ECLI:NL:RBOBR:2026:4080

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
11977582 EJ VERZ 25-659
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:98 BWArt. 6:101 BWArt. 6:96 BWArt. 7:954 BWArt. 1019w Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aansprakelijkheid werkgever voor val van vlizotrap na arbeidsongeval

Verzoekster stelde dat de val van een vlizotrap in 2022 een gevolg was van een arbeidsongeval in 2020, waarbij zij haar linkerwijsvinger had beschadigd. Zij vorderde dat de werkgever aansprakelijk werd gehouden voor de schade door de val, omdat zij door het handletsel de trapleuning niet goed kon vasthouden.

De kantonrechter beoordeelde het causaal verband tussen het arbeidsongeval en de val. Uit medische rapporten bleek dat verzoekster beperkingen en pijnklachten had aan de linkerhand, maar dat zij geen beperkingen had bij traplopen of evenwicht. De val ontstond doordat haar voet weggleed, waarna zij reflexmatig met de linkerhand de leuning probeerde vast te pakken, maar daarbij haar pijnlijke vinger stootte.

De kantonrechter vond het onvoldoende aannemelijk dat zonder het handletsel de val niet zou hebben plaatsgevonden. De val was al ingezet voordat zij de linkerleuning greep. Er waren geen concrete aanwijzingen dat zij met een gezonde hand de val had kunnen voorkomen of beperken. De val werd aangemerkt als een huis-tuin-en-keukenongeluk binnen de risicosfeer van verzoekster.

Daarom werd het causaal verband tussen het arbeidsongeval en de val niet aangenomen en de aansprakelijkheid van de werkgever afgewezen. De kosten van de procedure werden begroot maar niet toegewezen aan verzoekster, omdat de aansprakelijkheid niet was vastgesteld.

Uitkomst: Verzoek tot aansprakelijkheid werkgever voor val van vlizotrap na arbeidsongeval wordt afgewezen wegens ontbreken causaal verband.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer / rekestnummer: 11977582 \ EJ VERZ 25-659
Beschikking van 15 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster],
te [woonplaats] , [land] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: “ [verzoekster] ”,
gemachtigde: mr. A. Kolder,
tegen

1.TOTAL BERRY PACKING B.V.,

te Helenaveen,
2.
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
te Apeldoorn,
verwerende partijen,
hierna te noemen: “Total Berry” en “Achmea”,
gemachtigde: mr. L. Hilhorst.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties (genummerd 1 t/m 6),
- het verweerschrift met producties (genummerd 1 t/m 4),
- een aanvullend urenoverzicht aan de zijde van [verzoekster] ,
- de mondelinge behandeling van 18 mei 2026, die hybride heeft plaatsgevonden omdat [verzoekster] online, via Teams, aan de mondelinge behandeling heeft deelgenomen.
1.2.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten nader toegelicht, waarbij de gemachtigde van Total Berry en Achmea gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van dat wat tijdens de mondelinge behandeling verder is besproken.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1.
Aanleiding van dit deelgeschil is een verschil van mening over de samenhang tussen het [verzoekster] op 15 juli 2020 overkomen arbeidsongeval bij Total Berry, waarbij zij het topje van haar linker wijsvinger verloor, en het haar op 13 augustus 2022 overkomen tweede ongeval. Bij het tweede ongeval viel [verzoekster] bij haar moeder thuis van een vlizotrap, toen zij met haar voet weggleed en zich met haar - bij het eerdere arbeidsongeval uit 2020 - gekwetst geraakte linkerhand vergeefs vast wilde pakken aan de trapleuning. Bij de val van de vlizotrap heeft zij haar linker scheen- en kuitbeen gebroken.
2.2.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter in deze procedure een oordeel te geven over haar stellingen dat er een causaal verband bestaat tussen het arbeidsongeval in 2020 en de val van de trap in 2022, en dat Total Berry daardoor ook schadeplichtig is jegens [verzoekster] met betrekking tot de gevolgen van dit tweede ongeval in 2022.
2.3.
Achmea is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Total Berry. Zij heeft aansprakelijkheid namens Total Berry erkend voor het arbeidsongeval in 2020 en de schaderegeling op zich genomen.
[verzoekster] heeft op grond van artikel 7:954 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) een ‘directe actie’ jegens Achmea. Lid 3 van art. 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat ook de verzekeraar tegen wie een directe actie bestaat, in de deelgeschilprocedure kan worden betrokken.

3.De feiten

3.1.
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1989, was vanaf mei 2020 via uitzendbureau
[bedrijfsnaam 1] werkzaam voor Total Berry. Het betrof productiewerk aan de lopende band. Op 15 juli 2020 raakte [verzoekster] met de vingers van haar linkerhand bekneld tussen de lopende band. Als gevolg hiervan heeft zij het topje van haar linker wijsvinger verloren.
Achmea heeft onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. Uit het toedrachts- onderzoek is gebleken dat Total Berry onvoldoende toezicht heeft gehouden op het naleven van de gegeven instructies. Achmea heeft namens Total Berry aansprakelijkheid erkend en heeft de schade in behandeling genomen. In totaal heeft Achmea inmiddels circa € 53.500, - aan voorschotten aan [verzoekster] verstrekt.
3.2.
Ongeveer 1,5 jaar na het arbeidsongeval is er een stabiele medische eindsituatie
bereikt. De klachten van de linkerhand zijn op gezamenlijk verzoek van partijen in kaart gebracht door hand-, pols- en plastisch chirurg drs. [A] , werkzaam bij het Expertisepunt. Uit het expertiserapport van 27 oktober 2023 volgt dat er sprake is van blijvende beperkingen van de linkerhand en -wijsvinger, waaronder gestoorde tast, pijn en verminderde knijpkracht links ten opzichte van rechts.
3.3.
Op gezamenlijk verzoek van partijen is op 29 juni 2023 een verzekeringsgeneeskundige expertise uitgevoerd door drs. [B] , werkzaam bij [bedrijfsnaam 2] . Op 28 augustus 2023 is het conceptrapport aan partijen toegezonden en op 27 september 2023 is het rapport definitief geworden. Verzekeringsarts [B] stelt op basis van het expertiserapport van [A] vast dat er beperkingen zijn voor hand- en vingergebruik van de linkerhand, waaronder:
“lichte beperkingen voor fijne motorische hand- en vingerbewegingen, repetitieve hand- en vingerbewegingen. Matige beperkingen voor bolgreep, pengreep, sleutelgreep, cilindergreep, knijpkracht, duwen, trekken, tillen en dragen.”
Er worden geen beperkingen aangenomen voor statische handelingen. Ook ten aanzien van traplopen en klimmen worden géén beperkingen aangenomen. [B] voegt ten aanzien van klimmen toe dat [verzoekster] zich hierbij moet vasthouden/steunen met de rechterhand. Daarnaast heeft [B] gerapporteerd over ongevalsvreemd letsel:
“Wel is er eind 2022 sprake geweest van beenletsel (breuken van scheen- en kuitbeen); het spreekt voor zich dat dit in ieder geval tot tijdelijke beperkingen heeft geleid. Ik ben hieromtrent echter niet verder geïnformeerd. Het moge duidelijk zijn dat dit een ongevalsvreemd aspect betreft.”
De opmerkingen over het ongevalsvreemde beenletsel hebben niet tot vragen of opmerkingen geleid aan de zijde van [verzoekster] .
3.4.
Partijen hebben na het afronden van het medisch expertisetraject
vanaf september of oktober 2023 geprobeerd om met elkaar tot een minnelijke regeling
te komen. Op 14 december 2023 heeft een gezamenlijk overleg plaatsgevonden op het kantoor van de voormalige belangenbehartiger van [verzoekster] . [verzoekster] stelde zich toen voor het eerst op het standpunt dat de val van de vlizotrap in augustus 2022 een (indirect) gevolg was van het arbeidsongeval en dat de schade die daaruit voortvloeit aan het arbeidsongeval moet worden toegerekend.
[verzoekster] heeft over de oorzaak van de val gezegd dat zij de vlizotrap op liep en zich daarbij met haar rechterhand vasthield aan de rechterleuning. Halverwege de trap gleed haar voet weg. In een reflex probeerde [verzoekster] met haar linkerhand de linkerleuning vast te pakken, maar stootte daarbij haar gekwetste wijsvinger tegen de leuning. Zij kon hierdoor de leuning niet vastpakken. [verzoekster] is ongelukkig met haar been tussen de traptreden terecht gekomen, met een breuk van het scheen- en kuitbeen tot gevolg.
