatisch zouden worden opgestart of dat hij geïnformeerd zou worden over ontbrekende aanvragen. Hij wijst op Beleidsregel SB1401. Die biedt volgens hem ruimte voor een herziening tot vijf jaar terug. Dat kan als er een administratieve vergissing is of onvoldoende informatievoorziening vanuit de overheid of bij situaties rond emigratie en remigratie waarbij de burger redelijkerwijs mocht aannemen dat rechten automatisch doorlopen of herstarten bij terugkeer. Eiser wijst ook op beslissingen van de Nationale Ombudsman. Hij zegt ook dat er sprake is van ongelijke behandeling. Kinderen die in Nederland worden geboren krijgen automatisch kinderbijslag, maar voor kinderen die terugkeren uit het buitenland geldt dit niet.
2.7
Met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is SVB bij de afwijzing van de aanvraag van kinderbijslag in de periode vóór het tweede kwartaal 2024 gebleven.
2.8
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.9
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van SVB.

Wat zegt de SVB?

3. De SVB zegt dat de wet niet voorziet in het toekennen van kinderbijslag met terugwerkende kracht met meer dan één jaar. Het is de eigen verantwoordelijkheid van eiser om de kinderbijslag tijdig aan te vragen. Terugwerkende kracht tot vijf jaar is alleen mogelijk als er al recht op kinderbijslag is. Als een eerste kind al kinderbijslag ontvangt en een tweede kind wordt geboren en aangegeven bij de gemeente wordt automatisch kinderbijslag toegekend voor het tweede kind. Indien er daarbij iets fout gaat tussen de uitwisseling met de BRP dan kan tot vijf jaar terug kinderbijslag worden uitbetaald. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake. Voor het oudste kind werd immers geen kinderbijslag ontvangen op het moment dat zij terugkeerden naar Nederland. Het tweede kind is bovendien niet in Nederland geboren en er is dus ook geen aangifte gedaan van de geboorte. De SVB stuurt alleen een herinnering als een tweede kind in Nederland is geboren en daarvan ook aangifte wordt gedaan, en dus voor het eerste kind al kinderbijslag wordt ontvangen. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor kinderbijslag in de periode vóór het tweede kwartaal van 2024. Daarbij verwijst de SVB naar artikel 14 van Pro de AKW, en de Beleidsregels SB1401.

Wat vindt eiser?

4. Eiser zegt dat het bestreden besluit onevenredig is en wijst op artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De uitkomst van het besluit is disproportioneel in verhouding tot het doel. Het gezin heeft aantoonbaar en langdurig in Nederland verbleven met jonge kinderen en nooit de intentie gehad om het recht op kinderbijslag op te geven. Het systeem heeft jarenlang verzuimd om signalen te geven terwijl er wel een BRP inschrijving was.
Volgens eiser is sprake van het ongelijk behandelen van gelijke gevallen. Ouders die zich bij terugkeer naar Nederland netjes melden krijgen niets, tenzij zij weten dat zij iets aan moeten aanvragen. Terwijl ouders van kinderen die in Nederland worden geboren automatisch kinderbijslag krijgen. Hij wijst ook nog op twee rapporten van de Ombudsman 2015/038 en 2018/041.
De SVB had volgens eiser gebruik moeten maken van de beleidsruimte die bestaat bij bijzondere gevallen. In eisers geval is daar sprake van door de remigratie vanuit het buitenland, de volledige en tijdige BRP-inschrijving en de jonge kinderen. Bovendien heeft eiser te goeder trouw gehandeld en mist hij nu kinderbijslag over een zeer lange periode: namelijk van 2015 tot en met het eerste kwartaal van 2024.

