ECLI:NL:RBOBR:2026:4077

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/01/408098 / HA ZA 24-571
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:17 lid 1 BWArt. 3:303 BWArt. 6:119 BWArt. 1992 (oud) BWArt. 2000 lid 1 (oud) BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eigendom van gemeentelijke grondstrook verkregen door verjaring onder oud recht

In deze civiele zaak stond de vraag centraal wie eigenaar is van een strook grond grenzend aan het perceel van de buren. Gemeente Bernheze stelde eigenaar te zijn van de grond, terwijl de buren stelden dat zij sinds 1971 onafgebroken bezit hadden en daardoor eigenaar waren geworden door verjaring onder het oude recht.

De rechtbank stelde vast dat de buren de grondstrook als onderdeel van hun voortuin gebruikten, deze hadden omheind met een vuurdoornhaag, beplant en bestraat als verlengde van de oprit. De gemeente had de buren in 1981 zelfs verzocht de haag te verlagen, wat duidt op erkenning van het bezit door de buren. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van onafgebroken, openbaar, ondubbelzinnig en te goeder trouw bezit sinds 1971.

De verjaringstermijn van twintig jaar onder het oude Burgerlijk Wetboek was ruimschoots verstreken, waardoor de buren eigenaar zijn geworden van de grondstrook. De vorderingen van de gemeente werden afgewezen, terwijl de verklaring voor recht van de buren werd toegewezen. De rechtbank veroordeelde de gemeente tot betaling van de proceskosten en wees de vordering tot medewerking aan inschrijving in de openbare registers af wegens gebrek aan belang.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de buren eigenaar van de grondstrook door verjaring en wijst de vorderingen van de gemeente af.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/408098 / HA ZA 24-571
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Bernheze,
te Heesch,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
advocaten: mr. W. Leistra en mr. K. de Milde,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
advocaat: mr. R. van der Pas .
Partijen zullen hierna “Gemeente Bernheze” en “ [gedaagden] ” genoemd worden.
De zaak in het kort
In deze zaak gaat het om de vraag wie eigenaar is van een strook grond voor de woning van [gedaagden] . Volgens Gemeente Bernheze is de strook grond van haar, omdat de strook grond onderdeel is van haar kadastrale perceel. Volgens [gedaagden] behoort de betwiste strook grond aan haar toe, omdat zij de strook grond al sinds 1971 in bezit heeft en daarom via verjaring eigenaar is geworden daarvan.
De rechtbank stelt [gedaagden] in het gelijk. De rechtbank oordeelt dat de [gedaagden] eigenaar is geworden van de grondstrook als gevolg van verjaring. In dit vonnis legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met 1 productie;
- de conclusie van antwoord (tevens houdende eis in reconventie), met 15 producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de brief van de rechtbank van 6 februari 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 14 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en bij welke gelegenheid de advocaten spreekaantekeningen hebben voorgedragen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Gemeente Bernheze is eigenaresse van het perceel, kadastraal bekend als [plaats] , [kadastrale aanduiding 1] . Op dit perceel is een openbaar trottoir en straat gelegen (ter plaatse bekend als de “ [straat 1] ”).
2.2.
De [gedaagden] is sinds 2 april 1971 eigenaar van het aangrenzende perceel, kadastraal bekend als [plaats] , [kadastrale aanduiding 2] , met daarop het woonhuis. Het is gelegen aan het adres “ [straat 1] [nummer] ”. Het perceel is een hoekperceel. Aan de andere zijde van het hoekperceel is de “ [straat 2] ” gelegen.
2.3.
De [gedaagden] heeft een strook van het perceel ( [kadastrale aanduiding 1] ) van Gemeente Bernheze in gebruik. De bedoelde strook is zichtbaar (rood omrand) op onderstaande luchtfoto: [1]
2.4.
De [gedaagden] gebruikt de litigieuze grondstrook als gedeelte van de voortuin en verlengd stuk van de oprit naar het woonhuis.
2.5.
In 1971 heeft de [gedaagden] de grondstrook beplant met een vuurdoornhaag (in de voortuin) en bestraat met grondtegels (op het gedeelte aan de oprit).