Achmea heeft het conditio sine qua non (csqn)-verband tussen de ongevallen direct betwist en [verzoekster] verzocht om (medische) informatie te verstrekken waaruit het door haar gestelde csqn-verband zou kunnen blijken.
3.5.
De medisch adviseur van [verzoekster] , dr. [C] , schrijft in zijn medisch advies van 8 juli 2024:
“Of de onderbeenfractuur een indirect gevolg is van het ongeval van juli 2020 kan ik noch bevestigen, noch ontkennen. De correspondentie vermeldt alleen dat cliënt uitgleed. U schreef dat dit kwam omdat zij zich nu niet goed kon vastgrijpen. Dat laatste wijst wel op een indirect verband. Bij gebrek aan gedetailleerde informatie over het ongeval kan ik hier verder weinig over zeggen.”
Bij e-mail van 16 juli 2024 heeft [verzoekster] een toelichting gegeven op de oorzaak van de val. Naar aanleiding van de toelichting van [verzoekster] , schrijft [C] in zijn advies van 27 augustus 2024:
“Als ik mij baseer op deze informatie is een fractuur van het linker onderbeen dus nog een indirect gevolg van het ongeval van 15 juli 2020”.
3.6.
Achmea heeft de beschikbare medische informatie voorgelegd aan haar medisch
adviseur, dr. [D] . Hij adviseert op 23 september 2024:
“De aanvullend ontvangen informatie van betrokkene vanuit [land] heb ik bestudeerd. Betrokkene had voorafgaand aan haar ongeval van augustus 2022 geen letsel of beperkingen van het evenwicht of de benen, zodat zij geacht kon worden stabiel een trap op en af te kunnen lopen. Desondanks is zij toch uitgegleden en dat kan niet aan het letsel van juli 2020 worden gerelateerd.
Begrijpelijkerwijs heeft betrokkene geprobeerd zich vast te grijpen en heeft hierbij de linkerhand gebruikt. Voor hetzelfde geld had zij haar rechterhand kunnen gebruiken om haar val te breken.”
In een aanvullend advies van 19 december 2024 overweegt [D] :
Weging en conclusies
Mijn mening is als volgt:
In mijn medisch advies van 22.07.2024 werd melding gemaakt van een onderbeenfractuur op 13.08.2022, nadat zij was uitgegleden. Ik achtte dit niet gerelateerd aan het ons regarderende ongeval van 2020. In mijn medisch advies van 21.09.2024 werd dit nog eens een nader geëxpliciteerd.
Wat ligt er in de medische informatie vast:
In de uit het [land] vertaalde SEH brief van 13.08.2023 staat over de toedracht van het ongeval: “Vandaag letsel van het linker onderbeen als gevolg van het uitglijden. Fractuur van tibia-en fibulaschacht. " Er werd haar een operatieve behandeling voorgesteld maar daar is zij in eerste instantie niet op ingegaan. Blijkbaar heeft ze zich in tweede instantie toch bedacht, want op 05.09.2022 is er een wederom uit het [land] vertaald operatieverslag
aangeleverd van een tibiapen osteosynthese. In dit operatieverslag wordt geen mededeling gedaan over de toedracht van het ongeval.
In de verslaglegging van het controlebezoeken van 22.09.2022, 20.10.2022, 10.11.2022, 08. 12.2022 , 29.12.2022 en 12.01.2023 na de operatie, wordt genoteerd dat de hechtingen zijn verwijderd en instructies worden gegeven over de nabehandeling en controles n.a.v. de revalidatie, die blijkbaar naar wens verloopt. Er wordt een officieel formulier van de [land] Sociale Zekerheidsinstelling Ziekteverlof aan betrokkene verstrekt. Ook in deze verslagen worden geen verdere mededelingen gedaan over het traumamechanisme dat geleid heeft tot de onderbeenfractuur. De beschrijving van het ongevalsmechanisme is daarom uitsluitend gebaseerd op de mededelingen van betrokkene zelf.”
3.7.
Op 3 juni 2025 heeft [verzoekster] verklaringen toegezonden van haar echtgenoot, [naam echtgenoot] , broer, [naam broer] , zus, [naam zus] ) en zoon, [naam zoon] .
De echtgenoot en broer van [verzoekster] verklaren dat zij de val hebben zien gebeuren. De zus en zoon hebben de val niet gezien.
Op 18 september 2025 heeft [verzoekster] onderstaande foto's van de trap overgelegd:

