Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3500

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
25/2045 en 26/331
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 PwArt. 27 PwArt. 4:6 AwbArt. 3 Beleidsregels
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstandsuitkering met 10% vanwege lagere woonlasten

Eiser, wonend in een stacaravan, kreeg op grond van de Participatiewet een bijstandsuitkering toegekend met een verlaging van 10% vanwege lagere woonlasten. Het bestuur handhaafde deze verlaging na herbeoordelingen in 2023 en 2024. Eiser verzocht om herziening van de oorspronkelijke toekenningsbesluiten uit 2020, maar dit verzoek werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd.

De rechtbank oordeelde dat de oorspronkelijke besluiten niet onmiskenbaar onjuist waren. Het begrip 'woning' omvat ook een stacaravan in de zin van de beleidsregels en de Participatiewet. De verlaging is gebaseerd op artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet, wat passend is gezien de woonlasten van eiser. Het bestuur heeft zorgvuldig gehandeld en de bezwaarprocedure is correct verlopen.

Het beroep van eiser tegen zowel het voortzetten van de verlaging als de afwijzing van het herzieningsverzoek werd ongegrond verklaard. De korting van 10% op de bijstandsuitkering blijft van kracht en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de verlaging van 10% op de bijstandsuitkering vanwege lagere woonlasten en verklaart het beroep van eiser ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2045 en SHE 26/331

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam] ),
en
het bestuur van de gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Participatiebedrijf KempenPlus, het bestuur
(gemachtigde: mr. B.H.G. Dautzenberg - Dieteren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het door het bestuur ongewijzigd voortzetten van zijn bijstandsuitkering met een verlaging van 10% vanwege lagere woonlasten. Tevens beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van het verzoek om herziening van de besluiten van 22 oktober 2020 en 27 oktober 2020 tot toekenning van zijn bijstandsuitkering.
1.1
Met het besluit van 16 juli 2025 (het bestreden besluit I) is het bestuur gebleven bij het besluit van 20 december 2024 (het primaire besluit) om eisers bijstandsuitkering met een verlaging van 10% vanwege lagere woonlasten ongewijzigd voort te zetten. Met het besluit van 16 januari 2026 (het bestreden besluit II) is het bestuur gebleven bij het besluit van 27 februari 2025 om eisers verzoek om herziening van de toekenningsbesluiten van 22 oktober 2020 en 27 oktober 2020 af te wijzen.
1.2
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben er mee ingestemd dat op de zitting zowel het beroep tegen het bestreden besluit I (SHE 25/2045) als het beroep tegen het bestreden besluit II (SHE 26/331) worden behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het bestuur.

