Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4377

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
26/787 en 26/1143
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening kindzorg toegekend, huishoudelijke ondersteuning afgewezen

Verzoekster, met diverse lichamelijke en psychische klachten en drie minderjarige kinderen, maakte bezwaar tegen het besluit van het college om de maatwerkvoorzieningen huishoudelijke ondersteuning en ondersteuning bij kindzorg af te bouwen. Het college baseerde zijn besluiten op een medisch advies van Argonaut dat geen beperkingen meer vaststelde.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang voor huishoudelijke ondersteuning onvoldoende was onderbouwd, waardoor dit verzoek werd afgewezen. Voor de ondersteuning bij kindzorg werd het spoedeisend belang wel aangenomen, omdat het wegvallen van deze zorg zou leiden tot een onwenselijke situatie voor de kinderen.

De medische adviezen van Argonaut werden als onvolledig en onvoldoende onderbouwd beoordeeld, mede omdat pijnklachten en beperkingen niet adequaat waren meegenomen. Verzoekster overlegde aanvullende medische stukken en een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming die wezen op structurele overbelasting.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het college zijn vergewisplicht niet had nageleefd en dat het waarschijnlijk was dat het besluit tot afbouw van kindzorg in bezwaar geen stand zou houden. Daarom werd de voorlopige voorziening voor kindzorg toegekend tot zes weken na de beslissing op bezwaar, terwijl het verzoek voor huishoudelijke ondersteuning werd afgewezen. Het college werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De voorlopige voorziening voor ondersteuning bij kindzorg wordt toegekend, het verzoek voor huishoudelijke ondersteuning afgewezen en het college veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 26/787 en AWB 26/1143

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J.J.M. van Asten),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Hertogenbosch, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verstrekte maatwerkvoorzieningen voor huishoudelijke ondersteuning en ondersteuning bij kindzorg die het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aan verzoekster heeft verstrekt. Verzoekster is het niet eens met deze besluiten. Zij heeft daarom tegen deze besluiten bezwaar gemaakt en verzocht om voorlopige voorzieningen. Deze uitspraak gaat over deze verzoeken om voorlopige voorzieningen.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe wat betreft de maatwerkvoorziening ondersteuning bij kindzorg en af wat betreft de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 15 december 2025 (bestreden besluit 1) aan verzoekster de volgende maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015 verstrekt:
  • voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026 verstrekt het college 2,5 uur per week;
  • voor de periode van 1 april 2026 tot en met 30 juni 2026 verstrekt het college 2,5 uur per twee weken.
Het college heeft de aanvraag voor een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor de periode vanaf 1 juli 2026 afgewezen.
2.1.
Het college heeft met het besluit van 16 december 2025 (bestreden besluit 2) aan verzoekster de volgende maatwerkvoorziening ondersteuning bij kindzorg op grond van de Wmo 2015 verstrekt:
  • voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 29 februari 2026 verstrekt het college 4,5 uur aan ondersteuning op doordeweekse dagen;
  • voor de periode van 1 maart 2026 tot en met 30 april 2026 verstrekt het college 2 uur ondersteuning per dag op doordeweekse dagen.
Het college heeft de aanvraag voor een maatwerkvoorziening ondersteuning bij kindzorg voor de periode vanaf 1 mei 2026 afgewezen.
2.2.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten. Zij heeft hangende de behandeling van het bezwaar tegen deze besluiten verzoeken om voorlopige voorzieningen ingediend.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster (via beeldbellen) en de gemachtigde van verzoekster. Het college is met voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.

Totstandkoming van de primaire besluiten

3. Verzoekster is geboren op 30 september 1985 en heeft drie minderjarige kinderen. Zij heeft diverse lichamelijke en psychische klachten en zij ervaart als gevolg daarvan beperkingen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken en bij de verzorging van haar kinderen. Het college heeft voorafgaand aan de bestreden besluiten aan verzoekster op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning en een maatwerkvoorziening ondersteuning bij kindzorg verstrekt. Deze maatwerkvoorzieningen waren verstrekt tot 31 december 2025. Daarnaast heeft het college aan verzoekster op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening individuele begeleiding verstrekt.
3.1.
Het college heeft naar aanleiding van een nieuwe melding om ondersteuning opnieuw onderzoek verricht naar de situatie van verzoekster. In dat kader heeft het college Argonaut ingeschakeld voor een medisch advies en een indicatieadvies. Argonaut heeft op 24 november 2025 deze adviezen uitgebracht.
3.2.
Vervolgens heeft het college de bestreden besluiten genomen. Het college legt aan deze besluiten het medisch advies van 24 november 2025 ten grondslag. Volgens het college volgt uit dit advies dat er geen beperkingen (meer) zijn bij verzoekster die het medisch noodzakelijk maken om huishoudelijke taken over te nemen en dat er ook geen beperkingen (meer) zijn die de zorg voor kinderen in de weg staan. Het college stelt zich daarom op het standpunt dat verzoekster geen aanspraak meer maakt op de eerder verstrekte maatwerkvoorzieningen huishoudelijke ondersteuning en ondersteuning bij kindzorg. Om verzoekster te laten wennen aan de nieuwe situatie heeft het college een overgangsperiode gehanteerd in de bestreden besluiten.

