Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4449

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
26/1587
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 1:6 APV Eindhoven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking exploitatievergunning wegens slecht levensgedrag

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking van haar exploitatievergunning door de burgemeester van Eindhoven vanwege slecht levensgedrag van leidinggevenden en vennoten, gebaseerd op bestuurlijke rapportages over betrokkenheid bij drugshandel.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening en concludeerde dat verzoekster onvoldoende haar spoedeisend belang had onderbouwd, met name door het ontbreken van inzicht in haar vermogenspositie en onvoldoende bewijs van financiële nood.

Daarnaast oordeelde de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig was, omdat de burgemeester voldoende had gemotiveerd waarom het gedrag van de leidinggevenden en vennoten als slecht levensgedrag werd aangemerkt en dit verband hield met de openbare orde en veiligheid.

De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af en benadrukte dat dit oordeel voorlopig is en niet bindend voor de bodemprocedure. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de exploitatievergunning is afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1587

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. P.J.A. van de Laar),
en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, de burgemeester,

(gemachtigde: mr. M.L.M. Lammerschop en E. Jansen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van de exploitatievergunning van verzoekster op het adres [adres] in [woonplaats] op grond van slecht levensgedrag. [1] Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 11 mei 2026 heeft de burgemeester de exploitatievergunning van verzoekster ingetrokken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft op 1 juni 2026 aan verzoekster gevraagd om haar spoedeisend belang nader te onderbouwen.
2.2.
Verzoekster heeft op 3 juni 2026 nadere stukken ingediend ter onderbouwing van haar spoedeisend belang.
2.3.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
Verzoekster heeft op 11 juni 2026 en 12 juni 2026 nadere stukken ingediend.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] (beiden vennoot en leidinggevende van verzoekster), de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van de burgemeester.

