Appellant, bekend met een zenuwinklemming en psychische stoornissen, vroeg bij het college om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Het college weigerde deze voorziening te verstrekken omdat appellant aanspraak zou maken op zorg op grond van de Wlz en een behandeling op grond van de Zvw voorliggend zou zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen belang zou hebben bij een inhoudelijke beoordeling, mede omdat hij inmiddels verhuisd was en geen schade zou hebben geleden. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk belang heeft, omdat hij zijn zussen wil vergoeden die hem ondersteunden en hij schadevergoeding wil vorderen.
De Raad oordeelde dat appellant wel procesbelang heeft, onder meer omdat door het besluit zijn administratie niet op orde was en hij daardoor uit zijn woning is gezet. Het college had ten onrechte geweigerd een maatwerkvoorziening te verstrekken, aangezien appellant ten tijde van belang niet beschikte over een Wlz-indicatie en behandeling op grond van de Zvw niet volledig voorziet in zijn ondersteuningsbehoefte.
De Raad vernietigde het bestreden besluit, herroept het besluit van 24 september 2020 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens veroordeelde de Raad het college in de kosten van appellant.