ECLI:NL:RBOBR:2026:315

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
25/470
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van re-integratie-inspanningen en loonsanctie in het kader van WIA-uitkering

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, gedateerd 22 januari 2026, wordt de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van een werkgever besproken in het kader van een WIA-uitkering. Eiser, die als Meewerkend Horeca Verantwoordelijke werkte, had zich op 24 juli 2022 ziek gemeld en vroeg op 26 april 2024 een WIA-uitkering aan. Het UWV had de re-integratie-inspanningen van de werkgever als voldoende beoordeeld en geen loonsanctie opgelegd. Eiser was het hier niet mee eens en stelde dat de werkgever tekort was geschoten in de re-integratie, wat hem financiële schade had berokkend. De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat er geen aanleiding was voor een loonsanctie. Ondanks administratieve tekortkomingen van de werkgever, zoals het niet tijdig opstellen van een plan van aanpak, was er geen bewijs dat re-integratiekansen waren gemist. De rechtbank concludeerde dat de werkgever voldoende inspanningen had verricht en verklaarde het beroep van eiser ongegrond. Eiser kreeg geen gelijk en het griffierecht werd niet teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/470

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: [naam]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E. Lipman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam](hierna: de werkgever).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van de werkgever. Het UWV heeft die inspanningen als voldoende beoordeeld. Eiser is het daar niet mee eens en vindt dat het UWV ten onrechte geen loonsanctie aan de werkgever heeft opgelegd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht geen aanleiding heeft gezien voor een loonsanctie.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding was om een loonsanctie aan de werkgever op te leggen. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 15 augustus 2024 heeft het UWV de aanvraag van eiser voor een WIA [1] -uitkering afgewezen, omdat hij niet arbeidsongeschikt is. Daarnaast heeft het UWV de re-integratie-inspanningen van eiser en zijn werkgever als voldoende beoordeeld.
2.1.
Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover dat over de re-integratie-inspanningen gaat.
2.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Eiser heeft een nader stuk ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiser en het UWV deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten en omstandigheden
3. Eiser werkte als Meewerkend Horeca Verantwoordelijke bij de werkgever voor 38 uur per week. Op 24 juli 2022 meldde hij zich ziek voor dit werk. Eiser vroeg op 26 april 2024 een WIA-uitkering aan. Die aanvraag leidde tot de besluitvorming die is opgenomen in het procesverloop.
De standpunten van partijen
4. Het UWV stelt zich op het standpunt dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende zijn geweest. Volgens het UWV zijn door de werkgever de juiste re-integratie stappen gezet en zijn er geen re-integratiekansen gemist in spoor 1 en spoor 2.
4.1.
Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert – kort samengevat – aan dat de werkgever het plan van aanpak en de bijstelling daarvan niet op tijd heeft opgesteld en dat het UWV bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen is uitgegaan van onjuiste en geantedateerde stukken. Daarnaast heeft de werkgever de re-integratie tegengewerkt door de ondertekening van de tweede en derde overeenkomst voor de werkervaringsplaats te traineren. Volgens eiser heeft de werkgever zich niet als een goed werkgever gedragen en hij onderbouwt dat met verklaringen van oud-werknemers van de werkgever. Doordat het UWV ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd, heeft eiser (financiële) schade geleden.
Het beoordelingskader
5. Als een werknemer ziek wordt, moet de werkgever ervoor zorgen dat de werknemer goed begeleid wordt in dat verzuim en bij de re-integratie naar werk. Als dat zonder deugdelijke grond niet goed genoeg gebeurt, krijgt de werknemer (nog) geen WIA-uitkering van het UWV en moet de werkgever het loon nog maximaal één jaar doorbetalen. [2] De beoordelingsmaatstaf die daarvoor geldt, is of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. [3]
5.1.
Het UWV moet beoordelen of de werkgever in de periode van de wachttijd voldoende inspanningen heeft verricht om de werknemer te laten re-integreren. Het UWV heeft voor deze beoordeling beleidsregels vastgesteld, die zijn neergelegd in de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter en de daarbij behorende bijlage (de Beleidsregels). [4] Verder hanteert het UWV als vaste gedragslijn een werkwijzer voor arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen van het UWV, de Werkwijzer Poortwachter. [5] In de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar (Regeling procesgang) zijn de verplichtingen van de werkgever en de werknemer ten aanzien van het re-integratiedossier en het re-integratieverslag nader uitgewerkt.
5.2.
Op grond van de Beleidsregels staat bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is voldaan aan de wettelijke eis dat de werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Als het UWV het resultaat niet bevredigend vindt, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling de aandacht worden gericht op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk is ondernomen. Als geen bevredigend re-integratieresultaat is bereikt, maar het UWV de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader in de Beleidsregels wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het UWV de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft. Van werkgever en werknemer worden geen re-integratie-inspanningen verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.
