Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3449

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
25/1273
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2.6 Wet hersteloperatie toeslagenArtikel 288, eerste lid, aanhef en onder bArtikel 288, eerste lid, aanhef en onder c
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over hoogte schadevergoeding in toeslagenaffaire wegens vermeende causale schade

Eiseres, die slachtoffer is van de kinderopvangtoeslagaffaire, betwist de hoogte van de door de Dienst Toeslagen toegekende schadevergoeding. Zij stelt dat door het handelen van de Dienst Toeslagen in 2015 en 2016 geen minnelijke schuldenregeling tot stand is gekomen en dat zij niet is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, wat tot extra materiële schade heeft geleid.

De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen de afwijzing van de minnelijke schuldenregeling in 2015 onterecht heeft erkend en excuses heeft aangeboden. Echter, er is onvoldoende bewijs dat andere schuldeisers bij een akkoord van de Dienst Toeslagen ook hadden ingestemd, waardoor het causaal verband ontbreekt. Daarnaast is in het vonnis van 2016 vastgesteld dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan en dat eiseres weinig saneringsgezindheid toonde, wat losstaat van de O/GS-kwalificatie.

De rechtbank concludeert dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het handelen van de Dienst Toeslagen de gestelde schade heeft veroorzaakt. Daarom blijft de hoogte van de schadevergoeding ongewijzigd, wordt het beroep ongegrond verklaard en krijgt eiseres geen vergoeding van griffierecht, proceskosten of wettelijke rente.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de hoogte van de schadevergoeding wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van causaal verband.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1273