2.6.
In het verleden hebben er op de strook zes bomen (bolesdoorns) gestaan. [2] Deze zijn tussen 1984 en 1987 aangeplant. Zij zijn in de huidige situatie niet meer zichtbaar.
2.7.
In het verleden heeft er achter de vuurdoornhaag, op de hoek van de voortuin die grenst aan de oprit, een boom (Canadese esdoorn) gestaan. Deze is in de huidige situatie niet meer zichtbaar.
2.8.
Op 13 maart 2024 heeft de gemachtigde van Gemeente Bernheze de [gedaagden] aangeschreven over het gebruik van de strook grond. Volgens Gemeente Bernheze is dit gemeentegrond.
2.9.
Op 11 april 2024 heeft de gemachtigde van de [gedaagden] zich per e-mail aan de gemachtigde van Gemeente Bernheze op het standpunt gesteld dat [gedaagden] het gebruik van de bedoelde grondstrook niet zal staken en dat zij de strook niet van de Gemeente wenst te kopen, nu zij door verjaring eigenaar is geworden van de strook.
2.10.
Verdere correspondentie tussen partijen heeft niet tot een wijziging van de over en weer ingenomen standpunten geleid.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Gemeente Bernheze vordert - samengevat - het volgende:
I. een verklaring voor recht dat Gemeente Bernheze eigenaar is van het volledige kadastrale perceel gemeente [plaats] [kadastrale aanduiding 1] , inclusief het gedeelte zoals aangeduid in de dagvaarding (rood omrand onder randnummer 7 dagvaarding); [3]
II. een veroordeling van de [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis het gebruik van de onder punt 1 genoemde gemeentegrond te staken en gestaakt te houden en om al haar zaken hiervan te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom;
III. een veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
3.2.
De [gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Gemeente Bernheze, met veroordeling van Gemeente Bernheze in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
De [gedaagden] heeft in reconventie – na vermeerdering van eis ten tijde van de mondelinge behandeling – gevorderd:
I. dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagden] door verjaring eigenaar is geworden van het litigieuze perceelgedeelte.
II. dat de Gemeente wordt veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan het op haar kosten verlijden van een notariële akte waarmee de kadastrale eigendomsverhoudingen in overeenstemming kunnen worden gebracht met de juridische werkelijkheid.
III. dat de Gemeente – voorwaardelijk – wordt veroordeeld tot betaling aan Van der Pas een bedrag van € 5.051,75.
3.5.
Gemeente Bernheze voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig voor de beoordeling, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Vanwege de onderlinge samenhang bespreekt de rechtbank de vorderingen van Gemeente Bernheze en van de [gedaagden] gezamenlijk.
Van belang is of de strook grond door verjaring is verkregen
4.2.
De kern van het geschil betreft de vraag wie thans eigenaar is van de strook grond.
4.3.
De gemeente vordert in conventie namelijk dat voor recht wordt verklaard dat zij (nog altijd) eigenaresse is van de strook grond, omdat die bij haar kadastrale perceel hoort.
4.4.
De [gedaagden] stelt daarentegen dat zij eigenaar is geworden van de strook, door verkrijgende, dan wel bevrijdende verjaring. De [gedaagden] voert daartoe aan dat zij vanaf 1971 verscheidene bezitsdaden heeft verricht. Zo heeft zij dat de voorkant van haar (voor)tuin geheel omheind met een ondoordringbare vuurdoornhaag. Daardoor behoort de strook feitelijk bij de voortuin van haar perceel. Daarnaast heeft de familie de grondstrook (in het verleden) ook met andere bomen beplant, heeft zij de beplanting altijd onderhouden en heeft zij een gedeelte van de strook bestraat (als verlengde van de oprit).
