Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3094

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
25/2757
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:15 AwbArt. 2.16 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens geen aanvraag in zin van Awb bij verzoek correctie Ziektewetadministratie

Eiseres verzocht het UWV om correctie en herstel van haar Ziektewetadministratie met terugwerkende kracht, nadat zij bezwaar had gemaakt tegen een besluit waarin haar hersteldmelding werd geannuleerd en de Ziektewetuitkering werd voortgezet.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek van eiseres feitelijk een herhaling is van haar eerdere bezwaar en daarom niet als een nieuwe aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb kan worden gezien. Hierdoor is het UWV niet verplicht een besluit te nemen op dit verzoek, en kan eiseres geen beroep instellen tegen het niet tijdig beslissen.

Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank wijst erop dat het geschil over de voortzetting van de Ziektewetuitkering nog loopt in een andere procedure, en dat het niet zinvol is om opnieuw een correctieverzoek in te dienen zolang daarover geen definitieve uitspraak is gedaan.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat haar verzoek geen aanvraag in de zin van de Awb is.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2757

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E. Lipman
).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek tot correctie en herstel van de Ziektewetadministratie ( [nummer] ) van 3 juni 2025.
1.1.
Eiseres heeft het UWV op 1 oktober 2025 in gebreke gesteld voor het niet op tijd beslissen op haar verzoek.
1.2.
Eiseres heeft op 22 oktober 2025 beroep ingesteld.
1.3.
Het UWV heeft verweer gevoerd. Eiseres heeft daarop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.
1.5.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft eiseres op 21 april 2026 ongevraagd twee e-mails gestuurd. De rechtbank laat deze e-mails buiten beschouwing, want zij ziet geen aanleiding om de zaak te heropenen. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
2.1
In haar brief van 3 juni 2025 verzoekt eiseres het UWV om de kunstmatige voortzetting van de Ziektewetuitkering ( [nummer] ) - zonder rechtsgeldige grondslag - met terugwerkende kracht te corrigeren. Daarnaast verzoekt eiseres de foutieve Ziektewetadministratie te herstellen met terugwerkende kracht tot de datum van haar hersteldmelding op 3 juli 2023 zoals is vastgelegd in de beslissing van 5 juli 2023. Tot slot verzoekt eiseres haar dossier dienovereenkomstig binnen een redelijke termijn te corrigeren om latere fouten of verrekeningen te voorkomen.
2.2.
Uit dit verzoek blijkt dat eiseres het er niet mee eens is dat haar ZW [3] -uitkering na 3 juli 2023 is voortgezet en dat zij wil dat dit ongedaan wordt gemaakt. Eiseres heeft echter ook al op 7 mei 2025 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 juli 2023. In dat besluit staat dat de hersteldmelding per 3 juli 2023 wordt geannuleerd en dat de ZW-uitkering van eiseres doorloopt. Met het verzoek van 3 juni 2025 wil eiseres dus hetzelfde bereiken als met haar bezwaar, namelijk dat haar ZW-uitkering eindigt per 3 juli 2023.
2.3.
Het komt er naar het oordeel van de rechtbank op neer dat eiseres met haar bezwaar van 7 mei 2025 en haar brief van 3 juni 2025 op meerdere manieren probeert hetzelfde resultaat te bereiken. Het systeem van de Awb staat daar echter aan in de weg. De rechtbank vat het verzoek van 3 juni 2025 niet op als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, omdat eiseres met dat verzoek feitelijk bezwaar maakt tegen het besluit van 10 juli 2023. Maar de rechtbank vat het beroep ook niet op als bezwaar. Tegen het besluit van 10 juli 2023 maakte eiseres namelijk al eerder bezwaar. Het UWV verklaarde dat bezwaar met de beslissing van 23 mei 2025 niet-ontvankelijk. Het verzoek van 3 juni 2025 had daarom door het UWV kunnen worden opgevat als een beroepschrift en hij had dat door kunnen sturen naar de rechtbank om het als beroep tegen de beslissing op bezwaar te behandelen. [4] Eiseres stelde echter ook zelfstandig beroep in op 25 juni 2025. Dat het UWV eiseres op 22 augustus 2025 berichtte dat haar verzoek van 3 juni 2025 vooralsnog niet in behandeling zou worden genomen in afwachting van de uitspraak van de rechter vindt de rechtbank dan ook wel begrijpelijk.
2.4.
Het gevolg hiervan is dat er geen sprake is van een situatie waarin het UWV een besluit moet nemen op het verzoek van 3 juni 2025. Dat betekent dat het voor eiseres ook niet mogelijk is beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dat leidt ertoe dat haar beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
2.5.
De rechtbank voegt hieraan toe dat tussen partijen nog steeds een geschil is over de voortzetting van de ZW-uitkering. Die beroepsprocedure is geregistreerd onder nummer SHE 26/587. Het staat dus nog niet definitief vast of de ZW-uitkering terecht is voortgezet. Als uit het oordeel van de rechtbank blijkt dat de ZW-uitkering per 3 juli 2023 had moeten worden beëindigd, dan moet het UWV zijn administratie volgens die uitspraak wijzigen. Vanuit dat oogpunt is het dus ook juist dat het UWV eiseres heeft geschreven dat haar verzoek vooralsnog niet in behandeling wordt genomen in afwachting van de uitspraak van de rechter. De rechtbank wijst eiseres er voor de volledigheid op dat het niet zinvol is opnieuw een correctieverzoek aan het UWV te doen zolang er niet definitief is beslist over het geschil.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat het UWV het griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van N. Verhoeven, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Artikel 2.16, derde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken.
2.Dit staat onder andere in artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Ziektewet.
4.Op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb.