Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4088

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/01/414501 / HA ZA 25-249
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 4 Wet op de Omzetbelasting 1968Art. 43 Invorderingswet 1990Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 3 lid 1 Wgbz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rabobank niet bevoegd tot verrekening teruggave omzetbelasting fiscale eenheid na faillissement

De curator in de faillissementen van Ioniqa Technologies B.V. en Circulair Pet Plastic Upcycling B.V. vordert dat Rabobank wordt veroordeeld tot terugbetaling van €316.577,00, een deel van de teruggave omzetbelasting dat aan Circulair toekomt, omdat Rabobank dit bedrag onterecht heeft verrekend met haar vordering op Ioniqa.

De fiscale eenheid voor de omzetbelasting tussen Ioniqa, Circulair en Polyester NOW B.V. werd per 10 oktober 2024 verbroken vanwege faillissementen. De Belastingdienst betaalde de teruggave omzetbelasting van €513.418,00 op de bankrekening van Ioniqa bij Rabobank, die deze teruggave geheel verrekende met haar vordering op Ioniqa.

De rechtbank volgt de curator en verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2003, waarin is vastgesteld dat de fiscale eenheid geen rechtssubject is en dat de vordering tot teruggave omzetbelasting deelbaar is naar de materiële bijdrage van de deelnemers. De aanwijzing van Ioniqa als betaaladres betekent niet dat zij eigenaar is van de vorderingen van de andere deelnemers. Omdat Rabobank geen pandrecht had op de vorderingen van Circulair, was zij niet bevoegd tot verrekening van het aan Circulair toekomende deel.

De rechtbank veroordeelt Rabobank tot terugbetaling van €316.577,00 aan de curator, toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, en wijst het meer of anders gevorderde af. Het vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Rabobank is niet bevoegd tot verrekening van het aan Circulair toekomende deel van de teruggave omzetbelasting en moet dit bedrag terugbetalen aan de curator.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/414501 / HA ZA 25-249
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
BOB ANTON PATRICK SIJBEN,
in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ioniqa Technologies B.V. en de besloten vennootschap Circulair Pet Plastic Upcycling B.V.,
gevestigd te Helmond ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. G. te Biesebeek,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. A.J. Tekstra.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 20 augustus 2025
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 7 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikkingen van 9 oktober 2024 werd surseance van betaling verleend aan de besloten vennootschappen Ioniqa Technologies B.V. (hierna te noemen: Ioniqa) en Circulair Pet Plastic Upcycling B.V. (hierna te noemen: Circulair).
2.2.
Bij vonnissen van deze rechtbank van 10 oktober 2024 werden de beide surseances van betaling ingetrokken, waarbij zowel Ioniqa als Circulair in staat van faillissement werden verklaard, met de aanstelling van mr. B.A.P. Sijben (de curator) tot curator. Ook de vennootschap Polyester NOW B.V. werd op die datum failliet verklaard.
2.3.
Sinds 1 december 2019 bestond er een fiscale eenheid voor de omzetbelasting op grond van artikel 7, lid 4 van de Wet op de Omzetbelasting 1968 tussen de volgende ondernemingen/vennootschappen:
  • Ioniqa;
  • Circulair;
  • en Polyester NOW B.V;
(hierna te noemen: de fiscale eenheid).
De fiscale eenheid heeft (de bankrekening van) Ioniqa aangewezen voor de ontvangst van teruggaven Omzetbelasting van de Belastingdienst.
2.4.
Rabobank heeft op 12 december 2019 een financiering ten bedrage van in totaal
€ 1.500.000,00 aan Ioniqa en Circulair verstrekt. Zij zijn daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. In het kader van deze financiering heeft Ioniqa haar (toekomstige) vorderingen op derden aan Rabobank verpand. Circulair heeft geen vorderingen op derden aan Rabobank verpand.
2.5.
Op 3 oktober 2024 heeft de fiscale eenheid bij de Belastingdienst een aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2024 ingediend. Middels deze aangifte werd door de fiscale eenheid bij de Belastingdienst het verzoek gedaan om over het 3e kwartaal van 2024 aan haar in totaal een bedrag van € 513.418,00 (terug) te betalen. Van
voormeld bedrag komt volgens de curator in de onderlinge verhouding een bedrag van
€ 89,00 toe aan Polyester NOW B.V., een bedrag van € 196.752,00 aan Ioniqa en een bedrag van € 316.577,00 aan Circulair.
2.6.