De strook grond is vanaf de openbare weg niet meer (gemakkelijk) toegankelijk voor de gemeente. Volgens de [gedaagden] is de strook grond dus sinds 1971 onafgebroken onderdeel van haar tuin is geweest en daardoor onafgebroken in haar bezit is geweest. Er is sprake van goede trouw. De sinds 1971 aangevangen verjaringstermijn is inmiddels ruimschoots voltooid, waardoor aan de vereisten voor eigendomsverkrijging door verjaring is voldaan. Daarom vordert de [gedaagden] in reconventie dat de rechtbank voor recht verklaart dat zij eigenaar is geworden. Voor het geval dat de rechtbank oordeelt dat de strook aan de Gemeente toebehoort (dus voor het geval dat de Gemeente Bernheze in conventie gelijk krijgt), vraagt de [gedaagden] om Gemeente Bernheze te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.051,75, uit hoofde van zaakwaarneming, omdat de familie onderhoud aan de beplanting op de grondstrook sinds 1971 voor haar rekening heeft genomen.
4.5.
Gemeente Bernheze betwist dat sprake is van (ondubbelzinnig) bezit en stelt dat er geen sprake is van goede trouw aan de zijde van de gebruikers van de strook, zodat niet voldaan is aan de voorwaarden voor eigendomsverkrijging door verjaring.
Juridisch kader verkrijging door verjaring; oud recht
4.6.
Volgens [gedaagden] is zij door verjaring eigenaar geworden en is de verjaringstermijn in 1971 begonnen. Destijds was het oude Burgerlijk Wetboek nog van toepassing. Toen gold dat voor een verkrijging een onafgebroken bezit van twintig jaren nodig was. Als de rechtbank het standpunt van [gedaagden] volgt, houdt dat in dat de verjaring in 1991 (te weten twintig jaren na 1971) is voltooid. Toen gold nog steeds het oude recht. De rechtbank moet de verjaring dan ook geheel beoordelen naar oud recht.
4.7.
Voor verkrijgende verjaring was onder het oude recht nodig dat er sprake is van voortdurend, onafgebroken, ongestoord, openbaar, ondubbelzinnig en te goeder trouw bezit als eigenaar. In het oude Burgerlijk Wetboek was opgenomen dat er ‘niet-dubbelzinnig’ bezit moest zijn. [4] Kort samengevat wordt daarmee bedoeld dat de eigenaar – tegen wie de verjaring loopt - niet anders kan dan er vanuit gaan dat de bezitter eigenaar pretendeert te zijn. [5] Het vereiste van ‘bezit’ onder het nieuwe recht wordt niet anders ingevuld dan onder het oude recht. [6] De vraag of sprake is van bezit, moet worden beoordeeld naar verkeersopvatting. De rechtbank moet dan ook beoordelen of uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang bezien, volgt dat naar verkeersopvatting sprake is van bezit.
4.8.
De rechtbank overweegt tot slot dat voor verjaring onder het oude recht altijd goede trouw nodig was. [7] Onder het oude recht kon een bezitter te kwader trouw namelijk niet door verjaring eigenaar worden. Dit alles betekent dat de bezitter onder het oude recht, in ieder geval ten tijde van de verkrijging, te goeder trouw moest zijn. De rechtbank zal hieronder dan ook aandacht besteden aan de vraag (i) of er sprake is van bezit en (ii) of er sprake is van goede trouw.
Bezit door de [gedaagden]
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van bezit van de strook grond door [gedaagden] en overweegt hiertoe als volgt.
4.10.
De strook grond is onderdeel van de voortuin van [gedaagden] . Niet in geschil is dat de voortuin van de [gedaagden] , en daarmee de strook grond, in 1971 is omheind met een vuurdoornhaag, welke haag nog steeds op diezelfde plek aanwezig is. Evenmin is in geschil dat op de strook in het verleden (ook) andere beplanting heeft gestaan. Ook staat vast dat de [gedaagden] de vuurdoornhaag sinds 1971 heeft onderhouden. Verder staat vast dat er het uiterste gedeelte van de strook door de [gedaagden] is bestraat als (laatste gedeelte van de) oprit. De kleur en vorm van de grondtegels van de oprit zijn in het verleden aangepast, maar vast staat dat dit gedeelte van de strook altijd in gebruik is geweest als (laatste gedeelte van de) oprit.
4.11.
De rechtbank overweegt dat de strook grond visueel één geheel vormt met het perceel van de [gedaagden] . De strook is daar naar uiterlijke kenmerken onderdeel van. Dit wordt bevestigd door de foto’s die in het geding zijn gebracht. [8]
4.12.