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigden: mr. S.R. Busch en mr. W.E. Louwerse).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de vergoeding voor de schade die eiseres heeft geleden door de kinderopvangtoeslagaffaire. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de schadevergoeding. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de schadevergoeding hoger zou moeten zijn.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de hoogte van de schadevergoeding in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staan de conclusie, de gevolgen daarvan en de beslissing.
1.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het besluit van 27 oktober 2022 heeft de Dienst Toeslagen de (immateriële) schade van eiseres vastgesteld op € 9.000. Omdat eiseres al € 30.000 compensatie had ontvangen (vanuit de ‘Catshuisregeling’) is dit bedrag niet uitbetaald. Verder heeft eiseres een aanvullende schadevergoeding van € 85 gekregen. Met het bestreden besluit van 22 april 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de Dienst Toeslagen de (immateriële en materiële) schade van eiseres vastgesteld op € 20.050. Omdat dit bedrag nog altijd minder is dan de al ontvangen compensatie van € 30.000, is ook dit bedrag niet uitbetaald. De aanvullende schadevergoeding van eiseres is verhoogd naar € 500.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar echtgenoot [naam] en bijgestaan door mr. E.E.M. van Horen, kantoorgenote van haar gemachtigde, en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. Eiseres en haar echtgenoot hebben twee kinderen. Eiseres heeft in het verleden kinderopvangtoeslag ontvangen.
3.1.
Eiseres en haar echtgenoot waren ondernemer en hadden vanaf 2012 te kampen met grote financiële problemen. Zij en hun vennootschap zijn in 2014 failliet verklaard en zij zijn hun koopwoning kwijtgeraakt.
3.2.
Met het besluit van 29 mei 2015 heeft de Dienst Toeslagen van eiseres een bedrag van € 18.425 aan ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag voor het jaar 2013 teruggevorderd.
3.3.
Met de brief van 2 september 2015 heeft de Belastingdienst aan de gemeente ’s-Hertogenbosch meegedeeld dat hij niet instemt met een minnelijke schuldenregeling voor eiseres, omdat zij fraude/grove schuld bij toeslagen heeft gepleegd.
3.4.
Met de brief van 3 september 2015 heeft de Dienst Toeslagen aan GKB Den Bosch meegedeeld dat hij geen uitstel van betaling verleent voor de schulden van eiseres. Eiseres heeft namelijk niet te goeder trouw gehandeld ten aanzien van het doen ontstaan of onbetaald laten van de toeslagschulden.
3.5.
De Dienst Toeslagen heeft op 9 september 2015 geregistreerd dat de schuld van
€ 18.425 door opzet/grove schuld tot stand is gekomen.
3.6.
Op 22 juni 2026 heeft eiseres bij deze rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Bij vonnis van 16 november 2016 heeft deze rechtbank het verzoek afgewezen.
3.7.
In 2019 heeft eiseres opnieuw verzocht om een minnelijke schuldenregeling. De schuldeisers hebben daarmee ingestemd. Dit heeft ertoe geleid dat eiseres en haar echtgenoot uit de schulden zijn geraakt.
3.8.
Eiseres heeft zich op 18 maart 2020 gemeld bij de Dienst Toeslagen als slachtoffer van de toeslagenaffaire en verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2012 tot en met 2015.
3.9.
Op 19 maart 2021 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres recht heeft op een forfaitair bedrag van € 30.000 (bekend als de ‘Catshuisregeling’).
3.10.
Met het besluit van 7 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres recht heeft op een tegemoetkoming van € 5.528 vanwege de kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS) voor het jaar 2013.
3.11.
Met een ander besluit van 7 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres om compensatie kinderopvangtoeslag voor de jaren 2012 tot en met 2015 afgewezen, omdat bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag geen fouten zijn gemaakt.
3.12.
Eiseres heeft op 23 juli 2021 bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend voor de werkelijk door haar geleden schade.
3.13.
Hierop is de procedure gevolgd die hiervoor staat weergegeven onder ‘Procesverloop’.
Waar draait het geschil om?
4. Eiseres vindt dat zij recht heeft op een hogere vergoeding vanwege de door haar geleden materiële schade. Zij voert in de kern aan dat door toedoen van de Dienst Toeslagen in 2015 geen minnelijke schuldenregeling tot stand is gekomen. Daarnaast is zij in 2016 door toedoen van de Dienst Toeslagen niet toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dat heeft geleid tot schade, die niet in de beoordeling is betrokken. Tussen het handelen van de Dienst Toeslagen en die schade bestaat volgens eiseres dus een causaal verband.
4.1.
De Dienst Toeslagen erkent dat de O/GS-kwalificatie onterecht is geweest, maar volgens de Dienst Toeslagen is er geen causaal verband tussen zijn handelen en de gestelde schade.
4.2.
De rechtbank zal hieronder waar nodig de argumenten bespreken die eiseres en de Dienst Toeslagen ter onderbouwing van hun standpunten aanvoeren.
4.3.
Op de zitting is duidelijk geworden dat het voor eiseres alleen gaat om de materiële schade. Zij voert niet langer aan dat haar immateriële schade hoger is.
Toetsingskader
5. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden, hoe hoog die schade is en dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de handelwijze van de Dienst Toeslagen. [1]
Over het niet tot stand komen van een minnelijke schuldenregeling in 2015
6. De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen bij brief van 29 oktober 2025 heeft erkend dat hij de aanvraag van eiseres om een minnelijke schuldenregeling in 2015 ten onrechte heeft afgewezen. Het is zeer begrijpelijk dat eiseres en haar echtgenoot na de moeilijke jaren die zij doorstaan hebben, nog steeds zeer verontwaardigd zijn over die afwijzing. Daarvoor heeft de Dienst Toeslagen naar het oordeel van de rechtbank in de brief dan ook terecht zijn excuses aangeboden. Maar de rechtbank kan niet vaststellen wat de andere schuldeisers zouden hebben gedaan als de Dienst Toeslagen wel akkoord was gegaan met een minnelijke schuldenregeling. Er waren namelijk op dat moment al incassomaatregelen ingezet door die schuldeisers. Eiseres heeft op zich wel een punt dat de Belastingdienst – waar de Dienst Toeslagen in 2015 nog een onderdeel van was – doorgaans een grote schuldeiser is. In algemene zin vindt de rechtbank het aannemelijk dat andere schuldeisers het wel of niet instemmen met een minnelijke schuldenregeling mede laten afhangen van wat de Belastingdienst doet. Maar daar staat tegenover dat in het concrete geval van eiseres de schulden van de Belastingdienst een relatief klein deel (ongeveer 10%) van de totale schuldenlast betrof. Zo bezien was de Belastingdienst in het geval van eiseres geen grote schuldeiser. Verder ontbreken in het dossier concrete aanwijzingen dat die schuldeisers bij een akkoord van de Dienst Toeslagen zelf ook akkoord waren gegaan met een minnelijke schuldenregeling.