Totstandkoming van het bestreden besluit

Feiten en omstandigheden en besluitvorming
2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1966 en ongehuwd. Hij woont in een eigen stacaravan op camping De [naam] in [woonplaats] . Bij besluiten van 22 oktober 2020 en 27 oktober 2020 heeft het bestuur aan eiser met ingang van 3 september 2020 op grond van de Participatiewet een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande. Deze uitkering is op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw afgestemd met een verlaging van 10% van de gehuwdennorm, omdat eiser lagere woonlasten en dus lagere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan heeft. Eiser is wel enige woonlasten (huur) verschuldigd voor zijn standplaats aan derden maar deze kosten liggen lager dan de door het bestuur gehanteerde basishuur zoals die wordt berekend op grond van de Beleidsregels commerciële huur, inkomsten uit verhuur en kostgeld en verlaging norm als gevolg van de woonkosten 2015 (de Beleidsregels).
2.1
Op verzoek van eiser heeft het bestuur in april/mei 2023 de situatie van eiser met betrekking tot zijn woonlasten opnieuw bekeken. Naar aanleiding hiervan heeft het bestuur in mei 2023 besloten om eisers bijstandsuitkering met verlaging van 10% vanwege lagere woonlasten ongewijzigd voort te zetten. Bij deze herbeoordeling is geen rekening gehouden met eventuele onderhoudskosten van de stacaravan. Eiser heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.
2.2
In mei 2024 heeft verzoeker opnieuw verzocht om een herbeoordeling van de verlaging van zijn bijstandsuitkering met 10%. Naar aanleiding hiervan heeft het bestuur bij besluit van 20 december 2024 opnieuw besloten om eisers uitkering met een verlaging van 10% ongewijzigd voort te zetten. Volgens het bestuur is aan de hand van de door eiser aangeleverde gegevens wederom geconstateerd dat eiser nog steeds lagere woonlasten heeft waardoor dit geen aanleiding is om de verlaging van 10% van de gehuwdennorm te laten vervallen. Ook de kosten die eiser heeft voor het onderhoud van zijn caravan zijn voor het bestuur geen aanleiding om anders te besluiten, omdat deze kosten verband houden met het onderhoud van een aan eiser in eigendom toebehorende woning. Die kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, aldus het bestuur.
2.3
Met het bestreden besluit I is het bestuur gebleven bij het besluit van 20 december 2024 om eisers bijstandsuitkering met een verlaging van 10% vanwege lagere woonlasten ongewijzigd voort te zetten. Het bestuur heeft het bezwaar van eiser – conform het advies van de bewaarschriften commissie van 7 juli 2025 – ongegrond verklaard en voor de motivering daarvan verwezen naar het advies van de bewaarschriften commissie.
2.4
Op 13 januari 2025 heeft eiser bij het bestuur verzocht om herziening van de besluiten van 22 oktober 2020 en 27 oktober 2020. Het bestuur heeft dit herzieningsverzoek afgewezen bij besluit van 27 februari 2025 omdat eiser geen gegevens of bewijsstukken heeft aangevoerd die als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kunnen worden beschouwd in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en omdat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat er een onmiskenbare fout door het bestuur is gemaakt.
2.5
Met het bestreden besluit II is het bestuur gebleven bij het besluit van 27 februari 2025 om eisers verzoek om herziening af te wijzen. Het bestuur heeft het bezwaar van eiser – conform het advies van de bewaarschriften commissie van 13 januari 2026 – ongegrond verklaard en voor de motivering daarvan verwezen naar het advies van de bewaarschriften commissie.
Overwegingen en oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van SHE 26/331
3. Het bestuur heeft op het verzoek van eiser om terug te komen op de besluiten van 22 oktober 2020 en 27 oktober 2020 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is [1] .
3.1
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser aan zijn herzieningsverzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Dat betekent dat de verwijzing van het bestuur naar de oorspronkelijke besluiten de afwijzing van het herzieningsverzoek in beginsel kan dragen en dat moet worden beoordeeld of die afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Als een oorspronkelijk besluit onmiskenbaar onjuist is kan dat worden betrokken bij de beoordeling of de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is. Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is [2] .
3.2