Voor de vraag of sprake is van bezit, kan ook relevant zijn of de strook grond is afgescheiden door een ondoordringbare omheining. Partijen twisten over de vraag of de aanwezige vuurdoornhaag een ondoordringbare omheining vormt. In het bijzonder verschillen partijen van mening over de exacte hoogte van deze haag. Volgens de [gedaagden] heeft de haag een hoogte van circa 85 tot 90 centimeter (en heeft de haag deze hoogte vrijwel consequent gehad, al heeft de hoogte in het verleden iets heeft gevarieerd al naar gelang snoeimomenten). Volgens de Gemeente is de haag slechts 75 tot 77 centimeter hoog. Volgens de Gemeente is de haag dus niet ondoordringbaar. [gedaagden] stelt echter dat de ondoordringbaarheid niet alleen komt door hoogte van de haag, maar ook door de prikkels van de takken.
4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank valt er over de haag, ook uitgaande van de hoogte zoals door Gemeente Bernheze genoemd, in ieder geval niet gemakkelijk heen te stappen. Bovendien is de ondoordringbaarheid van een erfafscheiding op zichzelf niet beslissend. Het gaat erom hoe gehele situatie naar verkeersopvatting moet worden opgevat. De rechtbank overweegt dat de haag klaarblijkelijk bedoeld en in ieder geval geschikt is om de tuin af te scheiden en zodoende aan [gedaagden] het exclusieve gebruik van die tuin te verschaffen. Er is door de haag dus een feitelijke afscheiding ontstaan.
4.14.
De rechtbank neemt bovendien in aanmerking dat de [gedaagden] – naar haar onweersproken stelling – de vuurdoornhaag op verzoek van (de rechtsvoorganger van) Gemeente Bernheze in circa het jaartal 1981 heeft verlaagd. Volgens [gedaagden] was de haag op dat moment meer dan 100 centimeter hoog en heeft zij de haag verlaagd tot circa 77 centimeter hoog. De rechtsvoorganger van Gemeente Bernheze (in de persoon van wijlen de heer [A] ) had de [gedaagden] immers verzocht de haag te verlagen in verband met de verkeersveiligheid en overzichtelijkheid van het kruispunt van de [straat 1] en de [straat 2] , en de familie gaf daaraan direct gehoor. De rechtbank overweegt dat, gelet op deze omstandigheden, de hoogte van de haag niet afdoet aan de eigendomspretentie van de [gedaagden] . Ook de Gemeente heeft gehandeld alsof de [gedaagden] eigenaar was van de strook: als de Gemeente in 1981 had gemeend dat de strook haar eigendom was, had zij de haag namelijk zelf kunnen inkorten. Het is niet gesteld of gebleken dat dit is gebeurd.
4.15.
Partijen hebben voorts gediscussieerd over de bolesdoorns die door de [gedaagden] zijn geplaatst. De [gedaagden] heeft tussen 1984 en 1987 zes bolesdoorns (‘Acer platanoides Globosum’) geplaatst, direct achter de vuurdoornhaag. De [gedaagden] stelt dat zij dit heeft gedaan in overleg met wijlen de heer [A] , toenmalige medewerker van de rechtsvoorganger van Gemeente Bernheze, omdat de stoep anders te smal zou worden voor voetgangers. De [gedaagden] heeft de kosten voor het aanplanten van de zes bolesdoorns – naar haar onweersproken stelling – voor haar rekening genomen. Gemeente Bernheze heeft deze feitelijke gang van zaken niet betwist, maar heeft erop gewezen dat aan het plaatsen van de bolesdoorns kennelijk een afspraak met de (rechtsvoorganger van) de Gemeente ten grondslag heeft gelegen. Zij stelt zich vervolgens op het standpunt dat een dergelijke afspraak (eerder) duidt op houderschap van de strook door de familie en niet op bezit. Aan de Gemeente Bernheze kan worden toegegeven dat afspraken tussen een eigenaar en een gebruiker een aanwijzing kunnen zijn voor houderschap. De rechtbank vindt dat dat hier niet het geval is. De enkele omstandigheid dat er een afspraak is gemaakt met de Gemeente over het plaatsen van bolesdoorns, maakt nog niet maakt dat er geen bezit is. De [gedaagden] pretendeerde eigenaar te zijn en de Gemeente heeft dit ook zo opgevat: zij had anders geen overleg met de [gedaagden] nodig gehad om de bolesdoorns te plaatsen. Daarom doet deze afspraak niet af aan de eigendomspretentie van de [gedaagden] .
