ECLI:NL:RBOBR:2026:3729

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/01/422305 / HA ZA 26-16
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:13 BWArt. 4:15 BWArt. 3:200 BWArt. 194 RvArt. 195 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling inzagevordering en bevoegdheid rechtbank bij verdeling nalatenschappen

In deze zaak vordert eiser inzage in diverse bescheiden met betrekking tot de nalatenschappen van zijn overleden ouders, waarbij hij tevens de omvang van zijn erfdeel en legitieme portie wil vaststellen. De gedaagden, zijn broers en zussen, voeren verweer en betwisten de bevoegdheid van de rechtbank, stellende dat de kantonrechter bevoegd is op grond van artikel 4:15 BW Pro.

De rechtbank oordeelt dat zij zich bevoegd acht vanwege de onderlinge verwevenheid van de nalatenschappen en de goede procesorde, ondanks de regel dat de kantonrechter in principe bevoegd is voor de vaststelling van de geldvordering uit de nalatenschap. De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende belang heeft bij de gevorderde inzage in de bescheiden, omdat het geschil over de vordering zelf nog moet worden beslist in de hoofdzaak.

De rechtbank wijst de inzagevordering af en compenseert de proceskosten tussen partijen, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling van de hoofdzaak.

Uitkomst: De rechtbank wijst de inzagevordering af wegens gebrek aan voldoende belang en verklaart zich bevoegd ondanks het verweer over kantonrechterlijke bevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/422305 / HA ZA 26-16
Vonnis in incident van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F.C.M.V. ten Broeke,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

in hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van [erflater 1] en in hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van [erflater 2] ,
te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
in hoedanigheid van erfgenaam en executeur in/van de nalatenschap van [erflater 1] en in hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van [erflater 2] ,
te [plaats] ,
3.
[gedaagde 3],
in hoedanigheid van erfgenaam en executeur in/van de nalatenschap van [erflater 1] en in hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van [erflater 2] ,
te [plaats] ,
4.
[gedaagde 4],
in hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van [erflater 1] en in hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van [erflater 2] ,
te [plaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna (samen) te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ,
advocaat: mr. N.M.A. Deckers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met een incidentele vordering
  • de akte overlegging producties van [eiser] van 7 januari 2026
  • de conclusie van antwoord in het incident van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4]
  • de akte uitlating producties in incident van [eiser] van 8 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten

2.1.
[eiser] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn broers en zussen van elkaar. Zij zijn geboren uit het huwelijk tussen [erflater 1] (hierna: vader) en [erflater 2] (hierna: moeder).
2.2.
Vader is op [overlijdensdatum 1] 2015 overleden.
2.3.
Vader heeft op 7 oktober 2015 bij laatste testament over zijn nalatenschap beschikt. In het testament heeft vader moeder en zijn kinderen tezamen en voor gelijke delen tot zijn erfgenamen benoemd. Daarnaast heeft vader de wettelijke verdeling (als bedoeld in afdeling 4.3.1. van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)) van toepassing verklaard. Dat betekent dat moeder alle goederen van de nalatenschap heeft verkregen en dat [eiser] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] een geldvordering op moeder hebben gekregen, overeenkomend met de waarde van zijn/haar erfdeel.
2.4.
Vader heeft in zijn testament [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot executeurs benoemd. Zij hebben hun benoeming aanvaard.
2.5.
Op 24 december 2020 heeft [eiser] een e-mail ontvangen van [gedaagde 3] , waarin onder andere staat:
“Mam wil het erfdeel dat ze aan jou tegoed heeft uit de erfenis van pap uitkeren voor 1 januari 2021.
De contante waarde is 31.833 euro. Dit is een niet-belastbare schenking.
Als je akkoord gaat met het uitbetalen van deze vordering, krijg ik graag jouw rekeningnummer retour.”
2.6.
Op 28 december 2020 heeft [eiser] via e-mail een reactie gestuurd naar [gedaagde 3] , waarin onder andere staat:
“Het geld kan worden overgemaakt op de volgende rekening.
[A] e.o
(…)
Zo je bij overschrijving willen vermelden. Erfdeel vader”
2.7.
Vervolgens is op dezelfde dag van de en/of rekening van vader en moeder € 31.833,00 overgemaakt naar [eiser] .
2.8.
Moeder is op [overlijdensdatum 2] 2024 overleden.
2.9.
Moeder heeft op 2 februari 2021 bij laatste testament over haar nalatenschap beschikt. In het testament heeft moeder [eiser] en zijn afstammelingen onterfd. Volgens het testament en het wettelijk versterferfrecht heeft moeder [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] als haar erfgenamen achtergelaten.
2.10.
[eiser] heeft aanspraak gemaakt op zijn legitieme portie in de nalatenschap van moeder.

