ECLI:NL:RBOBR:2026:448

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
24/996
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
paragraaf 7.1 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen wijziging WGA-uitkering wegens onvoldoende motivering OSAS-beperkingen

Eiser, een voormalig buitengewoon opsporingsambtenaar, maakte bezwaar tegen de omzetting van zijn loongerelateerde WGA-uitkering naar een WGA-vervolguitkering, waarbij het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage verhoogde van 42,26% naar 50,53%.

De rechtbank beoordeelde het medisch en arbeidsdeskundig onderzoek van het UWV en concludeerde dat het onderzoek in grote lijnen zorgvuldig was uitgevoerd. Wel oordeelde de rechtbank dat de verzekeringsarts B&B onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de beperkingen als gevolg van obstructief slaapapneu syndroom (OSAS) niet zijn meegenomen, terwijl eiser het gebruik van CPAP en andere hulpmiddelen zelf had gestaakt.

De rechtbank achtte dit in strijd met paragraaf 7.1 van de Wet WIA en verwees naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen.

Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser. De rechtbank zag geen aanleiding om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen en achtte het medisch onderzoek verder voldoende zorgvuldig.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV-besluit vernietigd vanwege onvoldoende motivering van beperkingen door OSAS; het UWV moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/996

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Akdeniz),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. A.J.P. Mijs).
Als derde-partij neemt aan het geding deel:
Politie, te [woonplaats 2] (de ex-werkgever van eiser)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de omzetting van zijn loongerelateerde WGA [1] -uitkering naar een WGA-vervolguitkering.
1.1.
Het UWV heeft met het besluit van 4 juli 2022 bepaald dat eiser met ingang van 17 september 2022 recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering. Naar aanleiding van het bezwaar van de werkgever tegen dit besluit heeft er een medisch en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 42,26%. Eiser heeft op het voornemen tot een wijzigingsbeslissing gereageerd.
1.2.
Met het besluit van 17 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van de werkgever gegrond verklaard. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is gewijzigd naar 50,53%.
1.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser samen met zijn dochter, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. De ex-werkgever heeft zich afgemeld voor de zitting.

