Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking van haar exploitatievergunning door de burgemeester van Eindhoven vanwege slecht levensgedrag van leidinggevenden en vennoten, gebaseerd op bestuurlijke rapportages over betrokkenheid bij drugshandel.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om een voorlopige voorziening en concludeerde dat verzoekster onvoldoende haar spoedeisend belang had onderbouwd, met name door het ontbreken van inzicht in haar vermogenspositie en onvoldoende bewijs van financiële nood.
Daarnaast oordeelde de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig was, omdat de burgemeester voldoende had gemotiveerd waarom het gedrag van de leidinggevenden en vennoten als slecht levensgedrag werd aangemerkt en dit verband hield met de openbare orde en veiligheid.
De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af en benadrukte dat dit oordeel voorlopig is en niet bindend voor de bodemprocedure. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.