4.16.
Gemeente Bernheze heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat zij het gebruik van de grondstrook door de [gedaagden] heeft gedoogd. Volgens de Gemeente is dit impliciet gebeurd, zonder een formele (gedoog)beslissing. Voor zover de gemeente heeft betoogd dat (reeds) daarom geen sprake kan zijn van een ondubbelzinnige bezitspretentie dan wel van een geslaagde verjaring, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Als er al sprake is geweest van door de gemeente gedoogd gebruik van de strook grond door de [gedaagden] , dan leidt dat niet automatisch tot de gevolgtrekking dat van een bezitsdaad van de gebruiker nooit meer sprake kan zijn. Wanneer dat gebruik, beoordeeld naar objectieve en uiterlijk waarneembare omstandigheden als hiervoor omschreven, kwalificeert als bezit, en het ‘gedogen’ niet meer inhoudt dan niet optreden, verhindert dat gedogen de loop van een eigendomsverkrijging door verjaring niet. Er mogen wellicht zwaardere eisen worden gesteld aan een bezitspretentie met betrekking tot een strook publieke eigendom, maar dat wil nog niet zeggen dat er nooit sprake kan zijn van een valide bezitspretentie van de gebruiker van een strook publieke eigendom. De omstandigheden van het geval zijn bepalend.
4.17.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de [gedaagden] zich, door het plaatsen van de haag als omheining en overige beplanting, het onderhouden daarvan en het bestraten van de oprit, alsook door de grondstrook visueel onderdeel te maken van haar perceel – in samenhang en in onderling verband bezien - op zodanige manier gedragen dat zij naar verkeersopvatting pretendeert eigenaar te zijn van de strook. Er is, gelet op dit samenstel van bezitsdaden, naar verkeersopvatting sprake van niet-dubbelzinnig bezit.
Goede trouw van de [gedaagden]
4.18.
Zoals de rechtbank in r.o. 4.8 (slot) heeft overwogen, is voor een geslaagd beroep op verjaring onder oud recht nodig dat sprake is van goede trouw aan de zijde van de bezitter.
4.19.
De [gedaagden] heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat zij te goeder trouw is. Zij heeft haar standpunt onderbouwd door erop te wijzen dat het openbare trottoir al was aangelegd op het moment dat zij van start ging met het aanplanten van de tuin. Zij voert – kort samengevat - aan dat zij ervan uitging dat het trottoir precies was aangelegd tot aan haar perceelsgrens. Daarom heeft zij (althans haar hovenier) de vuurdoornhaag tot aan het reeds aangelegde trottoir geplant. [gedaagden] heeft bovendien toegelicht dat aan de andere kant - namelijk de zijkant - van haar hoekperceel, aan de [straat 2] , de stoep van de gemeente exact tot aan de perceelsgrens is gelegd. Daarom mocht de [gedaagden] er vanuit gaan dat dat ook aan de voorzijde van haar perceel was gebeurd en daarom heeft zij te goeder trouw ook de voortuin aangeplant tot aan het trottoir. De [gedaagden] benadrukt dat zij er al die tijd vanuit is gegaan dat zij haar vuurdoornhaag geheel op haar eigen perceel had geplaatst en dat zij er pas mee bekend is geworden dat de strook grond aan de voorzijde van haar perceel mogelijk eigendom van de gemeente was, toen de gemeente haar meer dan vijftig jaar na ingebruikneming naar aanleiding van een gemeentelijk onderzoek naar ‘reststroken’ aanschreef. De gemachtigde van [gedaagden] heeft zich bovendien op het standpunt gesteld dat de kennis van een particuliere burger over de exacte ligging van de perceelsgrenzen in dit geval niet gelijk kan worden gesteld aan de kennis van de gemeente als wederpartij.