Feiten

2. Eiser werkte als buitengewoon opsporingsambtenaar bij de Nationale Politie voor gemiddeld 39,27 uur per week. Op 20 september 2018 meldde hij zich ziek voor dit werk. Na de wachttijd van 104 weken werd eiser in het kader van de WIA-beoordeling voor 80-100% arbeidsongeschikt geacht. Met het besluit van 27 oktober 2020 is aan eiser per 17 september 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Met de beslissing van 4 juli 2022 zijn eiser en de werkgever geïnformeerd dat eiser vanaf 17 september 2022 een WGA-loonaanvullingsuitkering krijgt. De werkgever heeft tegen dat besluit bezwaar ingediend, omdat die beslissing niet gebaseerd was op een actueel medisch en arbeidsdeskundig onderzoek. Hangende het bezwaar heeft dit onderzoek alsnog plaatsgevonden waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser per 17 september 2022 werd vastgesteld op 42,26%. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft het UWV op 14 maart 2023 partijen geïnformeerd over het voornemen tot een wijzigingsbeslissing. Eiser heeft daarop gereageerd waarna de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) en arbeidsdeskundige B&B onderzoek hebben verricht. Daarbij werd het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 50,53%. Dat heeft geleid tot de besluitvorming die onder het kopje ‘Inleiding’ is besproken.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de vaststelling van het UWV van de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 17 september 2022 (de datum in geding) op 50,53%. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunten van partijen
4. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser, met zijn beperkingen, in staat moet worden geacht drie geselecteerde voorbeeldfuncties uit te voeren. Vergelijking met het inkomen dat eiser in deze functies kan verdienen met het inkomen dat hij eerder verdiende, leidt tot de conclusie dat eiser 50,53% arbeidsongeschikt is.
4.1.
Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert aan dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het UWV onzorgvuldig is geweest en verzoekt de rechtbank een onafhankelijk deskundige te benoemen om het dossier op zijn merites te laten beoordelen. De verzekeringsartsen hebben de medische informatie van de huisarts niet kenbaar bij de beoordeling betrokken en de verzekeringsarts B&B heeft eiser niet onderzocht. Daarnaast stelt eiser dat hij meer beperkt is dan het UWV heeft aangenomen en onverminderd volledig arbeidsongeschikt is. Zijn fysieke en psychische beperkingen zijn onderschat. Ter nadere onderbouwing heeft eiser medische informatie van een psycholoog en de uroloog overgelegd. Arbeidskundig voert eiser aan dat hij niet in staat is om de geselecteerde voorbeeldfuncties te verrichten.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
5. De rechtbank vindt dat het medisch onderzoek van het UWV in deze zaak voldoende zorgvuldig is geweest. Daarbij is het volgende van belang.
5.1.
De primaire verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd. Op 2 februari 2023 heeft een spreekuur plaatsgevonden. Daar is gesproken over onder andere de klachten en het dagverhaal. Ook heeft de primaire verzekeringsarts bij eiser observerend psychisch en lichamelijk onderzoek verricht. Na het spreekuur heeft de primaire verzekeringsarts uit zorgvuldigheid informatie bij de huisarts en psychiater opgevraagd. Zij heeft haar bevindingen vastgelegd in een rapport van 2 februari 2023 en een FML van dezelfde datum.
5.2.
De verzekeringsarts B&B heeft in het kader van de heroverweging het dossier bestudeerd, kennisgenomen van eisers reactie op het voornemen tot een wijzigingsbeslissing en het verslag van de hoorzitting van 25 oktober 2023. De verzekeringsarts B&B heeft onderkend dat de opgevraagde informatie van de huisarts niet kenbaar is meegewogen in de beoordeling en heeft aangegeven dat hij dit gebrek zal herstellen. Uit het rapport van 11 december 2023 valt ook af te leiden dat de verzekeringsarts B&B de informatie die blijkt uit het huisartsenjournaal kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken. Of de verzekeringsarts B&B dat op een juiste wijze heeft gedaan, zal verderop bij het inhoudelijk medische oordeel door de rechtbank worden beoordeeld. De verzekeringsarts B&B heeft in zijn rapport uitgelegd dat hij geen aanleiding heeft gezien om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat er medische informatie ontbreekt. De conclusies van de verzekeringsarts B&B vloeien logisch voort uit de bevindingen.
5.3.
Eiser vindt dat de verzekeringsarts B&B hem ten onrechte niet heeft onderzocht. Dat de verzekeringsarts B&B in het huisartsenjournaal aanleiding had moeten zien om hem nogmaals op een spreekuur te onderzoeken, volgt de rechtbank niet. De verzekeringsarts B&B heeft namelijk toegelicht dat door de primaire verzekeringsarts een op de stoornis gericht medisch onderzoek werd verricht en dat dit onderzoek zorgvuldig is geweest. Gelet op het feit dat de verzekeringsarts B&B het informatiegebrek heeft onderkend en hersteld, heeft hij in de meegewogen medische informatie van de huisarts geen aanleiding gezien om eiser nogmaals op te roepen voor een spreekuur. De rechtbank heeft ook geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsarts B&B aanvullend onderzoek had moeten verrichten.