4.Het verzoek en het verweer

4.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking in deelgeschil in de zin van artikel 1019 Rv Pro, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat (de gevolgen van) het [verzoekster] op 13 augustus 2022 overkomen tweede ongeval in een csqn-verband staat tot het [verzoekster] op
15 juli 2020 overkomen arbeidsongeval, dan wel - subsidiair - een voorshands vermoeden aan te nemen dat een dergelijk csqn-verband aanwezig is, alsmede;
II. voor recht te verklaren dat het tweede ongeval uit 2022 ex art. 6:98 BW Pro is toe te rekenen aan Total Berry als een gevolg van het eerste ongeval uit 2020, alsmede;
III. Total Berry en Achmea hoofdelijk, naast de reeds bestaande schadeplichtigheid inzake het eerste ongeval uit 2020, te veroordelen tot vergoeding van (ook) alle materiële en immateriële schade als gevolg van het tweede ongeval uit 2022, alsmede;
IV. de kosten van de onderhavige deelgeschilprocedure te begroten en Total Berry en Achmea hoofdelijk te veroordelen tot betaling daarvan aan [verzoekster] .
4.2.
Aan het verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat zij als gevolg van de val van de trap extra letsel heeft opgelopen, dat volgens haar nog kwalificeert als een gevolg van het arbeidsongeval van 15 juli 2020.
4.3.
Total Berry en Achmea verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe aan dat het csqn-verband tussen het arbeidsongeval uit 2020 en de val in 2022 ontbreekt en, mocht een csqn-verband aangenomen worden, dat de gevolgen van de val niet aan het arbeidsongeval zijn toe te rekenen. Nog meer subsidiair beroept Achmea zich op eigen schuld ex artikel 6:101 BW Pro.