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de oorspronkelijke besluiten van 22 oktober 2020 en 27 oktober 2020 niet onmiskenbaar onjuist. Anders dan eiser stelt is het bestuur in het geval dat sprake is van lagere woonkosten niet gehouden artikel 27 van Pro de Pw aan de besluitvorming ten grondslag te leggen. Immers uit de Memorie van Toelichting (MvT) bij de totstandkoming van artikel 27 van Pro de Wet werk en bijstand, die is overgenomen in artikel 27 van Pro de Pw, volgt dat het daarbij gaat om situaties waarbij sprake is van de bewoning van een woning waaraan
geenwoonlasten zijn verbonden. [3] Uit de MvT blijkt verder dat als een bestuursorgaan gebruik wil maken van de verlagingsmogelijkheid uit artikel 27, voor de toepassing daarvan doorslaggevend is dat niet jegens een derde woonkosten verschuldigd zijn. In het geval van eiser is dat niet aan de orde nu hij wel enige woonkosten is verschuldigd jegens een derde. De wettelijke bevoegdheid om met lagere woonkosten rekening te houden bij het bepalen van de hoogte van het recht op bijstand is dan artikel 18, eerste lid van de Pw en niet artikel 27 van Pro de Pw. Dat het bestuur in de Beleidsregels het artikel 27 van Pro de Pw noemt en de hoogte van de afstemming mede op basis van deze beleidsregels heeft gebaseerd, maakt niet dat de oorspronkelijke besluiten evident onrechtmatig zijn. Het gaat er immers om dat de besluiten genomen zijn op grond van de juiste wettelijke grondslag, te weten artikel 18, eerste lid van de Pw.
3.3
De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn betoog dat de oorspronkelijke besluiten evident onrechtmatig zijn omdat, gezien het bepaalde in artikel 3 van Pro de Beleidsregels, in het geheel geen verlaging van eisers bijstandsuitkering kan worden vastgesteld nu eiser niet woont in een woning maar in een stacaravan. Naar het oordeel van de rechtbank omvat het begrip “woning” in artikel 3 van Pro de Beleidsregels, in navolging van de Pw, elke woonsituatie waarin lagere kosten van bestaan volgen. Voor het oordeel dat een stacaravan geen woning is in voornoemde zin, bestaat geen grond. Het bestuur kan, zoals hiervoor is overwogen, een verlaging van de norm in individuele gevallen afstemmen met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Pw. Hierbij kan het bestuur ook afstemmen met een voor eiser gunstiger percentage van 10 in plaats van een percentage van 20 zoals bepaald in de Beleidsregels, omdat eiser wel enige woonlasten heeft. Dat toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Pw niet anders kan worden uitgelegd dan dat daarmee ook toepassing wordt gegeven aan het tweede lid van datzelfde artikel, terwijl niet is aangetoond dat eiser zijn verplichtingen niet is nagekomen dan wel tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond – zoals eiser ook nog stelt – volgt de rechtbank niet. Van onlosmakelijke verbondenheid tussen deze artikelleden is geen sprake. Het bestuur verwijt eiser ook geenszins dat hij zijn verplichtingen niet is nagekomen dan wel tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond.
3.4
Het beroep van eiser is ongegrond.
Ten aanzien van SHE 25/2045
4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de gronden van beroep tegen het bestreden besluit I over de grondslag van de korting eveneens ongegrond.
5. Eiser heeft over bestreden besluit I ook nog aangevoerd dat dit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen omdat vlak voor de hoorzitting in bezwaar nog een verweerschrift is ingediend waarop eiser niet heeft kunnen reageren.
6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Door eiser is niet weersproken dat de geplande hoorzitting op 11 maart 2025 op verzoek van zijn gemachtigde is verplaatst. Naar aanleiding van het bericht dat de nieuw geplande hoorzitting plaats zou vinden op 17 juni 2025, heeft eisers gemachtigde medegedeeld dat hij verhinderd is, de hoorzitting plaats kan vinden daar de feiten voor zich spreken en dat afgezien wordt van deelname aan de hoorzitting. Uit een email van de secretaris van de bezwaarschriften commissie blijkt dat was afgesproken met de gemachtigde van het bestuur dat geen verweerschrift maar pleitnota’s konden worden ingediend. Tevens was afgesproken dat uiterlijk één dag voor de hoorzitting de pleitnota ook per e-mail naar eisers gemachtigde zou worden verzonden. De pleitnota is door het bestuur ook de dag voor de hoorzitting per e-mail verzonden. De rechtbank ziet gelet op deze feiten en omstandigheden niet in dat door het bestuur onzorgvuldig is gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ten aanzien van beide beroepen
7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de door het bestuur aan eiser opgelegde korting van 10% op zijn bijstandsuitkering in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van
H.J. Renders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2024:118
3.Kamerstukken II 2002/2003, 28 870, nr. 3, blz. 53/54