ECLI:NL:RBOBR:2026:314

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
25/894
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonsanctie opgelegd aan werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, gedateerd 22 januari 2026, wordt de loonsanctie die het UWV aan eiseres heeft opgelegd, beoordeeld. Eiseres, een werkgever, had een loonsanctie opgelegd gekregen omdat het UWV van mening was dat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht voor haar werkneemster, die zich ziek had gemeld. De werkneemster had zich op 16 mei 2022 ziekgemeld en had in maart 2023 een re-integratieplaats gekregen, maar het UWV oordeelde dat de inspanningen van eiseres niet voldoende waren geweest. Eiseres stelde dat zij wel degelijk voldoende inspanningen had verricht en dat er een deugdelijke grond was voor het niet verrichten van meer inspanningen. De rechtbank oordeelde echter dat het UWV terecht had geconcludeerd dat eiseres geen deugdelijke grond had voor het niet verrichten van voldoende re-integratie-inspanningen. De rechtbank stelde vast dat eiseres had nagelaten om onderzoek te doen naar herplaatsingsmogelijkheden binnen de eigen organisatie, wat leidde tot gemiste re-integratiekansen. De rechtbank verklaarde het beroep van eiseres ongegrond, waardoor de loonsanctie in stand bleef. De uitspraak benadrukt het belang van adequate re-integratie-inspanningen door werkgevers en de noodzaak om alle mogelijkheden binnen de organisatie te onderzoeken.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/894

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E. Lipman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam]uit [woonplaats] (werkneemster).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het UWV terecht het tijdvak waarin werkneemster tegenover eiseres recht heeft op loon tijdens ziekte, heeft verlengd met
52 weken tot 29 mei 2025. Volgens eiseres is dat niet het geval omdat zij voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht dan wel een deugdelijke grond heeft voor het onvoldoende verrichten van re-integratie-inspanningen. De rechtbank volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het UWV aan eiseres terecht een loonsanctie heeft opgelegd.

Procesverloop

2. Met het besluit van 8 mei 2024 heeft het UWV aan eiseres een loonsanctie opgelegd waarbij eiseres is verplicht het loon aan werkneemster door te betalen tot 29 mei 2025. Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door [naam] en de gemachtigde van het UWV.

