Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking van haar exploitatievergunning door de burgemeester van Eindhoven vanwege slecht levensgedrag van leidinggevenden en vennoten, gerelateerd aan betrokkenheid bij drugshandel. De voorzieningenrechter beoordeelt of een voorlopige voorziening kan worden getroffen in afwachting van de bezwaarprocedure.
De voorzieningenrechter concludeert dat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang. Zij heeft geen concreet inzicht gegeven in haar vermogenspositie, noch voldoende bewijs geleverd dat zij de bezwaarprocedure niet kan afwachten zonder onomkeerbare financiële gevolgen. Ook de stelling dat de huurovereenkomst dreigt te worden ontbonden is onvoldoende onderbouwd.
Daarnaast is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. De burgemeester heeft op basis van drie bestuurlijke rapportages en het beleidskader voor levensgedrag gemotiveerd dat sprake is van slecht levensgedrag, dat een gevaar vormt voor de openbare orde en veiligheid. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze bevindingen te twijfelen.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Dit oordeel is voorlopig en bindt niet in een eventuele bodemprocedure.