ECLI:NL:PHR:2009:BH1634
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen verkrijgende verjaring door inbezitneming van perceel grond
In deze zaak stond centraal de vraag of eiser door verkrijgende verjaring eigenaar was geworden van een perceel grond gelegen naast zijn eigendom. Eiser stelde dat hij en zijn rechtsvoorgangers het perceel gedurende meer dan 30 jaar feitelijk in bezit hadden gehad en dat de eigenaar geen stuitingshandeling had verricht. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat eiser eigenaar was geworden door verjaring.
Het hof vernietigde dit vonnis na een descente ter plaatse, waarbij werd vastgesteld dat de schuttingen tussen de percelen niet door brand waren verloren gegaan maar deels waren blijven staan. Het hof concludeerde dat de door eiser verrichte werkzaamheden zoals het zaaien van gras, plaatsen van bielzen en het aanleggen van een border niet konden worden aangemerkt als bezitsdaden die het bezit van de oorspronkelijke eigenaar hadden opgeheven. Ook het feit dat de nooduitgang van het pand van de eigenaar via het perceel bereikbaar bleef, speelde een belangrijke rol.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en benadrukte dat voor verkrijgende verjaring bezit vereist is dat naar verkeersopvatting de machtsuitoefening van de inbezitnemer het bezit van de oorspronkelijke bezitter te niet doet. De feitelijke situatie en uiterlijke gedragingen zijn daarbij bepalend, niet de interne wil. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en verklaarde dat geen sprake was van een voltooide verkrijgende verjaring.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat geen sprake is van verkrijgende verjaring omdat de machtsuitoefening niet het bezit van de oorspronkelijke eigenaar heeft opgeheven.