In deze zaak staat de vraag centraal of de bijstand aan appellante terecht is herzien en teruggevorderd vanwege stortingen en bijschrijvingen op haar bankrekening die niet aan het college waren gemeld. Appellante voerde aan dat deze bedragen niet haar inkomen waren of dat het ging om leningen, en dat het college op grond van het evenredigheidsbeginsel of dringende redenen gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.
De Raad oordeelt dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door de stortingen niet te melden en dat de bedragen als inkomen moeten worden aangemerkt omdat zij vrij over deze middelen kon beschikken. Het beroep op het eigendomsrecht en het Handvest van de grondrechten van de EU faalt omdat het college ten onrechte bijstand heeft verleend.
Verder benadrukt de Raad dat de herziening en terugvordering bij schending van de inlichtingenplicht een gebonden bevoegdheid is, waardoor het evenredigheidsbeginsel slechts bij hoge uitzondering tot afwijking kan leiden. Appellante heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die dit rechtvaardigen. Ook de bevoegdheid om om dringende redenen van terugvordering af te zien, moet ruim worden geïnterpreteerd maar het college heeft terecht geen aanleiding gezien hiervan gebruik te maken. Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens geweigerd.