Overwegingen

Inleiding
3. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
3.1.
Werkneemster was werkzaam als manager voor 36 uur per week. Op 16 mei 2022 heeft zij zich ziekgemeld. Begin maart 2023 is werkneemster geleidelijk gestart met werkzaamheden op een re-integratieplaats, zonder structurele mogelijkheden.
3.2.
Werkneemster heeft op 7 maart 2024 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Op dat moment was zij sinds enkele dagen (deels) hervat in haar eigen werk. Op 2 mei 2024 is werkneemster opnieuw uitgevallen.
3.3.
Het UWV heeft de re-integratie-inspanningen van eiseres beoordeeld en deze als onvoldoende aangemerkt. Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals opgenomen onder het kopje ‘Procesverloop’.
De standpunten van partijen
4. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest en dat er geen deugdelijke grond is voor dit verzuim. Eiseres heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de herplaatsingsmogelijkheden binnen de eigen organisatie (re-integratie in het eerste spoor).
5. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij heeft daartegen aangevoerd dat het UWV het negatieve oordeel over de re-integratie-inspanningen heeft gebaseerd op de hernieuwde uitval van eiseres. Dit is in strijd met paragraaf 9.1 van de Werkwijzer Poortwachter, omdat dit heeft plaatsgevonden ná indiening van de WIA-aanvraag. Ter zitting heeft eiseres aangevuld dat gezien de situatie en het medische verloop van werkneemster terugkeer in eigen werk steeds de insteek is geweest. Aangezien er zicht was op herstel waren andere re-integratie-inspanningen niet aan de orde. Door het inzetten van activiteiten in het tweede spoor, heeft zij dus zelfs meer re-integratie-inspanningen verricht dan van haar verwacht mocht worden.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht aan eiseres een loonsanctie heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Bevoegdheid van de rechtbank
6.1.
De rechtbank stelt allereerst ambtshalve vast dat ingevolge artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet de rechtbank Oost-Brabant, maar de rechtbank Amsterdam bevoegd is om op het beroep van eiseres te beslissen. Omdat de rechtbank haar onbevoegdheid pas heeft onderkend nadat zij partijen had uitgenodigd om ter zitting van 16 december 2025 te verschijnen, heeft zij uit proceseconomische overwegingen en ter bevordering van een voortvarende behandeling van de zaak partijen ter zitting voorgesteld het beroep toch te behandelen. Zowel eiseres als het UWV heeft hiermee ingestemd. Vervolgens komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van deze zaak.
Toetsingskader
6.2.1.
Op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA legt het UWV een loonsanctie op als blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Deze beoordeling is gebaseerd op in ieder geval een arbeidskundig onderzoek.
6.2.2.
Op grond van artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het UWV of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.
6.2.3.
In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Beleidsregels) heeft het UWV een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Verder hanteert het UWV als vaste gedragslijn een werkwijzer (Werkwijzer) voor arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen van het UWV, waarmee het UWV ook aan werkgevers duidelijkheid probeert te bieden over wat van hen bij de re-integratie van een werknemer wordt verwacht. [1]
6.2.4.
In de Beleidsregels staat het met de re-integratie bereikte resultaat voorop. Een bevredigend resultaat is voldoende. Hiervan is in beginsel sprake wanneer de verzekerde (gedeeltelijk) hervat heeft in structureel werk dat min of meer aansluit bij zijn resterende functionele mogelijkheden. Is geen sprake van een bevredigend resultaat, maar worden de inspanningen van de werkgever wel voldoende geacht, dan wordt geen loonsanctie opgelegd. Er wordt ook afgezien van het opleggen van een loonsanctie als de werkgever weliswaar onvoldoende inspanningen heeft verricht, maar hij hier een deugdelijke grond voor heeft.
6.2.5.
Volgens de Werkwijzer wordt pas als het resultaat niet bevredigend is, gekeken naar de re-integratie-inspanningen. De periode waarover het UWV de re-integratie-inspanningen toetst begint op de eerste ziektedag van een verzekerde en eindigt op de dag dat hij de WIA-aanvraag indient. [2] Als er zich na de datum van de aanvraag nog situaties voordoen die bevestigen dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn, dan mag het UWV dit meenemen in de toetsing. Het UWV mag geen negatief oordeel over de re-integratie-inspanningen geven als dit alleen is gebaseerd op wat er zich ná de indiening van de WIA-aanvraag heeft voorgedaan.
6.3.
Niet in geschil is dat de re-integratie-inspanningen van eiseres niet tot een bevredigend re-integratieresultaat hebben geleid en dat daarom kon worden toegekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen. In geschil is of het UWV bij de toetsing van de re-integratie-inspanningen is uitgegaan van de juiste periode. Ook is in geschil of het UWV met juistheid heeft vastgesteld dat eiseres onvoldoende re-integratie-activiteiten heeft verricht in het eerste spoor en dat daarvoor een deugdelijke grond ontbrak. Deze vragen worden bevestigend beantwoord.
Periode van toetsing
6.4.
Het standpunt van het UWV dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in het eerste spoor is onder meer gebaseerd op de conclusies in de rapporten van de verzekeringsarts Bezwaar & Beroep (verzekeringsarts B&B) van 12 maart 2025 en van de arbeidsdeskundige Bezwaar en Beroep (arbeidsdeskundige B&B) van 26 maart 2025.