Vanwege de faillissementen van de drie hierboven genoemde vennootschappen werd de bovengenoemde fiscale eenheid met ingang van 10 oktober 2024 verbroken, op grond van artikel 7, lid 4 van de Wet op de Omzetbelasting 1968. De Belastingdienst heeft dit bij beslissing van 14 januari 2025 aan de curator medegedeeld.
2.7.
Op 18 oktober 2024 betaalde de Belastingdienst de gevraagde teruggave van
€ 513.418,00 op de door Ioniqa bij Rabobank aangehouden bankrekening. De beschikking tot teruggave van de Belastingdienst dateert van diezelfde datum. De bankrekening van Ioniqa bij Rabobank vertoonde een creditsaldo op het moment dat de Belastingdienst tot betaling overging.
2.8.
Rabobank heeft deze teruggave in haar geheel verrekend met haar vordering op Ioniqa.

3.Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1.
De curator vordert – samengevat – te verklaren voor recht dat Rabobank niet gerechtigd is om haar na de datum van het faillissement (overgenomen) schuld aan Ioniqa tot betaling van € 316.577,00 te verrekenen met hetgeen zij van Ioniqa te vorderen heeft en Rabobank in dat kader te veroordelen om een bedrag van € 316.577,00 aan de curator te betalen, te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
De curator stelt zich op het standpunt dat Rabobank niet tot de verrekening bevoegd was voor zover het gaat om het bedrag van € 316.577,00. Dat deel van de teruggave omzetbelasting kwam immers niet aan Ioniqa toe maar aan Circulair, zo stelt de curator. De curator stelt zich in dit verband onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2033, JOR 2003/133 en de conclusie van [A] bij dit arrest op het standpunt, dat de beschikking tot teruggave van de omzetbelasting aan een fiscale eenheid een deelbare geldvordering op de Belastingdienst doet ontstaan, van de vennootschappen die onderdeel uitmaken van de fiscale eenheid. Dit brengt volgens de curator mee dat in dit geval Circulair een vordering had op de Belastingdienst van € 316.577,00 en dat Rabobank niet tot verrekening bevoegd was voor zover de teruggave niet Ioniqa aanging maar (onder meer) Circulair, hierbij in aanmerking nemende dat Rabobank geen pandrecht had op de vorderingen van Circulair op derden.
3.3.
Dat de Belastingdienst de schuld aan Circulair bevrijdend kon voldoen op de bij de Rabobank aangehouden bankrekening van Ioniqa, maakt naar het oordeel van de curator Rabobank niet bevoegd tot verrekening. De curator wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1987 (NJ 1988/104, mr. Loeffen q.q./Mees en Hope I).
3.4.
Rabobank heeft aangevoerd dat het steeds zo was dat btw-teruggaven aan Ioniqa zijn verricht, omdat de fiscale eenheid aan de Belastingdienst had opgegeven dat de uitbetalingen aan Ioniqa dienden plaats te vinden. Zo is het sinds 2019 ook steeds gegaan. Ioniqa betaalde voorts het aan de andere vennootschappen toekomende aan deze vennootschappen door. Op grond van artikel 43.1 van de Leidraad Invordering 2008, eerste alinea, is dus Ioniqa door de fiscale eenheid aangewezen voor de teruggave omzetbelasting en werd aan haar dus bevrijdend betaald. Dit was ook de bestendige gedragslijn. De andere vennootschappen konden volgens Rabobank de Belastingdienst niet aanspreken op (gehele of gedeeltelijke) betaling van de teruggave omzetbelasting en dus was Ioniqa de – exclusieve – crediteur voor wat betreft de teruggave van € 513.418,00. Daarmee strekt volgens Rabobank haar pandrecht op de vorderingen van Ioniqa op derden zich uit tot de gehele vordering tot teruggave en was zij tot verrekening bevoegd met betrekking tot dit volledige bedrag.
3.5.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3.5.1.
Partijen zijn het er terecht over eens dat de fiscale eenheid per 10 oktober 2024 is verbroken en dat de gehoudenheid van de Belastingdienst tot teruggave van de omzetbelasting aan de fiscale eenheid is ontstaan voor het faillissement.