3.De beoordeling in het incident

Het geschil in de hoofdzaak
3.1.
[eiser] stelt dat hij als erfgenaam in de nalatenschap van vader een (resterende) vordering heeft op de nalatenschap van moeder in verband met zijn erfdeel. Hij vordert daarom in de hoofdzaak dat de rechtbank de omvang van zijn erfdeel in de nalatenschap van vader vaststelt en [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als executeurs of [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] als erfgenamen veroordeelt om het vastgestelde bedrag minus het voorschot wat hij al heeft ontvangen aan [eiser] te betalen (met rente). Daarnaast vordert [eiser] dat de rechtbank zijn legitimaire aanspraak in de nalatenschap van moeder vaststelt en [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] als erfgenamen veroordeelt om deze aanspraak aan [eiser] te betalen (met rente).
Het geschil in het incident
3.2.
[eiser] wil de omvang van zijn vorderingen vaststellen, maar volgens hem weigeren [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] de vereiste medewerking te verlenen. [eiser] vordert daarom – samengevat – in het incident dat de rechtbank:
1. [gedaagde 3] en [gedaagde 2] , in hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van vader, of [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] in hoedanigheid van erfgenaam, hoofdelijk veroordeelt om binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis, één en ander op straffe van een dwangsom, afschriften van de volgende bescheiden toe te sturen:
a. een met stukken onderbouwde boedelbeschrijving van de nalatenschap;
b. bankafschriften van de jaren vóór het overlijden van vader, voor als ver als mogelijk deze nog terug te halen zijn, van alle bankrekeningen die tot de nalatenschap behoren, waaronder in elk geval de volgende:
i. de spaarrekening met rekeningnummer [nummer 1] ;
ii. de betaalrekening met rekeningnummer [nummer 2] ;
iii. de bankrekening met rekeningnummer ' [nummer 3] ' ten name van ' [erflater 1] EO';
c. informatie over en bewijsstukken van eventuele levens- en uitkeringsverzekeringen;
d. de aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting van vijf jaar vóór overlijden van vader, dus over de periode 2010 t/m 2015;
e. taxatierapporten van de onroerende zaken die tot de nalatenschap behoren;
f. facturen van de kosten van de uitvaart;
2. de executeur(s) in de nalatenschap van moeder of [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] in hoedanigheid van erfgenaam, hoofdelijk veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, één en ander op straffe van een dwangsom, afschriften van de volgende bescheiden toe te sturen:
a. een opgave en bewijsstukken van alle giften die moeder (tezamen met vader) heeft gedaan;
b. de aangifte inkomstenbelasting over 2019;
c. informatie over en bewijsstukken van eventuele levensverzekeringen;
d. de aangifte erfbelasting;
e. bankafschriften, voor zo ver als mogelijk als deze nog terug te halen zijn tot augustus 2019, van alle bankrekeningen die tot de nalatenschap behoren, waaronder in elk geval de volgende:
i. de spaarrekening met rekeningnummer [nummer 1] ;
ii. de betaalrekening met rekeningnummer [nummer 2] .
3. bepaalt dat [gedaagde 3] een door [eiser] gekozen taxateur de gelegenheid moet geven om de woning gelegen te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] te taxeren, met machtiging om bij de uitvoering van het vonnis de hulp van de sterke arm in te roepen;
4. met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] in de kosten van dit incident.
3.3.
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] voeren verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Het juridisch kader
3.5.
De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Artikel 194 lid 1 Rv Pro bepaalt dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Artikel 195 lid 1 Rv Pro bepaalt vervolgens dat op verzoek van de partij die daar ingevolge artikel 194 lid 1 Rv Pro recht op heeft, de rechter de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover die partij beschikt.
Nalatenschap van vader (vordering onder 1)
3.6.
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] voeren als meest verstrekkende verweer aan dat [eiser] de vordering tot het vaststellen van zijn erfdeel in de nalatenschap van vader niet kan voorleggen aan de rechtbank. De kantonrechter is volgens hun bevoegd op grond van artikel 4:15 BW Pro. Daarom moet [eiser] volgens [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen voor zover deze betrekking hebben op de nalatenschap van vader.
3.7.