4.20.
Gemeente Bernheze heeft deze feitelijke gang van zaken niet weersproken, maar heeft zich slechts op het standpunt gesteld dat die feitelijke omstandigheden nog niet maken dat er juridisch gezien sprake is van goede trouw.
4.21.
De rechtbank overweegt dat de [gedaagden] voldoende heeft gemotiveerd waarom zij te goeder trouw was. De [gedaagden] heeft voldoende toegelicht op basis van welke feiten en omstandigheden zij ervan uit ging dat de perceelsgrens zo liep. Het trottoir om haar hoekperceel heen lag daar namelijk al. De perceelsgrens van dit hoekperceel liep aan de zijde van de [straat 2] klaarblijkelijk wel exact gelijk met het aangelegde trottoir. Daarom heeft de familie er vanuit mogen gaan dat de perceelsgrens, ook aan de zijde van de [straat 1] , doorliep tot aan het trottoir. De Gemeente heeft hier niets tegenover gesteld. Zij heeft niet weersproken dat het trottoir zo liep, en zij heeft ook geen andere feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat geen sprake is van goede trouw. Niet gesteld of gebleken is dat uit de in de openbare registers ingeschreven akten volgt dat de erfgrens niet tot het trottoir liep.
4.22.
Het moet er dus voor worden gehouden dat de [gedaagden] te goeder trouw was op het moment dat zij de bedoelde grondstrook van het perceel van de gemeente aan de zijde van de [straat 1] in bezit heeft genomen.
Conclusie: het beroep op verjaring gaat op
4.23.
Zoals hiervoor is overwogen, is er naar het oordeel van de rechtbank aan de vereisten van bezit en goede trouw voor verjaring onder oud recht voldaan. Tot slot staat vast dat de verjaringstermijn van twintig jaren is verstreken.
4.24.
Al met al concludeert de rechtbank dat het beroep van de [gedaagden] op eigendomsverkrijging door verjaring slaagt. De [gedaagden] is dus eigenaar van de strook grond.
4.25.
Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van de Gemeente worden afgewezen. De in reconventie gevorderde verklaring voor recht van de [gedaagden] zal worden toegewezen.
Vordering tot medewerking aan de inschrijving
4.26.
Tot slot heeft [gedaagden] gevorderd om Gemeente Bernheze te veroordelen tot medewerking aan het op haar kosten verlijden van een notariële akte waarmee de verjaringsverkrijging in de openbare registers kan worden ingeschreven.
4.27.
Het is onduidelijk waarom [gedaagden] dit – naast de gevraagde verklaring voor recht – vordert. Op grond van het bepaalde in artikel 3:17 lid 1 aanhef Pro en sub e Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen rechterlijke uitspraken die de rechtstoestand van registergoederen betreffen, worden ingeschreven in de openbare registers, mits zij uitvoerbaar bij voorraad zijn of een verklaring van de griffier wordt overgelegd, dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat of dat hem drie maanden na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken. Nu in dit vonnis de door [gedaagden] gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen, is dit vonnis aan te merken als een rechterlijke uitspraak die kan worden ingeschreven in de openbare registers als bedoeld in artikel 3:17 lid 1 aanhef Pro en sub e BW. Voor de inschrijving in de openbare registers op deze grondslag is – zoals door Gemeente Bernheze terecht is aangevoerd – geen medewerking van Gemeente Bernheze vereist. De vordering tot medewerking zal dan ook worden afgewezen bij gebrek aan belang als bedoeld in artikel 3:303 BW Pro. Een en ander betekent dat [gedaagden] het vonnis, indien gewenst, zelf in het register kan inschrijven.
Tot slot
4.28.
Omdat de conventionele vorderingen van Gemeente Bernheze worden afgewezen, komt de rechtbank niet toe aan de voorwaardelijke reconventionele vordering van [gedaagden] . Deze aan deze vordering verbonden voorwaarde was immers het toewijzen van de conventionele vorderingen van Gemeente Bernheze en die voorwaarde is niet vervuld.
