Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3073

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
25/3255
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 4:95 AwbArt. 29 lid 5 ZWArt. 111 WIAArt. 7:10 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voorschot WIA-uitkering en niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en ongegrond verklaard

Eiseres maakte bezwaar tegen een voorschotbesluit van het UWV op haar WIA-uitkering en stelde het UWV in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling te vroeg was, waardoor het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is.

Daarnaast is het beroep tegen het inhoudelijke besluit van het UWV ongegrond. De rechtbank stelt vast dat het UWV terecht een voorschot heeft toegekend vanaf het moment dat de maximale duur van de Ziektewet-uitkering was bereikt. De hoorplicht is niet geschonden omdat eiseres was uitgenodigd voor een hoorzitting maar niet is verschenen.

De hoogte van het voorschot is op redelijke uitgangspunten gebaseerd en het UWV hoeft bij het voorschot nog niet de eerste ziektedag of wachttijd vast te stellen. De rechtbank wijst het verzoek af om de Ziektewet-uitkering door te betalen totdat het UWV een besluit op de WIA-aanvraag neemt, omdat de maximale duur wettelijk is vastgesteld. Het besluit blijft ongewijzigd en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het voorschotbesluit is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3255

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E. Lipman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaarschrift tegen het besluit van 6 augustus 2025. Daarnaast beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van 27 januari 2026.
1.2.
Met het besluit van 6 augustus 2025 heeft het UWV vanaf 22 juli 2025 aan eiseres een voorschot op haar WIA [1] -uitkering toegekend van € 1.927,49 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Eiseres heeft op 13 augustus 2025 bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
1.3.
Eiseres heeft het UWV op 30 oktober 2025 in gebreke gesteld voor het niet op tijd beslissen op haar bezwaar.
1.4.
Eiseres heeft op 15 november 2025 beroep ingesteld.
1.5.
Het UWV heeft verweer gevoerd. Eiseres heeft nadere stukken ingediend.
1.6.
Met het bestreden besluit van 27 januari 2026 heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.7.
Eiseres heeft de rechtbank laten weten dat zij het niet eens is met het bestreden besluit en zij heeft daar diverse beroepsgronden tegen aangevoerd.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres aan de hand van haar beroepsgronden. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit niet-ontvankelijk is. Het beroep tegen het bestreden besluit van 27 januari 2026 is ongegrond. Hierna licht de rechtbank toe hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2] Als de betrokkene de ingebrekestelling te vroeg stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk kan beoordelen.
3.2.
Het besluit is gedateerd op 6 augustus 2025. Aan dit besluit ligt geen verzekeringsgeneeskundige en/of arbeidsdeskundige beoordeling ten grondslag. Het UWV moest daarom binnen dertien weken na het verstrijken van de bezwaartermijn op het bezwaar hebben beslist. [3] De bezwaartermijn liep in dit geval tot en met 17 september 2025. Dit betekent dat het UWV uiterlijk op 17 december 2025 had moeten beslissen op het bezwaar van eiseres.
3.3.
Eiseres heeft het UWV op 30 oktober 2025 in gebreke gesteld. Op dat moment was de wettelijke beslistermijn nog niet verstreken. Dit betekent dat de ingebrekestelling te vroeg is ingediend, zodat er niet voldaan is aan de voorwaarden voor het instellen van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
3.4.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluit is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet inhoudelijk kan beoordelen.
Het beroep tegen het bestreden besluit van 27 januari 2026
Het standpunt van het UWV
4. Het UWV heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Volgens het UWV is er op juiste gronden besloten dat eiseres vanaf 22 juli 2025 een voorschot op haar WIA-uitkering krijgt. Voor een voorschot geldt dat kan worden volstaan met de mededeling op welke wijze het bedrag aan voorschot wordt betaald. De beslissing van 6 augustus 2025 voldoet volgens het UWV aan de eisen die artikel 4:95 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) daaraan stelt.
Het standpunt van eiseres
5. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij stelt dat het UWV de hoorplicht heeft geschonden. Het UWV heeft haar weliswaar uitgenodigd voor een hoorzitting op 22 januari 2026, maar het UWV wilde tijdens die hoorzitting meerdere bezwaar- en beroepszaken gelijktijdig bespreken. Onder die omstandigheden kan van een zorgvuldige en zaakgerichte hoorzitting geen sprake zijn. Dat eiseres heeft afgezien van deelname aan dit gesprek kan niet worden aangemerkt als het ondubbelzinnig afstand doen van het recht om te worden gehoord.
5.1.