Totstandkoming van het besluit

3. Aan verzoekster is op 27 november 2018 een exploitatievergunning verleend (kenmerk [nummer 2] ) voor een openbare inrichting aan de [adres] in [woonplaats] met als vennoten [naam] en [naam] Op het aanhangsel, dat laatstelijk is gewijzigd op 22 februari 2024, staan zes leidinggevenden opgenomen:
  • [naam]
  • [naam]
  • [naam]
  • [naam]
  • [naam]
  • .
[naam] en [naam] zijn getrouwd en de vier laatstgenoemde leidinggevenden zijn hun kinderen.
4. Naar aanleiding van een proces-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) van 7 augustus 2024, waarin staat dat [naam] samen met zijn zonen al jaren in de hasjhandel zit, is de politie een onderzoek gestart. Naar aanleiding van dit strafrechtelijk onderzoek zijn [naam] , [naam] , [naam] en [naam] op 16 september 2025 aangehouden. Na deze aanhoudingen heeft de politie een aantal locaties doorzocht, waaronder de ondernemingen gelegen aan de [adres] ( [naam] ), [nummer 1] ( [naam] ), en [nummer 1] ( [naam] ). Van de bevindingen heeft de politie een bestuurlijke rapportage opgemaakt, gedateerd op 9 december 2025. Ook heeft de politie de woning aan de […] in [woonplaats] doorzocht. Deze woning staat op naam van [naam] Van deze bevindingen heeft de politie een afzonderlijke bestuurlijke rapportage opgemaakt, gedateerd op 30 september 2025.
5. In de bestuurlijke rapportage van 9 december 2025 die ziet op de ondernemingen staat onder meer het volgende. De door de TCI verstrekte informatie wordt door de politie als betrouwbaar aangemerkt. Uit de chats van de EncroChat-accounts ‘ [naam] ’ en ‘ [naam] ’ valt op te maken dat de gebruikers van deze accounts in de periode van 28 maart 2020 tot en met 6 juni 2020 nauw samenwerkten in grootschalige hasjhandel. Na onderzoek naar de identiteit van de betreffende EncoChat-accounts is het aannemelijk dat het account ‘ [naam] ’ in gebruik was bij [naam] en het account ‘ [naam] ’ in gebruik was bij [naam] . Uit de chatberichten tussen [naam] , ‘ [naam] ’, en [naam] , ‘ [naam] ’, volgt verder dat zij samenwerkten wat betreft de opslag van verdovende middelen, in ieder geval hasj en dat er verdovende middelen werden (af)geleverd en opgeslagen op de ‘zaak’ of ‘winkel’ en dat het aannemelijk is dat hiermee de ondernemingen [naam] of [naam] wordt bedoeld. Verder ontstond binnen het politieonderzoek [naam] / [nummer 1] het vermoeden dat een verdachte in dit onderzoek zich bezighield met handel in hasj met leden van de familie [naam] in [woonplaats] . Er hebben op 4 december 2024, 15 december 2024 en 4 januari 2025 ontmoetingen plaatsgevonden waarbij het aannemelijk is geweest dat er handel in hasj plaatsvond. De ontmoetingen vonden plaats in en in de omgeving van de ondernemingen [naam] en [naam] .
6. In de bestuurlijke rapportage van 30 september 2025 die ziet op de woning van [naam] staat onder meer het volgende. In de woning zijn onder andere verdovende middelen (in totaal 341,14 gram softdrugs), een geldtelmachine, een weegschaal, meerdere gripzakjes en contante geldbedragen van in totaal € 13.470,‒ aangetroffen. Door de politie is in de bestuurlijke rapportage opgemerkt dat dit kan wijzen op drugshandel en dat uit onderzoek blijkt dat het aannemelijk is dat in de woning aan de […] in [woonplaats] een middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet werd verkocht, afgeleverd of verstrekt,
dan wel daartoe aanwezig was.
7. Bij brief van 18 maart 2026 heeft de burgemeester aan verzoekster laten weten dat hij voornemens is om de exploitatievergunning voor het adres [adres] in [woonplaats] in te trekken op grond van slecht levensgedrag.
8. Op 30 maart 2026 heeft verzoekster zienswijzen ingediend. Bij de zienswijzen zijn twee vaststellingsovereenkomsten overgelegd waarin staat dat de arbeidsovereenkomsten van [naam] en [naam] zijn beëindigd per 26 september 2025.
9. Op 23 april 2026 heeft de politie een aanvullende bestuurlijke rapportage opgesteld.
Het bestreden besluit
10. De burgemeester heeft op 11 mei 2026 het bestreden besluit genomen en stelt zich daarin op het standpunt dat [naam] (vennoot en leidinggevende), [naam] (leidinggevende), [naam] (leidinggevende) en [naam] (vennoot en leidinggevende) in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. De burgemeester acht het op basis van de bestuurlijke rapportages en ingediende zienswijze aannemelijk dat [naam] samen met [naam] en [naam] , in georganiseerd verband, al dan niet in nauwe samenwerking met elkaar en waarbij gebruik wordt gemaakt van familiebanden, betrokken zijn bij handel in verdovende middelen. Daarnaast acht de burgemeester het aannemelijk dat de openbare inrichtingen (horecazaken) van de familie, worden gebruikt voor het (af)leveren van drugs en geldbedragen die verband houden met deze handel. Volgens de burgemeester raken deze gedragingen, die verband houden met de handel in verdovende middelen, rechtstreeks aan de openbare orde, veiligheid en het woon- en