De beoordeling door de rechtbank

Wet- en regelgeving
5. De tekst van artikel 14 van Pro de AKW staat in de bijlage onder deze uitspraak.
6. In beleidsregel SB1401 van de SVB staat het volgende.
- Als een betrokkene nog geen kinderbijslag ontvangt, moet hij die zelf aanvragen.
- De SVB attendeert een betrokkene op de mogelijkheid om kinderbijslag aan te vragen als hij na de geboorte van het eerste kind aangifte heeft gedaan bij de burgerlijke stand in Nederland.
- Na de geboorte van volgende kinderen kent de SVB automatisch kinderbijslag toe als betrokkene aangifte heeft gedaan in Nederland.
- De SVB gebruikt hiervoor gegevens uit de BRP.
- Bij fouten in de gegevensuitwisseling met de BRP, kent de SVB de kinderbijslag voor het volgende kind toe met een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar.
- De SVB berekent deze termijn vanaf het moment waarop de SVB de fout in de gegevensuitwisseling constateert of van betrokkene hoort dat hij geen kinderbijslag voor het volgende kind heeft ontvangen.
- Als een betrokkene meer dan een jaar na de geboorte van het volgende kind aangifte doet, dan kent de SVB de kinderbijslag toe met een terugwerkende kracht van maximaal een jaar. - De SVB berekent deze termijn vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de betrokkene aangifte heeft gedaan.
De hoofdregel van artikel 14 AKW Pro en beleidsregel SB1401
7. De rechtbank is van oordeel dat de SVB terecht zegt dat de hoofdregel uit artikel 14, eerste lid, van de AKW van toepassing is. Die hoofdregel is dat de SVB op aanvraag vaststelt of recht op kinderbijslag bestaat. Het uitgangspunt is dus dat iemand een aanvraag voor kinderbijslag moet indienen. In beleidsregel SB1401 staat de situatie dat de SVB automatisch kinderbijslag toekent na de geboorte van een volgend kind. Dan gaat het er om dat er al voor een kind kinderbijslag wordt ontvangen en er aangifte wordt gedaan van de geboorte van een volgend kind. Maar die situatie is op eiser niet van toepassing omdat eiser ten tijde van zijn terugkeer naar Nederland voor zijn eerste kind geen kinderbijslag ontving. Er is dus geen sprake van een volgend kind.
Evenredigheidsbeginsel
8. Eiser heeft de aanvraag voor kinderbijslag in juni 2025 gedaan. Hierdoor is het artikel 14, vijfde lid, aanhef en onder a, van de AKW van toepassing. In dit artikel staat dat het recht op kinderbijslag niet vroeger kan ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. Kort gezegd staat in deze bepaling dat de terugwerkende kracht maximaal één jaar kan zijn. Dit artikel bevat dus een gebonden bevoegdheid en is dus een dwingendrechtelijke bepaling. Dat betekent dat de SVB geen belangenafweging kan maken bij het bepalen van de terugwerkende kracht.
9. Op grond van de dwingendrechtelijke bepaling artikel 14, vijfde lid, aanhef en onder a, van de AKW kan het recht op kinderbijslag dus niet vroeger ingaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag werd ingediend.
10. Toepassing van een dwingendrechtelijke bepaling kan niet worden getoetst aan artikel 3:4 van Pro de Awb. Verder kan een bepaling uit een wet in formele zin, zoals de AKW, niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Wel staat het de rechtbank vrij om in bepaalde (groepen van) gevallen een wetsbepaling buiten toepassing te laten op de grond dat toepassing van die bepaling in verband met daarin niet verdisconteerde omstandigheden in strijd zou kunnen komen met een fundamenteel rechtsbeginsel of (ander) ongeschreven recht. Het kan daarbij in de eerste plaats gaan om omstandigheden die gelegen zijn in het handelen van het bestuursorgaan bij de uitvoering of de toepassing van de wettelijke bepaling. In de tweede plaats kan het gaan om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.
11. De rechtbank is van oordeel dat er voor eiser geen nadelige gevolgen van de toepassing van artikel 14, vijfde lid, aanhef en onder a, van de AKW [1] zijn die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.
12. De mogelijkheid om in bijzondere gevallen een uitzondering te maken is sinds 1 januari 2016 niet meer in artikel 14 van Pro de AKW opgenomen. [2] De reden daarvoor was dat de uitvoeringskosten in geen verhouding stonden tot het aantal personen dat voordeel had van deze bepaling. Slechts in een beperkt aantal gevallen werd kinderbijslag betaald met langere terugwerkende kracht dan een jaar. [3] Dat in een geval als dat van eiser geen volledige reparatie kan plaatsvinden, is dus een bewuste keuze van de wetgever geweest.