5.De beoordeling

5.1.
[verzoekster] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.
5.2.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
5.3.
In dit geval verschillen partijen - kort gezegd - van mening over de vraag of er een csqn-verband bestaat tussen het arbeidsongeval uit 2020 en de val in 2022 en, zo ja, of de nadelige gevolgen van die val op grond van 6:98 BW toegerekend mogen worden aan het arbeidsongeval. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken.
5.4.
Voor het vaststellen van de aansprakelijkheid van Total Berry voor de gevolgen van de val, moet het oorzakelijk (conditio sine qua non) verband tussen het arbeidsongeval en de val van de vlizotrap in de privésfeer komen vast te staan. Dit betekent dat moet (kunnen) worden vastgesteld dat [verzoekster] door de beperkingen die het gevolg zijn van het arbeidsongeval op 15 juli 2020, op 13 augustus 2022 van de vlizotrap is gevallen. Bij de beoordeling van het oorzakelijk verband is de feitelijke toedracht van de val van belang. De stelplicht en de bewijslast van de feitelijke toedracht en van het causaal verband tussen val en arbeidsongeval rusten op [verzoekster] .
5.5.
[verzoekster] heeft aangevoerd dat de feitelijke toedracht van het tweede ongeval door Total Berry en Achmea niet gemotiveerd is betwist en dat Total Berry en Achmea ook geen (plausibele) alternatieve oorzaak voor het vallen van de trap hebben gegeven.
5.5.1.
[verzoekster] heeft daarbij gewezen op de aanwezige onafhankelijke medische expertises van verzekeringsarts [B] en plastisch chirurg [A] . Uit deze rapportages blijkt dat [verzoekster] op het moment van de val van de trap nog met duidelijke restverschijnselen van het eerdere arbeidsongeval kampte, bestaande uit diverse (matige/sterke) beperkingen inzake de arm/hand, inclusief pijnklachten, beperkingen bij bepaalde handgrepen, beperkte knijpkracht en beperkingen inzake de 'sensibiliteit'. Ook rapporteerde [A] over een aanzienlijke pijnscore zodra [verzoekster] haar gekwetste vinger stoot:
"NPRS-score. Gemiddeld 5 met uitschieters naar 8. Deze uitschieter ervaart zij bij stoten
van de vinger."
Verzekeringsarts [B] rapporteerde over klimmen ‘ladder op en af’ dat [verzoekster] “
daarbij alleen [kan] steunen/vasthouden met de rechterhand”.De aard van het bij het 1e ongeval opgelopen letsel - en de aanwezigheid daarvan ten tijde van het 2e ongeval – past dus (naadloos) bij de toedracht zoals [verzoekster] heeft gesteld.
Uit de expertises volgt bovendien dat in de voorliggende zaak sprake is van een specifieke ‘kwetsbaarheid’ wegens een eerder ongeval die de kans op een tweede ongeval heeft vergroot. In dit geval is de kans op een val van de trap aanzienlijk vergroot, doordat [verzoekster] met haar beschadigde, dominante hand de leuning - een voorziening die specifiek beoogt te beschermen tegen een val van de trap - niet ‘normaal’ kon gebruiken. Voorts kan op basis van de (medische) stukken worden aangenomen dat een door dergelijk letsel gehinderde persoon bij het traplopen in een onverwachte/plotselinge (nood)situatie kwetsbaarder is voor valpartijen dan iemand die beschikt over ‘een gezond stel handen’.
5.5.2.
Hiernaast wijst [verzoekster] inzake het csqn-verband nog op de verschillende ingebrachte schriftelijke getuigenverklaringen, waaruit volgens haar blijkt dat het letsel aan de vinger (eerste ongeval) zonder meer een rol speelde bij het ontstaan van het tweede ongeval (val van trap). Met andere woorden: indien het vingerletsel niet zou zijn ontstaan, was het tweede ongeval (vermoedelijk) niet gebeurd. [verzoekster] had zónder het 1e ongeval met een ‘gezond stel handen’ de trap kunnen bestijgen en zo nodig de leuning goed kunnen vastgrijpen om een eventuele val van de trap te voorkomen. Door het vingerletsel aan de dominante hand kon [verzoekster] de leuning niet op een normale wijze gebruiken, hetgeen het risico op vallen heeft vergroot, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt. De getuigen verklaren niet alleen rechtstreeks dat in hun beleving de vingerbeperking een rol heeft gespeeld bij het ongeval, maar ook indirect steunen de verklaringen de door [verzoekster] gestelde toedracht. Zo wijst het feit dat eerst een schreeuw werd gehoord, op het stoten van de vinger kort voor de val. Dat niet alleen het been maar ook de vinger na de val pijnlijk was, past eveneens bij de stelling van [verzoekster] dat ze haar vinger (pijnlijk) heeft gestoten op de trap. Alle verklaringen afzonderlijk en tezamen vormen dus een nadere onderbouwing van de stellingen van [verzoekster] . Concluderend is volgens [verzoekster] voldoende aannemelijk dat de restverschijnselen van het arbeidsongeval - waardoor [verzoekster] beperkt was (in een reflex) een leuning (goed) vast te pakken - hebben bijgedragen aan het vallen van de trap. De restverschijnselen van het initiële arbeidsongeval hebben dus bijgedragen aan het tweede ongeval later in de tijd. Daarmee is het vereiste csqn-verband gegeven, aldus [verzoekster] .
Omdat sprake is van een schuldaansprakelijkheid en de aard van de schade lichamelijk letsel is, moet er ruim worden toegerekend, hetgeen volgens [verzoekster] onder andere volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895.
Oorzakelijk (csqn-)verband
5.6.
De essentie van de stelling waarop [verzoekster] haar verzoeken heeft gebaseerd, is dat zij zonder het handletsel dat zij heeft opgelopen tijdens het eerste arbeidsongeval (waarvoor Total Berry aansprakelijk is en waarvoor Achmea aansprakelijkheid namens Total Berry heeft erkend) niet van de vlizotrap zou zijn gevallen. De kantonrechter vindt het echter niet voldoende waarschijnlijk dat zonder handletsel het tweede ongeval niet zou zijn gebeurd. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.