leefklimaat en zijn daarom volgens de burgemeester relevant voor de beoordeling van het levensgedrag. Verder acht de burgemeester het aannemelijk dat in (de omgeving van) deze ondernemingen diverse ontmoetingen hebben plaatsgevonden waarbij geldbedragen en drugs werden overgedragen. De burgemeester acht het verder aannemelijk dat [naam] , gelet op haar positie als mede-eigenaar en leidinggevende van de ondernemingen hier wetenschap van had of had behoren te hebben. Bovendien is in haar woning 341,14 gram softdrugs, attributen die verband houden met softdrugs en contante geldbedragen van totaal €13.470,‒ aangetroffen. De burgemeester wijst erop dat drugsfeiten expliciet worden genoemd in de Beleidsregel beoordeling levensgedrag Eindhoven 2025 (hierna: Beleidsregel) en risico’s opleveren voor de openbare orde, veiligheid en het woon- en leefklimaat. Ook hebben deze feiten directe invloed op de betrouwbaarheid, veiligheid en integriteit van de horecazaken. De burgemeester acht het gelet op de bevindingen in de bestuurlijke rapportage noodzakelijk om de vergunning in te trekken en een minder vergaande maatregel acht hij niet passend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is er een spoedeisend belang?
11. De voorzieningenrechter stelt voorop dat deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een louter financieel geschil is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, kan worden aangenomen dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat de voorzieningenrechter alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
12. Verzoekster stelt dat zij als gevolg van het bestreden besluit in een financiële noodsituatie danwel faillissement terecht komt omdat zij haar bedrijf niet meer kan exploiteren. De omzet is stilgevallen, maar de vaste lasten, zoals de hypotheek van het pand, verzekeringen, energierekeningen, het loon van de negen werknemers en de betaling van de leveranciers, lopen wel door. Verzoekster betoogt verder dat zij haar ruimte heeft verhuurd voor verlovingen en trouwfeesten en dat dit als gevolg van het besluit niet door kan gaan. Hierdoor worden mensen gedupeerd omdat zij niet de mogelijkheid hebben om ergens anders ruimte te huren vanwege de volle ‘markt’. Verzoekster heeft verder aangevoerd dat zij een goed lopende onderneming heeft en dat als gevolg van het besluit klanten weg zullen blijven omdat dit de goodwill van de onderneming aantast.
13. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het aan verzoekster is om haar gestelde spoedeisend belang al dan niet met bewijsstukken te onderbouwen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verzoekster hierin, nadat haar hiervoor expliciet de gelegenheid is gegeven, niet geslaagd. Verzoekster stelt wel dat zij de bezwaarprocedure niet kan afwachten, maar daarvan heeft zij geen concreet en verifieerbaar bewijs overgelegd. De voorzieningenrechter wil aannemen dat de vaste lasten doorlopen, maar verzoekster heeft op geen enkele manier inzage gegeven in haar vermogenspositie. Uit de door verzoekster overgelegde stukken valt niet op te maken dat er geen financiële reserves zijn om de besluitvorming in de bezwaarprocedure af te wachten. De voorzieningenrechter merkt verder op dat een groot deel van de door verzoekster overgelegde stukken, zoals de loonstaten, facturen en de verklaring van de boekhouder, enkel betrekking hebben op de ondernemingen [naam] en [naam] en niet op verzoekster. Dat verzoekster negen werknemers in dienst heeft, blijkt niet uit de stukken. De voorzieningenrechter neemt verder in acht dat verzoekster in haar gronden van bezwaar en verzoek om een voorlopige voorziening meerdere malen stelt dat zij een goed lopende onderneming heeft. Van verzoekster mag worden verwacht dat zij duidelijk inzicht geeft in haar vermogenspositie ter onderbouwing van haar stellingen. Dat heeft zij zonder toereikende verklaring nagelaten.
14. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verzoekster ook niet met bewijsstukken heeft onderbouwd dat een spoedeisend belang is gelegen in de verhuur van de ruimte. De overgelegde vier huurovereenkomsten waaruit zou moeten blijken dat de ruimte is verhuurd voor geplande verlovings- en henna-evenementen op 26 juni 2026, 6 september 2026, 15 september 2026 en 10 oktober 2026 zijn hiervoor onvoldoende. De voorzieningenrechter stelt in de eerste plaats vast dat deze overeenkomsten niet zijn ondertekend. Hierdoor kan niet zonder meer worden vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake is van verhuur voor evenementen. Bovendien heeft de burgemeester op de zitting verklaard dat het bezwaarschrift van verzoekster op 16 juli 2026 op een hoorzitting zal worden behandeld waarna ongeveer binnen een maand een beslissing op het bezwaarschrift zal worden genomen. Dat verzoekster de overeenkomsten in afwachting van de beslissing op het bezwaarschrift niet kan nakomen, is mede gelet op de genoemde data voor de geplande evenementen geen vaststaand gegeven. Voor verzoekster geldt daarbij het financiële belang, waarvan hiervoor is geoordeeld dat dit niet is onderbouwd. Het gestelde belang van degenen die de ruimte hebben gehuurd, kan in deze procedure niet leiden tot een spoedeisend belang van verzoekster.
15. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang ontbreekt.
Evident onrechtmatig besluit?
16. Op grond van vaste rechtspraak kan in het geval dat het spoedeisend belang ontbreekt alleen nog een voorziening worden getroffen als sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Daarmee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de burgemeester ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven.
17. Met inachtneming van het hierna weergegeven toetsingskader en gelet op de toepassing daarvan bij het bestreden besluit oordeelt de voorzieningenrechter dat geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit.
17.1
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het vereiste dat een leidinggevende of exploitant niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is, ertoe strekt het belang van de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf te waarborgen. In de terminologie ligt besloten dat het om eerder getoond gedrag gaat dat in het licht van deze motieven niet past bij de verantwoordelijkheid die op een leidinggevende van een horecabedrijf rust. Bij de invulling van de eis over het levensgedrag komt de burgemeester beoordelingsruimte toe. Wanneer aan een leidinggevende van een horecabedrijf wordt tegengeworpen dat hij in enig opzicht van slecht levensgedrag is, moet dit per geval door de burgemeester worden onderbouwd. Van geval tot geval zal het verschillen welke feiten en/of omstandigheden aanleiding geven tot tegenwerping van het levensgedrag. [2] Die feiten en omstandigheden moeten wel verband houden met de vraag of het horecabedrijf kan worden geëxploiteerd op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Verder mag de toepassing van de eis dat een betrokkene niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is, op grond van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel niet verder gaan dan nodig is om te waarborgen dat horecabedrijven worden geëxploiteerd op een wijze die geen gevaar oplevert voor de veiligheid, de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Dit betekent dat geringe feiten en omstandigheden die te maken hebben met het levensgedrag op zichzelf bezien niet mogen leiden tot een weigering van een exploitatievergunning en dat feiten en omstandigheden die wel kunnen leiden tot het oordeel dat de aanvrager van slecht levensgedrag is, niet gedurende een onredelijke lange periode in de weg mogen blijven staan aan verlening van de gevraagde vergunning. De burgemeester moet daarom motiveren waarom de feiten en omstandigheden waarop hij zijn weigering baseert niet gering zijn en waarom zij, ondanks een bepaald tijdsverloop, nog steeds iets zeggen over de betrouwbaarheid van betrokkene om een horecabedrijf op verantwoorde wijze uit te oefenen. [3]
17.2
De burgemeester heeft bij het bestreden besluit, gelezen in samenhang met het verweerschrift, met inachtneming van het toetsingskader uit de rechtspraak, uitgebreid en inzichtelijk gemotiveerd dat hij op grond van artikel 1.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de APV Eindhoven bevoegd is om de exploitatievergunning in te trekken, omdat sprake is van slecht levensgedrag. Door middel van de Beleidsregel heeft de burgemeester invulling gegeven aan het criterium ‘slecht levensgedrag’. Drugsfeiten zijn gedragingen die volgens de burgemeester een gevaar opleveren voor de openbare orde.
17.3
In dit geval liggen aan het bestreden besluit drie bestuurlijke rapportages van de politie ten grondslag. De burgemeester mag voor zijn besluit in beginsel afgaan op de juistheid van de feiten en de bevindingen in de op ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende bestuurlijke rapportage van de politie. In dat wat verzoekster heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen die in de rapportages zijn vermeld. De burgemeester heeft daarom de bevindingen uit de bestuurlijke rapportages in zijn beoordeling kunnen betrekken en heeft daaruit kunnen concluderen dat [naam] , [naam] , [naam] en [naam] in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. De burgemeester heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat de gedragingen niet gering zijn en waarom de gedragingen ondanks tijdsverloop nog steeds iets zeggen over de betrouwbaarheid en dat intrekking van de vergunning noodzakelijk is.

Conclusie en gevolgen

18. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. I. van der Wijngaart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 1:6, eerste lid, onder f, van de APV Eindhoven.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1493.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1385.