Verzoekster, met diverse lichamelijke en psychische klachten en drie minderjarige kinderen, maakte bezwaar tegen het besluit van het college om de maatwerkvoorzieningen huishoudelijke ondersteuning en ondersteuning bij kindzorg af te bouwen. Het college baseerde zijn besluiten op een medisch advies van Argonaut dat geen beperkingen meer vaststelde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang voor huishoudelijke ondersteuning onvoldoende was onderbouwd, waardoor dit verzoek werd afgewezen. Voor de ondersteuning bij kindzorg werd het spoedeisend belang wel aangenomen, omdat het wegvallen van deze zorg zou leiden tot een onwenselijke situatie voor de kinderen.
De medische adviezen van Argonaut werden als onvolledig en onvoldoende onderbouwd beoordeeld, mede omdat pijnklachten en beperkingen niet adequaat waren meegenomen. Verzoekster overlegde aanvullende medische stukken en een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming die wezen op structurele overbelasting.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het college zijn vergewisplicht niet had nageleefd en dat het waarschijnlijk was dat het besluit tot afbouw van kindzorg in bezwaar geen stand zou houden. Daarom werd de voorlopige voorziening voor kindzorg toegekend tot zes weken na de beslissing op bezwaar, terwijl het verzoek voor huishoudelijke ondersteuning werd afgewezen. Het college werd veroordeeld in de proceskosten.