Proceskosten
4.29.
Gemeente Bernheze is zowel in conventie als in reconventie (grotendeels) in het ongelijk gesteld. Daarom moet zij de proceskosten betalen.
4.30.
De proceskosten van [gedaagden] (in conventie) worden als volgt begroot:
- griffierecht
320,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.815,00
4.31.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.32.
De proceskosten in reconventie worden als volgt vastgesteld. Gelet op de samenhang tussen de vordering in reconventie en de vordering in conventie, zal er aan de conclusie van antwoord en aan de mondelinge behandeling slechts een half punt worden toegekend voor het gemachtigdensalaris dat toepasselijk is op de vordering. Dat betekent dat de proceskosten in reconventie worden begroot op € 653,00 (0,5 x 2 punten x € 653,00).
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
4.33.
De [gedaagden] heeft bij conclusie van antwoord in algemene bewoordingen gevraagd om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de [gedaagden] de eis in reconventie vermeerderd met de verklaring voor recht. De rechtbank begrijpt hieruit dat de [gedaagden] heeft bedoeld te vragen om (ook) de verklaring voor recht uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.34.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. In het algemeen kan een verklaring voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat dit doorgaans een beslissing is die niet ten uitvoer kan worden gelegd. Dat is in deze zaak anders. De verklaring voor recht is een rechterlijke uitspraak die de rechtstoestand van een registergoed betreft. Een dergelijke uitspraak kan worden ingeschreven in de openbare registers als deze onherroepelijk is of uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, zoals is overwogen onder r.o. 4.27.
4.35.
Bij de beoordeling of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard, weegt de rechtbank de belangen van partijen af in het licht van de omstandigheden van het geval. Mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staan op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar moeten (slechts) meegewogen worden.
4.36.
Gemeente Bernheze heeft zich uitgebreid verweerd tegen een uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis. Zij voert aan dat het belang van de rechtszekerheid zich ertegen verzet dat een (declaratoir vonnis over) eigendomsverkrijging wordt ingeschreven in de openbare registers terwijl tegen het vonnis nog een rechtsmiddel openstaat.
4.37.
Daarentegen is door de [gedaagden] haar belang bij een uitvoerbaar bij voorraadverklaring onvoldoende toegelicht. De [gedaagden] heeft geen argumenten aangevoerd waarom het vonnis al spoedig moet kunnen worden ingeschreven, terwijl een eventueel hoger beroep niet kan worden afgewacht. Gelet op het voorgaande zal de gevorderde verklaring voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
4.38.
De rechtbank zal slechts de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, een en ander zoals onder de beslissing is weergegeven.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van Gemeente Bernheze af,
5.2.
veroordeelt Gemeente Bernheze in de proceskosten van € 1.815,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Gemeente Bernheze niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Gemeente Bernheze tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
in reconventie
5.4.
verklaart voor recht dat [gedaagden] door verjaring eigenaar is geworden van het gedeelte van het kadastrale perceel ‘ [plaats] [kadastrale aanduiding 1] ’, zoals rood omrand in de afbeelding weergegeven onder r.o. 2.3 van dit vonnis;
5.5.
veroordeelt Gemeente Bernheze in de proceskosten van € 653,00;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in conventie en in reconventie
5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2, 5.3 en 5.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.N. van Haren en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Voetnoten

1.Dagvaarding, nr. 8, pagina 3.
2.Zoals weergegeven in Productie 7 bij Conclusie van Antwoord.
3.De aangehaalde afbeelding is weergegeven onder r.o. 2.3 van dit vonnis.
4.Zie artikel 1992 (oud) BW.
5.Zie artikelen 1992 en 2000 (oud) BW en HR 14 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0826.
6.Zie bijv. de conclusie van de PG van 27 februari 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BH1634.
7.Zie artikelen 2000 lid 1 en 2003 (oud) BW.
8.Zie de foto’s bij productie 7 en 11 bij Conclusie van Antwoord en de foto’s in de bijlage bij de spreekaantekeningen van de gemachtigden van Gemeente Bernheze ter terechtzitting.