ECLI:NL:RBOBR:2026:3759
Rechtbank Oost-Brabant
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na gedeeltelijke tegemoetkoming minister studiefinanciering
Verzoeker had beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat zijn aanvraag studiefinanciering afwees. De minister kwam hem gedeeltelijk tegemoet door studiefinanciering toe te kennen over een langere periode dan aanvankelijk toegekend.
Verzoeker trok daarop zijn beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding. De rechtbank beoordeelde of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker was tegemoetgekomen en of er proceskosten waren gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Hoewel de minister aan verzoeker tegemoetkwam, oordeelde de rechtbank dat verzoeker het beroep zelf had ingediend en dat zijn gemachtigde pas na het tegemoetkomende besluit was betrokken. Bovendien waren de aanvullende gronden die de gemachtigde indiende na de tegemoetkoming onnodig, zodat er geen redelijke proceskosten waren gemaakt.
De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding daarom af, maar wees erop dat de minister wel verplicht is het betaalde griffierecht van €53 te vergoeden. Verzoeker werd geadviseerd zich hiervoor tot de minister te wenden.
De uitspraak werd gedaan door rechter G. de Jong op 2 juni 2026 en is zonder zitting uitgesproken.
Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen, maar griffierecht van €53 wordt vergoed.