Het standpunt van partijen

3.3.
Verzoekster voert – kort samengevat – het volgende aan. Zij stelt zich op het standpunt dat de maatwerkvoorzieningen ten onrechte zijn afgebouwd. De conclusies die de adviserende arts van Argonaut in het medisch advies van 24 november 2025 heeft getrokken zijn niet juist en zijn niet in overeenstemming met de daadwerkelijk aanwezige medische problematiek en de bij verzoekster aanwezige beperkingen. Zij verwijst hierbij naar een brief van de handchirurg van 23 december 2024 en een brief van de neuroloog van 7 januari 2026. Uit beide brieven volgt dat verzoekster veel pijn heeft. Zij heeft pijn bij belasting van haar polsen en handen en zij heeft pijn aan haar voeten bij het staan. Ook tijdens het lichamelijk onderzoek door de arts van Argonaut heeft ze aangegeven dat ze pijn had tijdens oefeningen. Deze aspecten staan niet in het medisch advies van 24 november 2025. Het college heeft hangende de bezwaarprocedure opnieuw om een medisch advies gevraagd. Argonaut heeft op 20 februari 2026 een concept-medisch advies afgegeven. Verzoekster legt dit medisch advies over bij haar verzoekschrift. Ook in dit concept-medisch advies wordt geen vermelding gemaakt over de eerder genoemde pijn. Bovendien is de arts ten onrechte uitgegaan van de aanwezigheid van slechts milde beperkingen bij verzoekster. De adviserende arts is uitsluitend afgegaan op beperkte medische informatie uit de behandelende sector, waaruit een selectie door hem is toegepast, die dus niet accuraat is. Deze adviezen zijn dus niet volledig en kunnen dus niet aan de besluiten ten grondslag worden gelegd. Verzoekster legt verder nog een verklaring over van de vestigingscoördinator van de instelling die de kindzorg heeft verleend. Daarin is vermeld dat naar ervaring van de hulpverlening de kindzorg noodzakelijk is voor het dagelijks functioneren van het gezin gezien de fysieke klachten, omdat er sprake is van structurele overbelasting bij verzoekster. Ook legt verzoekster een deel van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en enkele brieven van haar behandelaars over.
3.4.
Het college legt geen verweerschrift over en is ook niet verschenen tijdens de zitting om zijn standpunt toe te lichten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter moet eerst beoordelen of sprake is van voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter treft immers alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Huishoudelijke ondersteuning
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster het spoedeisend belang ten aanzien van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning onvoldoende heeft onderbouwd. Niet is gebleken dat sprake is van zodanige zwaarwegende belangen bij en ernstige gevolgen door het niet langer verstrekken van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning, dat verzoekster de beslissing op bezwaar niet kan afwachten. Dit oordeel betekent dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om een voorlopige voorziening te treffen wat betreft de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning.
Ondersteuning bij kindzorg
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er voldoende spoedeisend belang is voor zover het gaat over de maatwerkvoorziening ondersteuning bij kindzorg. Hiervoor geeft de voorzieningenrechter de volgende motivering. Tot aan bestreden besluit 2 was tussen partijen niet in geschil dat er bij verzoekster een noodzaak bestond voor het verstrekken van ondersteuning bij de zorg voor haar kinderen. Het gaat om ondersteuning voor de kinderen bij het uit bed halen, wassen en aankleden, verschonen van het jongste kind, maaltijdverzorging, naar school/opvang brengen en halen en naar bed brengen. Het gaat dus om ondersteuning bij het voorzien in de primaire levensbehoeftes van de kinderen. Als verzoekster door het wegvallen van de ondersteuning niet langer hierin kan voorzien, leidt dit onmiskenbaar tot een zeer onwenselijke situatie bij de kinderen. Dit is indirect ook opgemerkt door de RvdK in het raadsrapport van 12 maart 2026 en door de aanbieder die de kindzorg feitelijk verstrekt. Het is voor de voorzieningenrechter onduidelijk wat voor het college de aanleiding is geweest om tot het standpunt te komen dat er niet langer een noodzaak bestaat voor ondersteuning bij deze taken. Uit de door verzoekster overgelegde (medische) stukken en haar verklaringen tijdens de zitting volgt immers dat haar situatie en de situatie van met name haar oudste kind zijn verslechterd. Het college heeft er voor gekozen om geen verweerschrift in te dienen en is ook niet ter zitting verschenen om het standpunt toe te lichten. Weliswaar heeft een medewerker van het college laten weten verhinderd te zijn te verschijnen, maar het college heeft niet verzocht om aanhouding of uitstel van de zitting. Als gevolg hiervan moet de voorzieningenrechter het doen met het procesdossier. Hierin zitten weliswaar medische adviezen waarin de medisch adviseur tot de conclusie komt dat verzoekster geen beperkingen ervaart bij de zorg van haar kinderen, maar zoals hierna blijkt is deze conclusie niet inzichtelijk en navolgbaar. Als gevolg hiervan is niet aannemelijk dat er niet langer een noodzaak bestaat voor de ondersteuning bij de kindzorg en bestaat er een grote kans dat de eerder genoemde onwenselijke en zorgelijke situatie ontstaat bij de kinderen als gevolg van het ontbreken van de eerder verstrekte ondersteuning. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat verzoekster de beslissing op bezwaar niet kan afwachten.
Inhoudelijk oordeel
4.3.
De voorzieningenrechter moet vervolgens de vraag beantwoorden of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat bestreden besluit 2 in bezwaar geen stand zal houden. Het oordeel van de voorzieningenrechter hierover heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
