ECLI:NL:RBOBR:2026:4379

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
SHE 26/1504
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting woning op grond van de Opiumwet wegens drugsgebruik zoon

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester om zijn woning voor zes maanden te sluiten op grond van de Opiumwet, nadat zijn zoon in Veldhoven met drugs was aangehouden en drugs in de woning waren gevonden.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft omdat hij anders op korte termijn zijn woning moet verlaten. De beoordeling van de voorlopige voorziening richt zich op de vraag of het bezwaar redelijke kans van slagen heeft. De burgemeester erkent dat het bestreden besluit gebreken vertoont in de motivering van de geschiktheid, noodzaak en verwijtbaarheid.

De voorzieningenrechter constateert dat de geschiktheid niet is benoemd, de noodzaak onvoldoende is gemotiveerd en dat niet is toegelicht waarom een minder ingrijpend middel niet volstaat, mede gelet op het Damoclesbeleid. Verzoeker had zijn zoon al uit huis gezet en de zoon was uitgeschreven van het adres. Daarom wordt het besluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

De burgemeester moet het griffierecht terugbetalen en proceskosten van €1.868,- vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het besluit tot sluiting van de woning wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar wegens gebrekkige motivering.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1504
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. S.J.F. van Merm),
en

de burgemeester van de gemeente Eersel, de burgemeester,

(gemachtigden: [naam] en mr. P.M.H.M. Bakermans ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit [vestigingsplaats] (derde-partij).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van de burgemeester van 19 mei 2026 om de woning van verzoeker te sluiten op grond van de Opiumwet voor de duur van zes maanden, met ingang van 3 juni 2026 om 13:00 uur (het bestreden besluit).
1.1.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit bij de burgemeester en heeft aan de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De burgemeester heeft toegezegd te wachten met het sluiten van de woning tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester. Derde-partij heeft in een schriftelijke reactie laten weten niet bij de zitting aanwezig te zijn.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening moet de voorzieningenrechter eerst vaststellen dat verzoeker een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker spoedeisend belang heeft, omdat hij door het bestreden besluit op korte termijn geen toegang meer tot zijn woning heeft en elders onderdak moeten vinden.
3. Dan moet er een beoordeling plaatsvinden of het bestreden besluit na bezwaar zal standhouden. Dit heet het voorlopig rechtmatigheidsoordeel. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar van verzoeker redelijke kans van slagen heeft. Heeft het dat niet, dan wordt het verzoek afgewezen. Heeft het dat wel, dan wordt het verzoek toegewezen. Is er twijfel over, dan vindt een belangenafweging plaats tussen het algemeen belang dat de burgemeester met het besluit wil dienen en het concrete belang van verzoeker.
4. De beoordeling doet de voorzieningenrechter mede aan de hand van de rechtspraak die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft neergelegd in onder meer de uitspraak van 16 juli 2025. [1]
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. Zoals op de zitting is besproken, betwist verzoeker niet de bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten. Verzoeker vindt dat de sluiting niet geschikt, niet noodzakelijk en niet evenwichtig is.
7. De gemachtigde van de burgemeester heeft op de zitting desgevraagd erkend dat de geschiktheid niet staat genoemd in het besteden besluit en verklaard dat dit in de beslissing op bezwaar wel nader zal worden toegelicht. Ook heeft de gemachtigde van de burgemeester op de zitting erkend dat het bestreden besluit gebreken kent ten aanzien van de motivering van de noodzaak tot sluiting van het pand als ook de verwijtbaarheid van verzoeker. De burgemeester is voornemens ook dat bij de beslissing op bezwaar te herstellen. Verder heeft de gemachtigde van de burgemeester op de zitting verklaard dat wellicht ook had kunnen worden volstaan met een sluiting voor de duur van drie maanden.
8. De voorzieningenrechter ziet in het vorenstaande aanleiding om de voorziening toe te wijzen. Zoals op de zitting is vastgesteld, heeft de burgemeester in het bestreden besluit de geschiktheid niet genoemd, terwijl er drie maanden zijn verstreken tussen het aantreffen van de drugs in de woning en de bedoelde sluitingsdatum. Verder kleeft aan het bestreden besluit een gebrek in de motivering van de noodzaak van de sluiting, omdat niet kenbaar is gemotiveerd wat de mate van noodzaak is. Niet in geschil is namelijk dat er geen loop naar de woning was, er geen meldingen van overlast waren en verzoeker zijn zoon al voor het bestreden besluit de woning heeft uitgezet en de zoon ook al was uitgeschreven van dit adres. Een verminderde mate van noodzaak kan aanleiding zijn om tot een minder vergaande maatregel te komen. Datzelfde geldt bij een verminderde mate van verwijtbaarheid van verzoeker. In het bestreden besluit is in het geheel niet ingegaan op de verwijtbaarheid van verzoeker en wat dit betekent voor de opgelegde sluiting en de duur daarvan. De voorzieningenrechter wijst daarbij op het Damoclesbeleid van de gemeente Eersel bij een eerste constatering van handel van harddrugs in de woning. Voor zover al sprake is van drugshandel in de woning (de zoon is op 16 kilometer afstand van de woning dealend aangetroffen), zal de burgemeester moeten motiveren waarom niet kan worden volstaan met een waarschuwing, last onder dwangsom of een sluiting van een kortere periode dan zes maanden. De burgemeester zal moeten motiveren in welke mate verzoeker een verwijt kan worden gemaakt gelet op het samenstel van de feiten in deze zaak. Er zijn in de woning gevonden goederen getest op harddrugs, maar de precieze vindplaatsen van deze goederen zijn niet kenbaar. Dat is wel van belang in het kader van de verwijtbaarheid, omdat de zoon wordt gezien als de eigenaar van de harddrugs en niet verzoeker. Bovendien moet daarbij worden betrokken dat verzoeker een einde heeft willen maken aan de situatie door zijn zoon het huis uit te sturen en zijn zoon zich op een ander adres heeft ingeschreven al vóór het bestreden besluit. Uitgaande van deze gebreken en kijkende naar de belangen die op het spel staan als ook de ingrijpendheid van het gekozen middel, schorst de voorzieningenrechter het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van het besluit op het bezwaar. Dat betekent dat de burgemeester de woning in elk geval tot dan niet mag sluiten.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op het bezwaar.
10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijst, moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker terugbetalen en krijgt verzoeker ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (2 punten met een waarde per punt van € 934,–) omdat verzoekers gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
11. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026 door mr. M.P. Bos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V. Vonk, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.