Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiseres
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, het college
[naam], uit [plaats] .
Samenvatting
Procesverloop
20 januari 2025 een nieuw besluit op bezwaar genomen (het bestreden besluit), waarbij het college het bezwaar ongegrond heeft verklaard en het afwijzingsbesluit onder aanpassing van de motivering in stand heeft gelaten.
Beoordeling door de rechtbank
- De derde-partij exploiteert een varkenshouderij aan [adres] te [woonplaats] . Het bedrijf ligt in de nabijheid van verschillende Natura 2000-gebieden waaronder het Natura 2000-gebied [naam] .
- Het bedrijf beschikt over een revisievergunning van 7 oktober 2014 voor meerdere stallen met een totale ammoniakemissie van 3.208,42 kg NH3/jr. Hierbij zijn ook verklaringen van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven door het college en door het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg. Op 15 februari 2016 heeft het bedrijf een melding op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) ingediend. Dit hield verband met het (in afwijking van de eerdere revisievergunning) volledig traditioneel huisvesten van 1.706 biggen. Dit resulteert in een totale emissie van 3.856,42 kg NH3/jr. Het college heeft deze melding geaccepteerd, omdat de stikstofdepositie onder de toen geldende wettelijke grenswaarde (1 mol/ha/jr) bleef. Op 29 november 2016 is hiervoor ook een omgevingsvergunning verleend.
- Op 29 mei 2019 verklaarde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming (Bnb) onverbindend, omdat het PAS niet voldeed aan de eisen in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn (richtlijn 92/43/EEG). Dat betekende dat voor activiteiten die waren gemeld onder die regeling alsnog een vergunning op basis van de Wnb (de natuurvergunning) nodig was. Zo ook voor het bedrijf van de derde-partij.
- Op 22 april 2021 heeft het bedrijf bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een verzoek tot legalisatie ingediend.
- Op 24 augustus 2021 heeft eiseres het college verzocht handhavend op te treden tegen 50 bedrijvenlocaties, waaronder het bedrijf van de derde-partij. Naar aanleiding hiervan heeft de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant op 22 november 2021 een controle uitgevoerd. Ook op 24 juli 2024 heeft de Omgevingsdienst een controle bij het bedrijf van de derde-partij uitgevoerd.
De Afdeling ziet echter in (1) de individuele belangen van de PAS-melders, (2) de rechtszekerheid die PAS-melders aan het PAS-regime mochten ontlenen, (3) de verschillende uitlatingen van de overheid na de PAS-uitspraak dat PAS-melders zullen worden gelegaliseerd, (4) het legalisatieprogramma dat ervan uitgaat dat medio 2025 alle PAS-melders een natuurvergunning kunnen aanvragen, en (5) het feit dat het legalisatieprogramma in uitvoering is en de bedrijven daarin de mogelijke stappen hebben ondernomen, bijzondere omstandigheden die voor het college aanleiding kunnen zijn om handhavend optreden onevenredig te achten in verhouding tot het natuurbelang en tot medio 2025 af te zien van handhavend optreden. Of daadwerkelijk kan worden afgezien van handhavend optreden, kan het college echter pas beoordelen nadat het de vraag heeft beantwoord of er een redelijk evenwicht is tussen de belangen van de PAS-melders en de belangen die worden gediend met handhavend optreden (het natuurbelang). Hiervoor is nodig dat de gevolgen van het niet handhavend optreden voor de natuur in beeld zijn en zijn afgewogen voor tenminste dezelfde periode, dus tot uiterlijk medio 2025. Aan het natuurbelang kan in die afweging tegemoet worden gekomen door het treffen van maatregelen. Als daarvoor wordt gekozen dan moeten die maatregelen ten minste gelden tot medio 2025. Wanneer die maatregelen inhouden dat bepaalde activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken stoppen, moet vaststaan dat in die periode de activiteiten die zijn betrokken in de maatregelen, niet kunnen worden hervat.”
Daarnaast is in het bestreden besluit geen aandacht besteed aan de staat van instandhouding van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De waardering van dit belang vergt meer dan een abstracte berekening van de tijdswinst die kan worden geboekt met handhavend optreden. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in rechtsoverweging 9.3 van de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024 [3] .
’s-Hertogenbosch oordeelde hetzelfde in rechtsoverweging 3.2.3.8 van het arrest van
17 februari 2026 [4] : “
Op grond van voormeld artikel is op 28 februari 2022 het Legalisatieprogramma PAS-meldingen vastgesteld. [X B.V] heeft een aanvraag tot legalisatie gedaan. Na afloop van de periode van 3 jaar, op 28 februari 2025, heeft dit programma voor veel PAS-melders, waaronder [X B.V], niet tot legalisatie van hun activiteiten (projecten) geleid omdat er te weinig stikstofruimte beschikbaar was om de activiteiten van alle PAS-melders te legaliseren als bedoeld in artikel 22.21. Ow.”Het bestreden besluit is om deze drie redenen onvoldoende gemotiveerd.
BWL 2006.07.V1) vergt een aanzienlijke investering en is bovendien in afwijking van artikel 3.99 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, omdat dit systeem niet wordt genoemd in bijlage VI. Het college heeft echter niet kunnen aangeven welke betekenis wordt gehecht aan dit belang.
- In intrekkingszaken, waaronder de eerdergenoemde uitspraak van 16 april 2025, heeft de rechtbank overwogen dat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn niet absoluut is maar wordt beperkt door artikel 17 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.. De rechtbank is bovendien bekend met het feit dat eiseres in andere zaken zich bereid heeft verklaard om water bij de wijn te doen als er maar maatregelen worden genomen. Dit is onder meer het geval in de zaak SHE 25/579 waar vandaag om die reden een tussenuitspraak wordt gedaan. Overleg kan een snellere route zijn naar het door eiseres gewenste natuurherstel.
- In navolging van rechtsoverweging 3.20 van het eerdergenoemde arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch wijst de rechtbank de derde-partij erop dat de vrijheid van ondernemerschap en het recht op ongestoord genot van eigendom niet onbeperkt zijn, maar worden beperkt door artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Van de derde-partij mag dus enige inspanning worden verwacht, zeker nu de wetgever en de rechtspraak geen aanleiding hebben gezien voor een generaal pardon voor PAS-melders.
- Het college heeft er terecht op gewezen dat het aan de landelijke wetgever is om stappen te maken in dit traject, maar de provincie Noord-Brabant heeft ook strenge eisen gesteld aan de stalsystemen van nieuwe stallen in artikel 3.99 van de Omgevingsverordening. Dit beperkt de derde-partij bij het renoveren van stal 1. Het college is wel het bevoegd gezag bij de verlening van de (eventueel) noodzakelijke natuurvergunning ter legalisatie.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen binnen zes maanden na dagtekening van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,00 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan eiseres.