In deze civiele bodemzaak tussen [eiser] B.V. en VDVI c.s. staat een geschil omtrent geldleningsovereenkomsten, vaststellingsovereenkomsten en schadevorderingen centraal. Na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst op 2 december 2025 wijzigde [eiser] haar vorderingen, waaronder hoofdelijke veroordelingen en opheffing van een pandrecht. VDVI c.s. stelde tegenvorderingen in, waaronder betwisting van de geldleningsovereenkomsten, terugbetaling, schadevergoeding wegens te late levering van aandelen en betaling uit hoofde van afspraken over opbrengstdeling.
VDVI c.s. verzocht in een incident om oproeping van [A] als derde partij, omdat hun reconventionele vorderingen mede tegen hem zijn gericht. De rechtbank onderzocht eerst haar internationale rechtsmacht en bevestigde deze op grond van de gekozen forumkeuze in de overeenkomst. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat een reconventionele vordering in beginsel alleen tegen de eiser in conventie kan worden ingesteld, en dat een uitzondering slechts geldt bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
De rechtbank concludeerde dat de vorderingen tegen [A] niet samenhangen met de vorderingen in conventie en dat de grondslagen verschillen, waardoor de proceseconomie niet wordt gediend met gezamenlijke behandeling. Daarom wees de rechtbank het verzoek tot oproeping van [A] af en veroordeelde VDVI c.s. in de proceskosten van het incident. De zaak wordt op 27 mei 2026 opnieuw op de rol gezet voor beraad over een mondelinge behandeling.