Eiseres voert verder aan dat een kenbare juridische grondslag voor de toekenning van het voorschot ontbreekt, want het UWV maakt in het besluit niet inzichtelijk wat de eerste ziektedag is en hoe de wachttijd is berekend. Het UWV kan volgens eiseres geen voorschotten verstrekken zonder de eerste ziektedag en de wachttijd kenbaar te beoordelen. Daarnaast is eiseres het niet eens met de hoogte van het voorschot. Zij betwist de juistheid van het refertejaar en het dagloon. Tenslotte is bij eiseres onduidelijkheid ontstaan over de bedragen die vanaf 22 juli 2025 aan haar zijn betaald, doordat op de jaaropgaaf 2025 ‘WIA’ staat. Eiseres verzoekt de rechtbank te bepalen dat het UWV haar ZW [4] -uitkering doorbetaald tot het UWV een besluit op haar WIA-aanvraag heeft genomen.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden. Het UWV heeft eiseres namelijk in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord door haar uit te nodigen voor een hoorzitting op 22 januari 2026. Eiseres had van deze gelegenheid gebruik kunnen maken. Zij heeft dat niet gedaan omdat het UWV meerdere lopende procedures wilde bespreken. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat daardoor geen sprake zou kunnen zijn van een zorgvuldige en zaakgerichte hoorzitting. In de uitnodiging staat namelijk dat de betreffende procedures telkens met de verschillende zaakbehandelaars van het UWV zullen worden besproken. Daaruit blijkt juist een zaakgerichte hoorzitting en niets wijst in de richting van een onzorgvuldige procedure.
6.1.
Verder oordeelt de rechtbank dat het terecht is dat het UWV aan eiseres een voorschot op haar WIA-uitkering heeft toegekend vanaf 22 juli 2026. Haar ZW-uitkering is namelijk met ingang van die datum beëindigd, omdat de maximale duur van 104 weken is bereikt. Op de WIA-aanvraag is echter nog geen beslissing genomen. Het UWV mag vooruitlopend op de vaststelling van het recht op een WIA-uitkering een voorschot verlenen [5] en het UWV heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Daarbij hoeft het UWV nog niet vast te stellen wat de eerste ziektedag is en hoe de wachttijd is berekend. Dat zijn elementen die aan de orde komen als het UWV het recht op WIA-uitkering beoordeelt.
6.2.
De hoogte van het voorschot is ook op redelijke uitgangspunten gebaseerd. Het UWV heeft de berekening van het voorschot aan het besluit van 6 augustus 2025 gehecht. Uit die berekening blijkt dat het UWV het voorschot heeft berekend aan de hand van de wettelijke regels voor het vaststellen van het WIA-maandloon. Daarbij is uitgegaan van de gegevens zoals die op dat moment bekend waren. Eiseres wil dat daarvan wordt afgeweken en dat het UWV uitgaat van een andere referteperiode en een ander dagloon. Het UWV is daar echter in het kader van het verlenen van een voorschot niet toe gehouden. Als het UWV na de WIA-beoordeling vaststelt dat eiseres recht heeft op een WIA-uitkering, dan bepaalt het UWV ook de referteperiode en de hoogte van het dagloon. Als dan blijkt dat de WIA-uitkering hoger is dan het betaalde voorschot, dan leidt dat tot een nabetaling van de uitkering.
6.3.
De rechtbank begrijpt dat bij eiseres onduidelijkheid is ontstaan doordat op haar jaaropgaaf ‘WIA’ staat en niet ‘voorschot op WIA-uitkering’. Die onduidelijkheid komt echter niet voort uit de besluitvorming waar het in deze zaak over gaat. Daarin staat immers dat er een voorschot is toegekend op de WIA-uitkering. Van een definitieve WIA-uitkering is dan ook geen sprake. Bij de rechtbank bestaat daardoor geen twijfel dat de betalingen die in 2025 aan eiseres zijn gedaan en die op de jaaropgaaf zijn opgenomen achter de kolom ‘WIA’ uit hoofde van het toegekende voorschot zijn betaald.
6.4.
Ten slotte kan de rechtbank niet bepalen dat het UWV in plaats van het voorschot op de WIA-uitkering de ZW-uitkering van eiseres moet doorbetalen totdat het UWV een besluit op de WIA-aanvraag heeft genomen. De rechtbank heeft tijdens de zitting aan eiseres uitgelegd dat ziekengeld maximaal 104 weken kan worden uitgekeerd [6] en dat dit maximum in de situatie van eiseres is bereikt. De wet geeft het UWV of de rechtbank geen mogelijkheid om af te wijken van deze maximumduur.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep van eiseres slaagt niet. Het beroep tegen het niet op tijd beslissen op het bezwaar van eiseres is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit van 27 januari 2026 is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het besluit over het voorschot op haar WIA-uitkering blijft ongewijzigd. Daarom is er ook geen aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Zij krijgt het griffierecht ook niet terug.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 27 januari 2026 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van N. Verhoeven, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 111 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarin wordt afgeweken van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb.
4.Ziektewet.
5.Artikel 4:95 van Pro de Awb.
6.Artikel 29, vijfde lid, van de ZW.