3.5.2.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 14 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9246, geoordeeld dat de fiscale eenheid geen rechtssubject in civielrechtelijke zin is. De Hoge Raad overweegt in dit arrest verder, voor zover van belang:
“De formele belastingschuld voortvloeiende uit een naheffingsaanslag omzetbelasting die aan een fiscale eenheid is opgelegd, moet als een deelbare geldschuld worden beschouwd. De aard van de schuld brengt mee dat deze schuld over de verschillende onderdelen van de fiscale eenheid in beginsel moet worden verdeeld naar de mate waarin elk van de onderdelen materieel aan het ontstaan van de schuld heeft bijgedragen. De beschikking tot teruggaaf van omzetbelasting aan de fiscale eenheid doet een geldvordering op de ontvanger ontstaan die eveneens deelbaar is en waarbij verdeling in beginsel moet plaatsvinden naar gelang de onderdelen materieel aan het ontstaan van de vordering hebben bijgedragen.”
en
“Ingevolge artikel 43 lid 2 Iw Pro 1990 kan de Ontvanger omzetbelastingrestituties toegekend aan de fiscale eenheid bevrijdend betalen aan één van de natuurlijke personen of lichamen die deel uitmaken van de fiscale eenheid. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1987/88, 20 588, nr. 3, blz. 108–109) moet worden afgeleid dat de strekking van de bepaling een beperkte is. Uitgangspunt is dat de Ontvanger een (terug)betaling ten goede laat komen aan degene aan wie deze toekomt; de bepaling voorziet slechts erin (terug)betaling mogelijk te maken ook in gevallen waarin niet duidelijk is aan wie moet worden betaald, zonder dat naderhand daaromtrent tegen de Ontvanger kan worden geageerd. Op dezelfde wijze kan de Ontvanger restituties door middel van verrekening ten goede doen komen aan de rechthebbende.”
3.5.3.
Op grond van artikel 43 van Pro de Invorderingswet 1990 zijn de vennootschappen die een fiscale eenheid vormen hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelasting, welk verschuldigd is door de fiscale eenheid. Dat doet echter niet af aan het uitgangspunt dat binnen de fiscale eenheid ieder opkomt voor zijn eigen schuld, en dat ieder van de deelnemers jegens de Belastingdienst gerechtigd is tot zijn eigen teruggave. Als een onderdeel van de fiscale eenheid het gehele bedrag aan omzetbelasting van de fiscale eenheid aan de Belastingdienst betaalt, dan krijgt dit betalende onderdeel een regresvordering op het andere onderdeel, voor zover de omzetbelasting dat andere onderdeel aangaat. En andersom heeft het ontvangende onderdeel van de teruggave omzetbelasting de verplichting het aan een ander onderdeel van de fiscale eenheid toekomende deel van de teruggave aan deze te betalen. Dat andere onderdeel heeft dus intern een vordering op het ontvangende onderdeel.
3.5.4.
Artikel 43.1. Leidraad Invordering 2008 luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Een teruggaaf omzetbelasting vanwege een aangifte dan wel een vermindering van een naheffingsaanslag ten name van de fiscale eenheid wordt uitbetaald aan – dan wel verrekend met de openstaande belastingschuld van – het onderdeel van de fiscale eenheid dat door de fiscale eenheid is aangewezen.”
De centrale vraag die nu voorligt is of de aanwijzing van Ioniqa als het onderdeel van de fiscale eenheid voor de teruggaven omzetbelasting maakt, dat Ioniqa ook de enige vorderingsgerechtigde was jegens de Belastingdienst met betrekking tot de teruggave omzetbelasting. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Die aanwijzing van Ioniqa als betaaladres, en het gevolg ervan dat de Belastingdienst bevrijdend kon betalen aan Ioniqa, maakte nog niet dat het vorderingsrecht dat de verschillende onderdelen van de fiscale eenheid hadden jegens de Belastingdienst rechtens op Ioniqa was overgegaan. Dat volgt niet uit de Invorderingswet. Op geen enkel moment heeft verder civielrechtelijk de overdracht van de vordering tot teruggave van Circulair op de Belastingdienst aan Ioniqa plaatsgevonden. Deze overdracht vloeit evenmin voort uit het vormen van de fiscale eenheid zelf, gelet op genoemd arrest van de Hoge Raad uit 2003.
3.5.5.
De Leidraad Invordering is een set
beleidsregelsvoor de invordering van belastingschulden. Op geen enkele wijze regelt deze de overdracht van vorderingen tot teruggave omzetbelasting van deelnemers van een fiscale eenheid op de Belastingdienst aan het aangewezen onderdeel van de fiscale eenheid, en dat kan ook niet.
3.5.6.
