Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3065

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
25/3565
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 58 ParticipatiewetArt. 7:12 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoldoende onderzoek naar dringende redenen bij terugvordering bijstandsuitkering

De zaak betreft de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser per 24 augustus 2024, omdat eiser niet volledig openheid van zaken gaf over zijn werkzaamheden. Het college vorderde een bedrag van €8.949,29 netto terug en zag geen dringende redenen om af te zien van terugvordering, ondanks de medische situatie van eiser.

Eiser stelde dat de terugvordering onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen heeft, mede door zijn mentale gezondheid en kankerdiagnose. Hij overhandigde medische verklaringen van een psycholoog en praktijkondersteuner GGZ die een causaal verband legden tussen de terugvordering en zijn depressieve klachten.

De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar deze medische omstandigheden en onvoldoende had gemotiveerd waarom deze geen dringende reden vormden. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot terugvordering wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar dringende redenen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3565

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M.N.G. Brok),
en
het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente ’s- Hertogenbosch,college
(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser per 24 augustus 2024. Het college heeft de bijstandsuitkering van eiser ingetrokken en teruggevorderd, omdat eiser geen volledige openheid van zaken heeft gegeven over zijn werkzaamheden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de door eiser aangevoerde dringende redenen om (gedeeltelijk) af te zien van terugvordering. Het college zal dit alsnog moeten doen. Dat betekent dat het beroep van eiser gegrond is.

Procesverloop

2. Met het besluit van 17 april 2025 (primair besluit 1) heeft het college de uitkering van eiser ingetrokken en teruggevorderd. Met het besluit van 15 mei 2025 (primair besluit 2) heeft het college het terugvorderingsbedrag vastgesteld op € 8.949,29 netto.
2.1.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het besluit van 11 november 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen
:eiser, de bewindvoerder van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

