Eiseres, werkgever van een zieke werkneemster, kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. De werkneemster was sinds mei 2022 ziek en had gedeeltelijk hervat in eigen werk, maar viel opnieuw uit. Het UWV stelde vast dat eiseres geen onderzoek had gedaan naar herplaatsingsmogelijkheden binnen de eigen organisatie, wat een vereiste is in het eerste spoor van re-integratie.
Eiseres voerde aan dat het negatieve oordeel van het UWV onterecht was omdat het gebaseerd was op gebeurtenissen na de WIA-aanvraag en dat zij juist meer inspanningen had verricht dan verwacht, onder meer in het tweede spoor. De rechtbank oordeelde echter dat het UWV terecht de periode tot de WIA-aanvraag als toetsingskader hanteerde en dat het nalaten van onderzoek naar passend werk binnen de eigen organisatie een gemiste kans was.
De arbeidsdeskundige en verzekeringsarts concludeerden dat de werkneemster niet geschikt was voor haar eigen werk, maar wel voor ander passend werk binnen de organisatie. Eiseres had dit onvoldoende onderzocht, ondanks dat het medisch herstel onzeker was. De rechtbank volgde deze conclusies en stelde vast dat er geen deugdelijke grond was voor het niet verrichten van voldoende re-integratie-inspanningen.
Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard, waardoor de loonsanctie van het UWV in stand bleef. Eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 22 januari 2026.