Bij gebreke van andere argumenten van Rabobank concludeert de rechtbank dan ook dat Ioniqa weliswaar is aangewezen als onderdeel van de vennootschap waaraan een teruggave omzetbelasting kan worden betaald, maar dat dit niet meebrengt dat zij daarmee ook de eigenaar is geworden van de vorderingen van de andere onderdelen van de fiscale eenheid op de Belastingdienst tot teruggave omzetbelasting over het derde kwartaal van 2024.
3.5.7.
Omdat Rabobank geen pandrecht had op de vorderingen van Circulair op derden, brengt dit mee dat zij niet tot verrekening gerechtigd was voor zover het het bedrag van € 316.577 betreft. In zoverre is de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar. Omdat Rabobank voor een bedrag van € 316.577,00 onterecht heeft verrekend, zal Rabobank dit bedrag moeten terugbetalen aan de boedel van Ioniqa. De rechtbank zal Rabobank dan ook veroordelen tot betaling van dit bedrag aan mr. Sijben , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Ioniqa.
Processuele afspraken tussen partijen omtrent griffierecht
3.5.8.
Rabobank stelt zich op het standpunt dat de curator de tussen partijen gemaakte procedurele afspraken niet (goed) is nagekomen. Het was de bedoeling dat de curator “omwille van het griffierecht” een verklaring voor recht zou vragen. Daar heeft Rabobank ook mee ingestemd. Ondanks deze afspraak heeft de curator nu toch, naast de afgesproken verklaring voor recht, een geldvordering ingesteld. Het gevolg daarvan is dat de Rabobank een griffierecht van maar liefst € 6.861,00 moet betalen.
3.5.9.
De curator erkent deze afspraken gemaakt te hebben, maar stelt zich op het standpunt dat het niets uitmaakt dat hij een geldvordering heeft ingesteld, omdat ook bij enkel een verklaring voor recht gekeken wordt naar het geldelijke belang van de zaak, en dat dat bepalend is voor de hoogte van het te betalen griffierecht.
3.5.10.
Anders dan de rechtbank ter zitting heeft aangegeven is het standpunt van de curator juist. Op grond van artikel 3 lid 1 Wgbz Pro wordt in dagvaardingszaken van elke eiser en elke verschenen gedaagde een griffierecht geheven. Op grond van artikel 10 lid 1 Wgbz Pro wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding. Uit artikel 3 lid 5 Wgbz Pro volgt dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de tabel, die als bijlage bij de Wgbz is gevoegd. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen van onbepaalde waarde en vorderingen met een beloop van een bepaald bedrag. Voor de bepaling van de hoogte van het griffierecht moet in beginsel worden aangeknoopt bij de waarde van de vordering.
De formulering van het petitumis de basis voor de vaststelling of sprake is van vordering van bepaalde waarde. Als het financieel belang voldoende duidelijk in het petitum is gedefinieerd, wordt uitgegaan van het tarief dat bij dat concrete financiële belang hoort. Omdat de gevorderde verklaring voor recht in dit geval het geldelijk belang van de zaak definieert, zou ook bij alleen het vorderen van die verklaring voor recht voor wat betreft het griffierecht zijn aangeknoopt bij het bedrag van € 316.577,00.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.5.11.
De curator vordert een vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom wijst de rechtbank het gevorderde bedrag van € 3.357,89 toe. De gevorderde rente over deze buitengerechtelijke incassokosten wijst de rechtbank ook toe.
Proceskosten
3.5.12.
Rabobank is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.801,40
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad verklaring
3.5.13.
Rabobank stelt zich op het standpunt dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring afgewezen moet worden, vanwege de verhaalsrisico’s die dan zullen/kunnen ontstaan omdat de faillissementsboedels bij loniqa en Circular kennelijk leeg zijn. Daartegenover staat dat de curator ten opzichte van Rabobank geen verhaalsrisico heeft.
3.5.14.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de curator kenbaar gemaakt het ermee eens te zijn dat het vonnis in deze procedure niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Nu partijen het hierover eens zijn, zal de rechtbank dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart voor recht dat Rabobank op 18 oktober 2024 niet gerechtigd was haar schuld van € 316.577,00 aan Ioniqa te verrekenen met hetgeen zij van Ioniqa te vorderen had,
4.2.
veroordeelt Rabobank om aan mr. Sijben , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Ioniqa te betalen een bedrag van € 316.577,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt Rabobank om aan de curator te betalen een bedrag van € 3.357,89 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.4.
veroordeelt Rabobank in de proceskosten van € 8.801,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Rabobank niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5.
veroordeelt Rabobank tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
4.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Bik en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.