6.1.
Dit betekent dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband is tussen de O/GS-kwalificatie en het niet tot stand komen van de minnelijke schuldenregeling in 2015 en dus ook tussen de O/GS-kwalificatie en de gestelde schade.
Over de afwijzing van de wettelijke schuldsaneringsregeling in 2016
Het vonnis uit 2016
7. In het vonnis uit 2016 heeft de rechtbank onder 2.3 geoordeeld dat de schulden van eiseres niet te goeder trouw zijn ontstaan. Eiseres en haar echtgenoot hebben namelijk diverse toeslagen ontvangen, terwijl zij wisten dan wel behoorden te weten dat zij daarop geen recht hadden. Verder heeft de rechtbank onder 2.5 geoordeeld dat eiseres weinig blijk heeft gegeven van een saneringsgezinde houding. Zij heeft met de terugbetaling van een lening aan haar (schoon)moeder haar overige schuldeisers benadeeld. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is daarom afgewezen (overweging 2.6).
Standpunten van partijen
8. Volgens eiseres is er onmiskenbaar sprake geweest van een negatieve houding van de kant van de Dienst Toeslagen om mee te werken aan een wettelijke schuldsaneringsregeling. Hierbij verwijst zij naar het proces-verbaal van de zitting van 2 november 2016. De rechter begon de zitting met het bespreken van de brieven van de Dienst Toeslagen van 2 en 3 september 2015. Deze brieven hebben volgens eiseres bij de rechter een bepaald beeld geschetst, namelijk dat het laten doorlopen van de toeslagen een kwestie van fraude was. Verder is het oordeel van de rechtbank in het vonnis dat eiseres weinig blijk heeft gegeven van een saneringsgezinde houding door het fraudeverwijt vergiftigd geraakt. Door de brieven van de Dienst Toeslagen ontstond bij de rechter een tunnelvisie op fraude en was er geen ruimte voor gesprek. Volgens eiseres was in essentie de reden voor de afwijzing dat zij fraude zou hebben gepleegd.
8.1.
De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat uit het vonnis van de rechtbank blijkt dat de aanvraag op twee afzonderlijke op zichzelf staande gronden is afgewezen. Allereerst is de aanvraag afgewezen omdat de schulden van eiseres volgens de rechtbank niet te goeder trouw zijn ontstaan. Dit staat volgens de Dienst Toeslagen los van de latere O/GS-kwalificatie. Daarnaast is de aanvraag afgewezen omdat eiseres weinig blijk heeft gegeven van een saneringsgezinde houding. Op beide gronden is de aanvraag dus afgewezen. Indien er geen sprake zou zijn geweest van een toeslagenschuld en een O/GS-kwalificatie, dan nog was de aanvraag van 2016 afgewezen. De bezwaarschriftenadviescommissie concludeerde dat niet kan worden vastgesteld dat de O/GS-registratie de afwijzing tot toetreding tot een schuldsaneringsregeling heeft veroorzaakt.
Wat is het oordeel van de rechtbank hierover?
9. De rechtbank maakt uit het proces-verbaal van de zitting van 2 november 2016 op dat tijdens de zitting ter sprake is gekomen dat de Dienst Toeslagen de schuld over het jaar 2013 heeft aangemerkt als een fraudeschuld. Hoewel in het proces-verbaal van die zitting niet met zoveel woorden staat dat de rechter (de in overweging 8 genoemde) brieven van de Dienst Toeslagen aan de orde heeft gesteld, gelooft de rechtbank eiseres dat dit wel is gebeurd. Dit laat echter onverlet dat de afwijzing van de aanvraag volgens het vonnis berust op twee los van elkaar staande redenen. De eerste is dat de schulden van eiseres niet te goeder trouw zijn ontstaan. ‘Te goeder trouw’ is een criterium dat rechtstreeks uit de Faillissementswet volgt [2] en is iets anders dan een O/GS-kwalificatie. De tweede reden is dat eiseres volgens het vonnis weinig blijk heeft gegeven van een saneringsgezinde houding. Hiermee heeft de rechtbank toepassing gegeven aan een andere zelfstandige afwijzingsgrond in de Faillissementswet. [3] De rechtbank kan heel goed het gevoel van eiseres begrijpen dat het stempel als fraudeur ook bij die laatste afwijzingsgrond heeft doorgewerkt. Maar dat laatste staat niet in het vonnis, ook niet impliciet. De rechtbank kan dan ook niet anders dan ervan uitgaan dat sprake is van twee los van elkaar staande redenen.
9.1.
Gelet hierop is de rechtbank het met de Dienst Toeslagen eens dat niet kan worden vastgesteld of de O/GS-kwalificatie de afwijzing tot toetreding tot een wettelijke schuldsaneringsregeling heeft veroorzaakt. Ook hier heeft eiseres dus niet aannemelijk gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen het handelen van de Dienst Toeslagen en de gestelde schade.

Conclusie en gevolgen

10. De Dienst Toeslagen hoeft geen hogere schadevergoeding aan eiseres te betalen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Ook heeft eiseres geen recht op wettelijke rente over een na te betalen bedrag aan schadevergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, voorzitter, en mr. J. Lie en mr. A.F. Vink, leden, in aanwezigheid van drs. J.G.J. van Geesink en mr. Y. Mutsaers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving

Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.6, eerste lid:
De Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.
Artikel 2.6, derde lid:
Aan een aanvrager van een O/GS-tegemoetkoming die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade als gevolg van de onbillijkheden van overwegende aard, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan de O/GS-tegemoetkoming, wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade toegekend.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van 27 september 2023 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), de hoogste rechter in dit soort zaken, ECLI:NL:RVS:2023:3620, overweging 15.3.
2.Artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b.
3.Artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c.