5.7.
Als niet, althans onvoldoende weersproken staat in voldoende mate vast dat [verzoekster] van de vlizotrap viel, ondanks dat zij de leuning vast had met haar rechterhand, omdat haar voet (naar achteren) weggleed waarna haar been ongelukkig tussen de traptreden terecht kwam. Zij wilde in een reflex met haar linkerhand ook de linkerleuning grijpen om zo haar val te breken, maar dit lukte niet. In plaats van de leuning vast te pakken, stootte zij haar (door het eerdere arbeidsongeval beschadigde) linker wijsvinger en dit leverde bij [verzoekster] begrijpelijkerwijs veel pijn op. Er is dus wel een verband met het arbeidsongeval, bestaande uit een verminderde knijpkracht en een grotere pijngevoeligheid in de (dominante) linkerhand als gevolg van het bij het arbeidsongeval opgelopen letsel, maar dit is naar het oordeel van de kantonrechter een te ver verwijderd verband om aan te kunnen nemen dat [verzoekster] niet van de vlizotrap zou zijn gevallen als zij nog twee gezonde handen had gehad. Hierbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat uit de toedrachtbeschrijving volgt dat de val al was ingezet voordat [verzoekster] naar de linker leuning greep. Immers, pas na het wegglijden van haar voet greep [verzoekster] in een reflex ook naar die linker leuning. In het gunstigste geval had [verzoekster] haar val (in meer of mindere mate) kunnen breken als ze er in was geslaagd om de linker leuning vast te grijpen. Of dat met een gezonde linkerhand wel was gelukt, is de vraag aangezien het ging om een reflexmatige beweging na het wegglijden van haar voet en gebleken is dat het vasthouden van de rechterleuning de val niet heeft kunnen voorkomen of breken. Concrete aanknopingspunten om waarschijnlijk te kunnen achten dat [verzoekster] met een gezonde linkerhand haar val wel in voldoende mate had kunnen breken om letsel te voorkomen of aanzienlijk te beperken, ontbreken.
De kantonrechter heeft bij de beoordeling ook in aanmerking genomen dat [verzoekster] niet beperkt was in trapklimmen en ook geen verstoringen van haar evenwicht had. Haar kans om van een vlizotrap te vallen, was naar het oordeel van de kantonrechter niet substantieel groter dan voor iemand zonder beschadigde hand. Daar komt bij dat [verzoekster] op de hoogte was van en inmiddels gewend was aan de beperking aan haar linkerhand. Die beperking heeft haar niet doen besluiten om de vlizotrap te mijden en het aan de andere aanwezigen over te laten om de vlizotrap op te gaan. [verzoekster] heeft desgevraagd verklaard dat zij de vlizotrap vaker beklom om spullen van zolder te halen, wat naar het oordeel van de kantonrechter onderstreept dat ook zijzelf het beklimmen van de trap niet als bijzonder risicovol heeft gezien.
5.8.
Op basis van wat hiervoor is overwogen, merkt de kantonrechter de val van de vlizotrap aan als een zogenoemd huis-, tuin en keukenongeluk dat valt binnen de risicosfeer van [verzoekster] .
5.9.
Het voorgaande betekent dat de kantonrechter van oordeel is dat de val van de trap niet in een csqn-verband staat met het eerste arbeidsongeval. Voor het aannemen van een vermoeden dat dit anders is, ziet de kantonrechter onvoldoende grond.
De vraag of de gevolgen van de val gelet op de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, aan Total Berry kunnen worden toegerekend, behoeft dan ook niet meer te worden beantwoord. Het door Skopura gedane beroep op het Deurmat-arrest (HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895) gaat reeds om die reden niet op.
Kosten deelgeschil
5.10.
De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval geen sprake.
5.11.
Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
5.12.
[verzoekster] maakt aanspraak op € 8.959,45 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. Total Berry en Achmea hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben zij aangevoerd dat het aantal uren voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift gematigd dient te worden tot 8 uren, omdat de inhoud van het verzoekschrift in grote mate (en vrijwel letterlijk) overeenkomt met de eerdere adviezen van mr. Kolder van 17 september 2025 en 24 december 2025.
Met betrekking tot het aantal uren dat is gemoeid met de mondelinge behandeling (waaronder de voorbereidingstijd en de reistijd) hebben Total Berry en Achmea aangevoerd dat het niet redelijk is om de volledige reistijd te vergoeden op basis van het specialistentarief van € 295,00 exclusief btw.
5.13.
De kantonrechter vindt het uurtarief en het opgevoerde urenaantal (inclusief reistijd die leidt tot verlies van anders productief te maken uren) redelijk en aanvaardbaar en ziet dan ook geen aanleiding om een correctie toe te passen.
De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op (afgerond) 25 uren × € 295,00 exclusief (21%) btw, dus op € 7.375,00 exclusief (21%) btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht.
Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en Total Berry en Achmea niet veroordelen tot betaling daarvan.
Het begrote bedrag hoeft alleen hoofdelijk door Total Berry en Achmea te worden betaald, als de aansprakelijkheid van Total Berry alsnog komt vast te staan.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de verzoeken van [verzoekster] af,
6.2.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 7.375,00 exclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 90,00.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.