6. Gelet op wat hiervoor is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om een onafhankelijk medische deskundige te benoemen, omdat de rechtbank over voldoende informatie beschikt om een oordeel te geven.
De medisch inhoudelijke beoordeling
7. De rechtbank beoordeelt of eiser met wat hij heeft aangevoerd twijfel heeft doen ontstaan aan de juistheid van de besluitvorming door het UWV. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
8. Het UWV is ermee bekend dat eiser zowel lichamelijke als psychische klachten heeft. De primaire verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat bij eiser sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden en dat er beperkingen in de fysieke en psychische belastbaarheid zijn. In de FML van 2 februari 2023 zijn daarom beperkingen aangenomen in de rubrieken (1) persoonlijk functioneren, (2) sociaal functioneren, (4) dynamische handelingen, (5) statische houdingen en (6) werktijden. De verzekeringsarts B&B heeft uitgelegd dat geen sprake is van een situatie geen benutbare mogelijkheden en waarom hij geen aanleiding ziet om van het oordeel van de primaire verzekeringsarts af te wijken. Voor meer of forsere beperkingen zien de verzekeringsartsen geen aanleiding. Ook hebben de verzekeringsartsen toegelicht waarom een urenbeperking, zoals tijdelijk vastgesteld bij de WIA-beoordeling in 2020, niet langer aan de orde is.
Darmklachten
9. Eiser ervaart postoperatieve klachten zoals regelmatig krampende buikpijn, opgeblazen gevoel en gasvorming. De primaire verzekeringsarts heeft daarover opgemerkt dat sprake is van een status na een maagcarcinoom en eiser daardoor een verstoord ontlastingspatroon ondervindt, waardoor hij soms bij aandrang snel naar het toilet moet. Dat dit alleen thuis zou kunnen is niet medisch te verklaren. Uit de informatie van de chirurg van 13 maart 2023 blijkt ook dat eiser deze klachten ervaart, maar wordt aangegeven dat er geen specifieke restricties zijn ten aanzien van werk. Eiser heeft geen nieuwe medische informatie ingebracht waaruit blijkt dat hiervoor meer beperkingen aangenomen moesten worden.
Rugklachten
10. Wat eiser ten aanzien van de rugklachten naar voren heeft gebracht doet de rechtbank niet twijfelen aan de beoordeling van het UWV. Uit het rapport van 11 december 2023 volgt dat de verzekeringsarts B&B de uitslag van de MRI zoals opgenomen in het huisartsenjournaal kenbaar heeft beoordeeld en concludeert dat – los van de locatie van de klachten en de geconstateerde afwijkingen – voor deze problematiek al adequate beperkingen zijn opgenomen in de FML. Gelet op de bevindingen van het onderzoek dat door de primaire verzekeringsarts werd verricht, kan de rechtbank die toelichting volgen. Eiser heeft geen medische informatie ingebracht die kan leiden tot het oordeel dat hij forser beperkt had moeten worden.
Vergeetachtigheid, geheugen concentratieproblemen
11. Eiser claimt deze klachten, maar hiervoor is geen onderbouwing te vinden in de medische stukken. Daarom gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij.
Psychische klachten
12. Eiser claimt dat er meer beperkingen aangenomen moeten worden voor zijn psychische klachten. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. Over de psychische problematiek heeft de verzekeringsarts B&B in zijn rapport uitgelegd dat er voor deze problematiek al forse beperkingen in de rubrieken 1 en 2 van de FML zijn aangenomen. Voor wat betreft de medische informatie die eiser heeft overgelegd die blijkt uit het rapport van Forta Intercultureel, heeft het UWV terecht geconcludeerd dat de informatie hoofdzakelijk betrekking heeft op klachten die zien op ruim na de datum in geding. Verder blijkt uit de medicatielijst die op 26 januari 2023 werd afgegeven en het medicatiegebruik van eiser zoals vermeld in het rapport van de primaire verzekeringsarts niet dat eiser de medicatie Bupropion al op datum in geding gebruikte.
Vermoeidheidsklachten
13. Eiser stelt dat de verzekeringsarts B&B ten onrechte geen redenen heeft gezien om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Uit het onderzoek van de primaire verzekeringsarts volgt dat eiser kampt met OSAS en vermoeidheid en ten onrechte wordt gesteld dat geen sprake is van een duidelijke vermoeidheid of een storend gebrek aan energie. Desgevraagd heeft de gemachtigde ter zitting toegelicht dat hij met de slaapproblemen niet alleen doelt op OSAS. Het is een combinatie van de angststoornis, overspannenheid, piekeren en slecht slapen. Eiser ging naar eigen zeggen door het gebruik van een zuurstofapparaat van 30 ademstops naar 20 ademstops per uur waardoor dit voor hem geen significant verschil maakte. Bovendien zijn er door de jaren heen naast de apneu vele andere klachten bijgekomen en is het voor hem lastiger geworden.
13.1.