4.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er een grote mate van waarschijnlijkheid bestaat dat bestreden besluit 2 met de huidige onderbouwing in bezwaar geen stand zal houden. De voorzieningenrechter legt dit oordeel hierna uit.
4.4.1.
Verzoekster betoogt terecht dat het medisch advies van 24 november 2025 onvolledig is en niet inzichtelijk is hoe de medisch adviseur tot de conclusies komt. In dit medisch advies komt de medisch adviseur tot de conclusie dat verzoekster milde locomotore beperkingen vanuit de spieren en de pezen heeft en verzoekster geen beperkingen heeft ten aanzien van de verzorging van haar kinderen. De medisch adviseur heeft niet uitgelegd en gespecificeerd wat concreet wordt bedoeld met ‘milde locomotore beperkingen’. Onduidelijk is welke beperkingen verzoekster ervaart, in welke mate en bij welke beweringen. Als gevolg hiervan is ook niet inzichtelijk hoe de medisch adviseur tot de conclusie komt dat verzoekster geen beperkingen heeft ten aanzien van de verzorging van haar kinderen. Daar komt bij dat niet inzichtelijk is waarop de medisch adviseur de conclusie van ‘milde locomotore beperkingen’ baseert. Weliswaar spreekt de handchirurg in de brief van 23 december 2024 over ‘restje Quervain’ en ‘milde Quervain’, maar de handchirurg maakt hiervan melding in aanvulling op de conclusie dat verzoekster aan beide zijden lijdt aan carpale-tunnel-syndroom (cts). De woorden ‘restje’ en ‘milde’ in deze brief gaan dus niet over de klachten als gevolg van de cts. In het medisch advies maakt de medisch adviseur niet inzichtelijk hoe deze vaststelt dat de als gevolg van de cts ervaren beperkingen zodanig zijn dat kan worden gesproken over ‘milde locomotore beperkingen’. Bovendien spreekt de brief van de handchirurg van 23 december 2024 over zodanige pijn dat verzoekster hier ’s nachts wakker van wordt. En, in de brief van de neuroloog van 7 januari 2026 staat dat verzoekster zoveel pijn in haar voet ervaart dat zij niet op haar voet kan staan. Ook verklaart verzoekster tijdens de zitting dat zij tijdens het lichamelijk onderzoek door de medisch adviseur heeft aangegeven dat de oefeningen haar (veel) pijn deden. Uit het medisch advies volgt niet of en zo ja in hoeverre de medisch adviseur rekening houdt met deze pijnklachten bij het gebruik van haar handen en voeten. Daardoor legt de medisch adviseur ook niet uit hoe deze tot de conclusie komt dat fysieke beperkingen ten aanzien van de verzorging van de kinderen ontbreken ondanks deze pijnklachten. Voor zover de medisch adviseur geen rekening houdt met de pijnklachten omdat de pijnklachten niet medisch kunnen worden geobjectiveerd, wijst de voorzieningenrechter op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). De Wmo 2015 vereist immers niet als voorwaarde dat sprake is van beperkingen die als rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg voortvloeien uit ziekte of gebrek. [1] Het feit dat verzoekster pijn ervaart bij een bepaalde beweging, kan een beperking opleveren waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de ondersteuningsbehoefte.
4.4.2.
Uit de door verzoekster overgelegde stukken leidt de voorzieningenrechter af dat het college in bezwaar om een aanvullend medisch advies heeft gevraagd. Naast het medisch advies van 24 november 2025 bevindt zich in het procesdossier enkel een concept-medisch advies van 20 februari 2026. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook dit concept-medisch advies niet inzichtelijk en volledig is. Zo vermeldt de medisch adviseur op p. 3 (bovenaan) dat de handchirurg in de eerdergenoemde brief van 23 december 2024 de diagnose cts polsen beschrijft bij relatief weinig klachten. Verzoekster betoogt terecht dat dit niet in de brief van 23 december 2024 van de handchirurg staat. Zoals al onder 4.4.1 is overwogen maakt de handchirurg enkel melding van weinig klachten ten aanzien van het ‘restje Quervain’. De handchirurg zegt in deze brief niet dat verzoekster weinig klachten ervaart als gevolg van de cts. Daardoor is ook in dit concept-medisch advies niet inzichtelijk hoe de medisch adviseur tot de conclusie komt dat de beperkingen bij verzoekster voortvloeiende uit de cts zodanig zijn dat zij geen beperkingen ervaart bij de verzorging van de kinderen. In dit concept-medisch advies benoemt de medisch adviseur wel de pijnklachten in de polsen en aan de voeten, maar de medisch adviseur legt niet uit waarom ondanks deze pijnklachten toch geen beperkingen worden vastgesteld. Bovendien legt de medisch adviseur niet uit waarom slechts sprake is van ‘milde pijnklachten’, terwijl in de eerder genoemde brieven van de handchirurg en de neuroloog wordt gesproken over zodanige pijn dat verzoekster hier ’s nachts wakker van wordt en niet op haar voet kan staan. Verder gaat de medisch adviseur in dit conceptadvies vooral in op mogelijke behandelingen, maar een mogelijke behandeling laat onverlet dat verzoekster op dit moment beperkingen ervaart waarvoor mogelijk een maatwerkvoorziening moet worden verstrekt. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de uitspraak van de CRvB van 2 augustus 2023. [2]
4.4.3.
Wat is overwogen in 4.4.1 en 4.4.2 leidt tot het oordeel dat het college zijn vergewisplicht niet is nagekomen. Bovendien bieden deze adviezen geen afdoende onderbouwing voor het standpunt van het college in bestreden besluit 2. Daar komt nog bij dat verzoekster een brief van de aanbieder die de kindzorg feitelijk heeft verleend en de conclusie van het onderzoek van de RvdK heeft overgelegd. Uit deze stukken volgt dat verzoekster structureel overbelast is en alleen door de verstrekte ondersteuning in staat is om alle ballen in de lucht te houden. Deze stukken wijzen in de richting van een andere conclusie dan de conclusie die de adviseurs van Argonaut hebben getrokken. Dit betekent dat er met de huidige stand van zaken een grote mate van waarschijnlijkheid bestaat dat bestreden besluit 2 in bezwaar geen stand zal houden.