6.4.1.
De verzekeringsarts B&B heeft geconcludeerd dat werkneemster niet geschikt was voor haar eigen werk, maar wel in staat was voor ongeveer 30 uur te werken in ander werk binnen de eigen organisatie van eiseres.
6.4.2.
Volgens de arbeidsdeskundige B&B heeft eiseres nagelaten te onderzoeken of er binnen haar eigen organisatie mogelijkheden waren om werkneemster te herplaatsen in passend werk. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige B&B verwezen naar het rapport van 17 mei 2023 van Arbodienst [eiseres] . Hierin is geconcludeerd dat het eigen werk van werkneemster op dat moment niet passend is en ook niet passend te maken is. Er wordt geen noodzaak gezien onderzoek te doen naar structureel ander passend werk, omdat uit wordt gegaan van een stijgende belastbaarheid. Wel wordt geadviseerd een tweede spoor traject in te zetten. De arbeidsdeskundige B&B heeft overwogen dat eiseres hiermee niet inzichtelijk en aannemelijk heeft gemaakt dat er binnen de eigen organisatie geen mogelijkheden waren om werkneemster te herplaatsen in passend werk. Door dit na te laten zijn re-integratiekansen gemist in het eerste spoor.
6.5.
De stukken bieden voldoende steun voor het standpunt van het UWV dat het negatieve oordeel over de re-integratie-inspanningen van eiseres niet alleen is gebaseerd op de hernieuwde uitval van werkneemster ná het indienen van de WIA-aanvraag. Uit het dossier volgt dat het steeds onzeker is gebleven of werkneemster terug kon keren in haar eigen werk. Eiseres heeft er desondanks voor gekozen geen nader onderzoek te doen naar ander mogelijk passend werk binnen de eigen organisatie.
Geen deugdelijke grond
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht heeft geconcludeerd dat geen deugdelijke grond aanwezig was voor het niet verrichten van voldoende re-integratie-inspanningen.
6.7.
Zoals door eiseres ter zitting is erkend, hebben binnen het eerste spoor enkel re-integratie-inspanningen plaatsgevonden die gericht waren op terugkeer in eigen werk. Een onderzoek naar de herplaatsingsmogelijkheden in het eerste spoor zoals bedoeld in de Werkwijzer heeft niet plaatsgevonden. [3] Eiseres heeft er in dit verband op gewezen dat gezien de situatie en het medische verloop van werkneemster de insteek steeds is geweest haar te laten terugkeren in haar eigen werk. Aangezien er zicht was op herstel waren andere re-integratie-inspanningen niet aan de orde. Ook de door eiseres verrichte inspanningen in het kader van het tweede spoor waren eigenlijk niet nodig. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres zo dat haar niet kan worden verweten dat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.
6.8.
De arbeidsdeskundige B&B heeft in zijn rapport van 26 maart 2025 opgemerkt dat de intentie een werknemer terug te laten keren in zijn eigen werk niet wegneemt dat een werkgever en een werknemer alle hervattingsmogelijkheden binnen de eigen organisatie moeten blijven onderzoeken zolang het dienstverband duurt. Tijdens het uitvoeren van het arbeidskundig onderzoek door Arbodienst [eiseres] was niet vast te stellen dat de belastbaarheid van werkneemster op korte termijn dusdanig zou verbeteren dat het eigen werk weer passend zou zijn. Werkneemster is ook niet eerder dan per 4 maart 2024 deels in eigen werk hervat. De arbeidsdeskundige B&B heeft ter onderbouwing naar de eindevaluatie van 5 maart 2024 verwezen waarin wordt vermeld dat dit werkneemster de mogelijkheid biedt om te toetsen of zij haar herstel en de gevonden balans in het werk voort kan zetten. Op dat moment was dus geen sprake van een structurele plaatsing conform arbeidsmogelijkheden. Ook op dat moment is namelijk nog niet met zekerheid te zeggen dat het eigen werk passend is. De geschiktheid van het eigen werk moest toen immers nog worden onderzocht. Dat hier twijfel over bestond blijkt ook uit de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 23 januari 2024, waaruit volgt dat er twijfel bestaat of het eigen werk vanuit medisch oogpunt passend is.
6.9.
De rechtbank kan de arbeidsdeskundige B&B volgen in haar conclusies dat geen deugdelijke grond aanwezig was voor het niet verrichten van voldoende re-integratie-inspanningen. In dit verband wijst de rechtbank ook nog op de (eerstejaars)evaluatie van 4 december 2023, waarin is aangegeven dat werkneemster nu zelf ook heeft gevoeld dat terugkeer in de eigen functie geen mogelijkheid meer is en dat haar re-integratieplaats geen structureel karakter heeft. In de (eerstejaars)evaluatie is vervolgens als nieuw einddoel opgenomen: “terugkeer in andere functie binnen [eiseres] is nu intentie”. Ook dat heeft echter niet geleid tot intensivering van de re-integratieactiviteiten in het eerste spoor.
6.10.
Uit de overwegingen 6.4 tot en met 6.9 volgt dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat re-integratiekansen zijn gemist zonder dat daarvoor een deugdelijke grond bestond.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het UWV om aan eiseres een loonsanctie op te leggen in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.C. Meuris, voorzitter, en mr. M. van den Brink en
mr. G. de Jong, leden, in aanwezigheid van mr.L. Langenhoff, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Werkwijzer Poortwachter, versie 1 augustus 2022.
2.Paragraaf 9.1 van de Werkwijzer Poortwachter, versie 1 augustus 2022.
3.Paragraaf 4.2.3 van de Werkwijzer Poortwachter, versie 1 augustus 2022.