De rechtbank overweegt dat uit de aanwezige medische informatie blijkt dat bij eiser in 2013 ernstige OSAS is vastgesteld (AHI 33.9/h). In de informatie van de bedrijfsarts van mei 2020 (ruim voor de datum in geding) wordt vermeld dat eiser zijn CPAP al sinds november 2019 niet gebruikt. Uit het rapport van de primaire verzekeringsarts blijkt ook dat eiser – zoals hij op de zitting heeft bevestigd – het gebruik van de CPAP en andere hulpmiddelen zelf heeft gestaakt. Over de OSAS heeft de verzekeringsarts B&B overwogen dat eiser zelf ervoor kiest om de OSAS-behandeling niet aan te gaan. Ter zitting heeft de gemachtigde van het UWV desgevraagd nader toegelicht dat voor zover door de OSAS de klachten zijn ontstaan, daar een goede behandeling mogelijk voor is. Dan wordt er ook verwacht dat daar gebruik van wordt gemaakt, want met die behandeling, met dat hulpmiddel, zouden die klachten wellicht kunnen verdwijnen en is er een grote kans dat die verdwijnen. Dan zouden er geen beperkingen meer voor zijn, omdat er dan geen klachten meer zijn. Dus in die zin kan het UWV daar dan geen rekening mee houden met het vaststellen van de belastbaarheid, aldus de gemachtigde van het UWV.
13.2.
In de overgelegde rapportages van de verzekeringsartsen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom OSAS niet (mede) ten grondslag ligt aan de geclaimde vermoeidheidsklachten en of in verband daarmee (nadere) beperkingen moeten worden opgenomen in de FML. Niet in geschil is dat eiser OSAS heeft. Zonder nadere motivering kan de rechtbank de primaire verzekeringsarts niet volgen in zijn conclusie dat de vermoeidheidsklachten die eiser ervaart niet worden verklaard door OSAS. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat in de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid is opgenomen dat klachten over slapen en waken bijvoorbeeld een onderdeel van het symptoomprofiel zijn bij een aandoening zoals OSAS en door de verzekeringsarts in beschouwing kan worden genomen bij de vraag of dat leidt tot een toegenomen noodzaak tot recuperatie. De in rechtsoverweging 13.1 vermelde motivering van de verzekeringsarts B&B, in samenhang bezien met de toelichting van de gemachtigde op zitting, vat de rechtbank aldus op dat in het onderzoek van de verzekeringsarts B&B geen onderzoek is gedaan naar de eventuele beperkingen als gevolg van OSAS dan wel buiten beschouwing zijn gelaten, omdat eiser het gebruik van de CPAP en/of andere hulpmiddelen zelf heeft gestaakt. De rechtbank acht dat in strijd met paragraaf 7.1 van de wet WIA. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 maart 2019. [2] De beroepsgrond voor zover die betrekking heeft op OSAS slaagt.
Urenbeperking
14. Eiser voert aan dat sprake is van een energetische beperking vanwege zijn hartaandoening. Ook is sprake van aderverkalking, kortademigheid, slapeloosheid (na de operatie) en ervaart eiser psychische en lichamelijke klachten. Hierdoor heeft hij geen nachtrust en viel hij tijdens het werk in slaap. Door zijn vermoeidheid is er recuperatiebehoefte, omdat hij overdag moet bijkomen van een slechte nacht. Bovendien was ten tijde van de medische beoordeling in 2020 wel een urenbeperking aangenomen terwijl de situatie niet veel veranderd is. De gemachtigde van het UWV heeft op de zitting bevestigd dat deze klachten al bekend waren en door de verzekeringsartsen zijn meegewogen bij de beoordeling. Verder was bij de beoordeling in 2020 aangegeven dat het om een tijdelijke urenbeperking ging. De primaire verzekeringsarts heeft getoetst aan de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid en op basis daarvan geconcludeerd dat er geen aanleiding meer bestaat voor een urenbeperking. Gelet op wat de rechtbank onder rechtsoverweging 13.2 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat ook dit onderdeel onvoldoende is gemotiveerd voor zover het samenhangt met OSAS. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen aanleiding om te twijfelen aan de motivering van de verzekeringsartsen ten aanzien van de andere aangevoerde aandoeningen en geclaimde beperkingen. De beroepsgrond slaagt.
De arbeidsdeskundige beoordeling
15. Ter zitting heeft eiser verklaard geen specifieke arbeidsdeskundige gronden te hebben aangevoerd met dien verstande dat als de FML wijzigt, de functies ongeschikt zijn. Bij de huidige stand van zaken behoeft dit vooralsnog geen beoordeling door de rechtbank.

Conclusie en gevolgen

16. De rechtbank draagt het UWV op om een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Het UWV zal gemotiveerd moeten ingaan of in verband met OSAS (nadere) beperkingen moeten worden aangenomen. De rechtbank kan niet uitsluiten dat nader onderzoek moet plaatsvinden, bijvoorbeeld door de verzekeringsarts B&B. Dit is echter aan het UWV om te beoordelen. Vanwege de tijd die daarmee mogelijk is gemoeid ziet de rechtbank in dit geval af van de mogelijkheid om met een tussenuitspraak het UWV in de gelegenheid te stellen om het gebrek te herstellen. De rechtbank geeft het UWV hiervoor een termijn van acht weken.
16.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. [3] Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.534,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.534;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van mr. L.T.H. Verhagen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026.
de griffier is verhinderd om
rechter
de uitspraak te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
3.Stcrt 2025, 39855.