13. De rechtbank stelt daarnaast vast dat er in de situatie van eiser geen omstandigheden zijn gelegen in het handelen van de SVB bij de uitvoering of de toepassing van de wettelijke bepaling die ertoe zouden moeten leiden dat artikel 14, vijfde lid, aanhef en onder a, van de AKW buiten toepassing moet worden gelaten. Dat eiser niet wist dat hij een aanvraag moest indienen is geen bijzondere omstandigheid. De SVB heeft in de situatie van eiser juist overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, aanhef en onder a, van de AKW gehandeld en zich in zoverre dus aan de wet gehouden.
Gelijkheidsbeginsel
14. Eiser zegt dat er sprake is van ongelijke behandeling omdat ouders die een volgend kind aangegeven wel automatisch kinderbijslag krijgen en eiser niet terwijl hij het gezin bij terugkeer ook heeft ingeschreven in de BRP.
15. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft bij de geboorte van zijn eerste kind een bericht ontvangen dat kinderbijslag aangevraagd kon worden en zijn echtgenote heeft dat ook gedaan. Toen eiser met zijn echtgenote naar Australië is verhuisd is de kinderbijslag gestopt. Bij terugkeer in 2015 ontving hij dus geen kinderbijslag voor zijn eerste kind. Hij valt daarmee niet onder het beleid voor opvolgende kinderen. Daarmee is dus geen sprake van gelijke gevallen en het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dus niet. Dit overigens nog zonder dat de rechtbank hierbij de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep over de toetsing van tegenwettelijk begunstigend beleid betrekt. [4]
16. De rechtbank merkt voorts op dat de rapporten van de Ombudsman waar eiser naar verwijst niet gaan over het handelen van de SVB, maar gaan over de Belastingdienst - over het maken van geluidsopname en de rechtsmiddelenclausule - en over het Zorgkantoor - het versturen van post en het adres waarnaar het verstuurd moet worden. De rechtbank ziet niet in hoe deze van belang zijn bij deze zaak die gaat over het afwijzen van langere terugwerkende kracht bij kinderbijslag.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.M. Dohmen, rechter, in aanwezigheid van
mr.drs. B.E.C. Bertens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Artikel 14 van Pro de AKW [5]
1. De Sociale verzekeringsbank stelt:
op aanvraag vast of een recht op kinderbijslag bestaat;
op aanvraag of, indien informatie is verschaft door het Centrum Indicatiestelling zorg, als bedoeld in artikel 9.1.3a, eerste lid, van de Wet langdurige zorg, ambtshalve op basis daarvan vast of een recht op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, bestaat; en
op aanvraag vast of een recht op het extra bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, bestaat.
2. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de verder bij de aanvraag te verstrekken gegevens.
3. De aanvraag om het extra bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in artikel 7a, tweede lid, wordt ingediend voor 1 december van het kalenderjaar na het kalenderjaar waarover het recht op het extra bedrag aan kinderbijslag bestaat.
4. Indien de verzekerde nalaat een aanvraag om kinderbijslag in te dienen, kan deze aanvraag worden ingediend door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, dat tevens adviseert aan wie de kinderbijslag wordt betaald.
5. Het recht op kinderbijslag of een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag, als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, gaat niet eerder in dan:
a. indien het kinderbijslag betreft, een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend; of
b. indien het een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag, als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, betreft, zes maanden voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal:
1°.waarin de aanvraag om een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag werd ingediend; of
2°.waarin het recht op zorg aanvangt op grond van het indicatiebesluit, bedoeld in artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg, indien het recht op een verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag ambtshalve wordt vastgesteld op basis van de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Voetnoten

1.Voor 1 juli 2024 artikel 14, derde lid, van de AKW.
2.Uitspraak van 6 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1065.
3.Memorie van Toelichting bij de Verzamelwet SZW 2016, TK 2014-2015, 34 273, nr. 3, p. 2.
5.Vanaf 1 juli 2024.