Conclusie en gevolgen

5. In wat hiervoor is overwogen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal de voorlopige voorziening treffen inhoudende dat de maatwerkvoorziening kindzorg die tot 1 januari 2026 aan verzoekster is verstrekt, wordt verstrekt tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om deze voorlopige voorziening te laten voortduren tot zes weken na de operaties zoals verzoekster heeft verzocht. Hiervoor is van belang dat deze operaties nog niet zijn gepland en dus onduidelijk is wanneer deze plaatsvinden. In zoverre is sprake van een onzekere gebeurtenis in de toekomst. Daardoor valt voor de voorzieningenrechter niet te overzien tot hoe lang de voorlopige voorziening in dat geval zal duren.
5.1.
Zoals volgt uit 4.1 wijst de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster wat betreft de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning af.
5.2.
Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. De voorzieningenrechter begroot de kosten voor verleende rechtsbijstand op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • treft de voorlopige voorziening inhoudende dat het college aan verzoekster de maatwerkvoorziening ondersteuning bij kindzorg die tot 1 januari 2026 aan verzoekster werd verstrekt, verstrekt tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening wat betreft de maatschappelijke ondersteuning af;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.868,-;
  • bepaalt dat het college aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 54,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van K. Postema, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:418, r.o 4.3.
2.ECLI:NL:CRVB:2023:1508, r.o 4.7.1, laatste zin.