De rechtbank is van oordeel dat dit verweer niet slaagt. Artikel 4:15 lid 1 BW Pro bepaalt dat, voor zover erfgenamen over de vaststelling van de omvang van de in artikel 4:13 lid 3 BW Pro bedoelde geldvordering niet tot overeenstemming kunnen komen, deze op verzoek van de meest gereden partij door de kantonrechter wordt vastgesteld. Op de in lid 2 genoemde gronden kan een vastgestelde vordering op verzoek van een van partijen door de kantonrechter worden gewijzigd. In beginsel is dus de kantonrechter bevoegd tot het vaststellen van de vordering met betrekking van tot het vaststellen van het erfdeel van [eiser] . De omvang van de legitieme portie uit de nalatenschap van moeder is echter afhankelijk van de vaststelling van de vordering uit de nalatenschap van vader. In het kader van de goede procesorde, acht de rechtbank zich daarom bevoegd om kennis te nemen van het geschil waar het gaat om de vordering van [eiser] met betrekking tot de nalatenschap van vader (zie Rechtbank Oost-Brabant 3 november 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:5705).
3.8.
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] voeren daarnaast als verweer aan dat uit de e-mail correspondentie eind december 2020 (zie hierboven onder 2.5 en 2.6) blijkt dat moeder en [eiser] overeenstemming hadden over het door moeder uit te keren bedrag aan [eiser] uit hoofde van de nalatenschap van vader. De vordering van [eiser] is op het in de e-mail genoemde bedrag vastgesteld. [eiser] wil nu terugkomen op die afspraak, maar dat recht is vervallen. Een rechtsvordering tot vernietiging van een verdeling vervalt namelijk na drie jaar na de verdeling op grond van artikel 4:15 lid 2 BW Pro jo. artikel 3:200 BW Pro. [eiser] heeft daarom geen belang bij zijn vordering tot het verstrekken van afschriften van bescheiden, aldus [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] .
3.9.
[eiser] heeft gesteld dat hij nog wel een vordering heeft in verband met zijn erfdeel in de nalatenschap van vader. Het is tussen partijen dus nog in geschil of [eiser] wel of niet een vordering heeft uit hoofde van de nalatenschap van vader. Het is aan de rechter in de hoofdzaak om daarover te oordelen. Dat betekent dat de rechtbank in dit incident niet kan vaststellen dat [eiser] voldoende belang heeft bij een afschriften van de bescheiden onder 1.Dit deel van de incidentele vordering zal daarom worden afgewezen.
Nalatenschap van vader (vordering onder 2)
3.10.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] geen belang (meer) heeft bij een afschrift van de bescheiden onder a. In hun antwoord in incident hebben [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] een overzicht van gedane schenkingen overgelegd. Daarnaast zouden zij alle voorhanden zijnde bankafschriften al aan [eiser] hebben verstrekt, waaruit blijkt dat er geen andere giften zijn gedaan. [eiser] heeft als reactie in zijn akte van 8 april 2026 aangevoerd dat dit overzicht niet compleet is en dat er meer schenkingen zijn gedaan die voor de berekening van de legitieme portie van belang zijn. Het is echter aan de rechter in de hoofdzaak om daarover te oordelen. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
3.11.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] ook geen belang (meer) heeft bij een afschrift van de bescheiden onder b. In hun antwoord in incident hebben [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] de aangifte inkomstenbelasting over 2019 overgelegd. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
3.12.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de bescheiden onder c dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben aangevoerd dat zij in de administratie van moeder niets hebben aangetroffen over levensverzekeringen. Wel hebben zij een e-mail overgelegd die zij aan het Verband van Verzekeraars hebben gestuurd. [eiser] heeft in zijn akte van 8 april 2026 niet weersproken dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet beschikken over informatie en bewijsstukken van levensverzekeringen. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
3.13.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de bescheiden onder d dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] hebben aangevoerd dat er geen aangifte erfbelasting is ingediend. Zij hebben een brief van de Belastingdienst overgelegd waaruit volgt dat er geen aangifte erfbelasting is gedaan. [eiser] heeft in zijn akte van 8 april 2026 niet weersproken dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet beschikken over een aangifte erfbelasting. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
3.14.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] geen belang (meer) heeft bij een afschrift van de bescheiden onder e. In hun antwoord in incident hebben [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] een e-mail overgelegd waaruit zou blijken dat alle voorhanden zijnde bankafschriften al aan [eiser] zijn gegeven. Dit heeft [eiser] in zijn akte van 8 april 2026 niet weersproken. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
Taxatie woning [eiser] (vordering onder 3)
3.15.
[gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] voeren terecht als verweer aan dat deze vordering helemaal niet wordt toegelicht in het lichaam van de dagvaarding. Dit deel van de vordering zal daarom als ongegrond worden afgewezen.
De proceskosten
3.16.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
4.3.
verwijst de zaak naar de rol van
15 juli 2026voor conclusie van antwoord aan de zijde van gedaagden,
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.