De besluiten
3. Met de primaire besluiten, gehandhaafd met het bestreden besluit, heeft het college met ingang van 24 augustus 2024 de bijstandsuitkering van eiser ingetrokken. De reden hiervoor is dat eiser werkend is aangetroffen en daarover desgevraagd onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven. Volgens het college kan daarom niet worden vastgesteld of eiser per 24 augustus 2024 in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeerde. Het college ziet geen reden om af te zien van de terugvordering en vordert (na verrekening van openstaand vakantiegeld) een bedrag van in totaal € 8.949,29 netto van eiser terug. Volgens het college is er geen sprake van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De medische situatie van eiser is geen dringende reden. Dat geldt ook voor het feit dat eiser nu weer een nieuwe schuld heeft terwijl hij eindelijk vrijwel schuldenvrij was. Daarbij overweegt het college dat een besluit tot terugvordering pas financiële gevolgen heeft bij de feitelijke invordering, waarbij eiser de bescherming van de beslagvrije voet geniet.
Het standpunt van eiser
4. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat het college had moeten afzien van terugvordering op grond van dringende redenen. Daartoe stelt eiser dat er sprake is van onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen. Eiser heeft in het verleden diverse schulden gehad. Daarvoor heeft hij een langdurig traject doorlopen en sinds juli 2023 is hij, op één schuld bij het CJIB na, volledig schuldenvrij. Eiser zal als gevolg van de terugvordering waarschijnlijk weer een schuldhulpverleningstraject moeten doorlopen. Met zijn aflossingscapaciteit zal het bijna 30 jaar duren voordat hij beide schulden heeft afbetaald. Dit heeft effect op de mentale gezondheid van eiser. In mei 2025 is hij doorverwezen naar een psycholoog in verband met depressieve klachten. De huisarts heeft aangegeven dat de terugvordering de mentale gesteldheid van eiser op negatieve wijze beïnvloedt. En los van deze mentale problemen heeft eiser inmiddels ook de diagnose kanker gekregen. Daarvoor moet eiser worden behandeld en hij heeft daar als zijn energie en aandacht voor nodig. Met de boven het hoofd hangende terugvordering is dit niet goed mogelijk. In bezwaar heeft eiser al eerder een verklaring van de praktijkondersteuner overgelegd. In beroep heeft eiser nadere medische stukken ingediend, waaronder een huisartsenjournaal, een schrijven met een aanvulling daarop door de POH GGz, en een intakeverslag en rapport door de psycholoog.
De beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd die zijn gericht tegen de intrekking van zijn bijstandsuitkering per 24 augustus 2024. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw.
5.1.
Het relevante juridisch kader is in de bijlage bij deze uitspraak opgenomen.
5.2.
Het college heeft de bijstandsuitkering over de periode van 24 augustus 2024 tot en met 31 maart 2025 teruggevorderd op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet (Pw). Dit artikel is van toepassing in het geval de betrokkene de inlichtingenverplichting, artikel 17 van Pro de Pw, heeft geschonden. Deze bepaling is dwingendrechtelijk geformuleerd en bevat dus geen – impliciete – bevoegdheid voor de bijstandverlenende instantie om in een concreet geval te beslissen over de wijze waarop of de omvang waarin de bijstand wordt teruggevorderd. De Pw kent wel een bevoegdheid om de gevolgen van de terugvordering te beperken. Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw kan de bijstandverlenende instantie immers geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Het begrip dingende reden wordt sinds de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2024 [1] gezien als een open norm die er toe leidt dat de bijstandverlenende instantie bij een beslissing over deze bevoegdheid niet alleen rekening moet houden met onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen van de terugvordering, maar ook andere belangen en relevante feiten en omstandigheden in zijn afweging moet betrekken. Die beslissing zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeten kunnen doorstaan.
5.3.
Uit de al aangehaalde uitspraak van 10 december 2024 [2] volgt ook dat het aan een betrokkene is om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat – volgens hem – sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Wat door een betrokkene wordt aangevoerd, zal daarbij ruim moeten worden uitgelegd. Het is vervolgens aan de bijstandverlenende instantie om, zo nodig, daarnaar nader onderzoek te doen. Voor zover de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, wordt de vraag of de bijstandverlenende instantie alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn besluit om niet of gedeeltelijk wegens dringende redenen van terugvordering af te zien heeft betrokken, door de bestuursrechter vol getoetst.
5.4.
De rechtbank stelt vast dat eiser in bezwaar al een verklaring van de praktijkondersteuning GGZ heeft ingebracht ter onderbouwing van zijn standpunt over de dringende redenen. Daarover is in het advies van de bezwaarschriftencommissie opgenomen dat de medische situatie van eiser, hoe vervelend ook, niet maakt dat het college moet afzien van terugvordering. De gemachtigde van het college heeft op de zitting aangegeven dat de in beroep ingeleverde stukken, in samenhang bezien met dat wat eiser al in bezwaar heeft ingeleverd, niet maken dat er in de ogen van het college nu wel sprake is van dringende redenen. De rechtbank is echter van oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de terugvordering voor de medische situatie van eiser en deze gevolgen daarom dus ook onvoldoende heeft betrokken bij zijn afweging. Daarbij acht de rechtbank van doorslaggevend belang dat uit de verklaringen van de psycholoog en de praktijkondersteuner een causaal verband wordt getrokken tussen de terugvordering en de psychische (depressieve) klachten. Zo schrijft de praktijkondersteuner dat:
  • de mentale gesteldheid van eiser op negatieve wijze is beïnvloed door de beslissing van de gemeente om de eerder ontvangen uitkering terug te vorderen;
  • de al langer bestaande stemmingsklachten, alsook de angst- en paniekklachten, in ernst en hevigheid zijn toegenomen door de stress door het besluit van de gemeente;
  • eiser zich gepest en getreiterd voelt door de gemeente en hoe langer de ellende duurt, hoe meer tijd het herstel vraagt; en
  • zij een man ziet die steeds depressiever wordt en weinig perspectief ervaart.
Met enkel de overweging dat de medische situatie van eiser vervelend is, maar geen dringende reden vormt, heeft het college, gelet op hier in 5.3 weergegeven toetsingskader, onvoldoende onderzoek verricht en onvoldoende gemotiveerd waarom er in dit geval geen sprake is van dringende redenen om al dan niet gedeeltelijk af te zien van terugvordering. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek in het bestreden besluit, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat dit in strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet voldoende is gemotiveerd. De rechtbank kan het geschil niet zelf beslechten. het college zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen voor zover dat besluit gaat over de terugvordering.
6.1.
Het college kan dit gebrek herstellen door ofwel alsnog een nader onderzoek te doen zoals omschreven in rechtsoverweging 5.3 en 5.4 ofwel alsnog voldoende te motiveren waarom de door eiser aangedragen medische omstandigheden onvoldoende aanleiding vormen voor het aannemen van dringende redenen. Als het college bij het nader onderzoek tot de conclusie komt dat er toch sprake is van dringende redenen, zal hij de terugvordering moeten matigen met een percentage dat recht doet aan deze omstandigheden.
6.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
6.3.
De rechtbank veroordeelt het college in de door eiser gemaakte proceskosten. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 934,– en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 11 november 2025 voor zover dat gaat over de terugvordering;
  • draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen, voor zover dat gaat over de terugvordering, met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Burg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
JURIDISCH KADER
Participatiewet
Artikel 17 Inlichtingenplicht Pro
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
2. De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 58 Terugvordering Pro
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.Zie onder meer: ECLI:NL:CRVB:2024:2192.