5.3.
Bij de beoordeling van de re-integratie acht het UWV het opvolgen van de voorschriften op grond van de Regeling procesgang secundair ten opzichte van de feitelijke re-integratie-inspanningen. Dit komt overeen met het uitgangspunt dat het UWV primair beziet of het resultaat bevredigend is. Als bijvoorbeeld veel te laat een onvoldoende probleemanalyse en plan van aanpak zijn opgesteld, is dat alleen relevant als ten gevolge daarvan onvoldoende of verkeerde re-integratie-inspanningen zijn verricht. [6]
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank stelt voorop dat een loonsanctie een reparatoir en geen punitief karakter heeft. [7] Het doel van de loonsanctie moet zijn dat de werkgever zijn tekortkomingen op het gebied van re-integratie kan herstellen. Als herstel niet mogelijk is, kan het UWV geen loonsanctie opleggen. [8] Dat betekent ook dat het enkele gegeven dat sprake is van tekortkomingen niet voldoende is om een loonsanctie op te leggen. Er kan pas een loonsanctie worden opgelegd als er re-integratiekansen zijn gemist en dat nog kan worden hersteld.
6.1.
Het staat niet ter discussie dat de werkgever het Plan van aanpak en de Bijstelling plan van aanpak niet op tijd heeft opgesteld. In het Plan van aanpak van 3 april 2024 staat immers:
‘Tijdens de koffiemomentjes/evaluatiemomenten zijn de re-integratieafspraken conform de adviezen van de bedrijfsarts besproken en hieraan is ook uitvoering gegeven. Onverhoopt is dit destijds niet formeel vastgelegd in een plan van aanpak. (…)’. En in de Bijstelling plan van aanpak van 3 april 2024 staat:
‘Gezien een arbeidsconflict en mislukte mediation is het doel ‘terugkeer in eigen functie’ of ‘terugkeer bij eigen werkgever’ geen optie meer. De mediation is per december 2022 beëindigd en heeft niet geleid tot een oplossing. Om die reden wordt vanaf dat moment gefocust op spoor 2. Dit is steeds zo gecommuniceerd met werknemer en spoor 2 is ook opgestart (zie rapportages hiervan). Onverhoopt is dit niet tijdig formeel vastgelegd in dit document. (…)’. Voor zover hieruit kan worden afgeleid dat het niet door eiser ondertekende Plan van aanpak van 16 augustus 2022 onjuist en geantedateerd is, heeft dat geen gevolgen voor de motivering van de arbeidsdeskundige in haar rapportage van 2 juli 2024. Het UWV heeft immers alle feitelijke re-integratie-inspanningen betrokken bij zijn beoordeling en is op grond van die inspanningen tot de conclusie gekomen dat de inspanningen voldoende zijn geweest.
6.2.
Er is naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van administratieve tekortkomingen van de werkgever doordat het plan van aanpak en de bijstelling daarvan niet op tijd zijn opgesteld. Dat betekent echter nog niet dat re-integratiekansen zijn gemist. Ondanks dat het plan van aanpak en de bijstelling daarvan niet schriftelijk zijn vastgelegd, is namelijk wel invulling gegeven aan de re-integratie van eiser en zijn daarin de juiste stappen gezet. Na de start van de re-integratie is een arbeidsconflict ontstaan waarna mediation heeft plaatsgevonden. De uitkomst daarvan was dat terugkeer van eiser bij de werkgever niet passend is. Vervolgens is op tijd een spoor 2 traject ingezet en dat is ook adequaat geweest. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat er re-integratiekansen zijn gemist doordat het plan van aanpak en de bijstelling daarvan niet op tijd zijn opgesteld.
6.3.
Het is de rechtbank ook niet gebleken dat er re-integratiekansen zijn gemist doordat de tweede en derde overeenkomst voor de werkervaringsplaats te laat zijn getekend. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij daardoor een aantal weken niet kon werken op deze plaats, maar dat is niet voldoende om als gemiste kans aan te merken. De werkervaringsplek was immers een onderdeel van de re-integratie activiteiten in spoor 2 en de werkzaamheden zijn wel voortgezet. Daarnaast heeft eiser ondertussen ook andere activiteiten in spoor 2 ondernomen, waaronder sollicitaties. Deze activiteiten zijn voortgezet tot einde wachttijd.
6.4.
Ten slotte leiden de verklaringen van de oud-werknemers ook niet tot het oordeel dat het UWV een loonsanctie had moeten opleggen. Volgens eiser blijkt uit die verklaringen dat hij etnisch werd geprofileerd. Wat daar ook van zij, het betekent niet dat de re-integratie inspanningen van de werkgever niet voldoende zijn geweest. De rechtbank kan dat namelijk niet uit die verklaringen afleiden.
6.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het UWV op goede gronden heeft geoordeeld dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, voorzitter en mr. M. van den Brink en
mr. I.C. Meuris, leden, in aanwezigheid van mr. L. Langenhoff, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.
3.Artikel 65 van de Wet WIA.
4.Beleidsregels beoordelingskader poortwachter van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, laatst gewijzigd op 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224.
5.Werkwijzer Poortwachter, versie 1 augustus 2022.
6.Zie punt 4 van de bijlage bij de Beleidsregels.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1570.
8.Kamerstukken II 2005/06, 30 318, nr. 6, pag. 20.