ECLI:NL:CRVB:2019:1096
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting WGA-uitkering en verplichtingen medische behandeling onder Wet WIA
Werkneemster was sinds 2008 arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering. Het UWV stelde in 2014 vast dat haar mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd was en dat zij volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt was. Appellante, de werkgever, maakte bezwaar tegen dit besluit omdat werkneemster geen adequate medische behandeling volgde, wat volgens haar gevolgen zou moeten hebben voor de uitkering.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de Wet WIA onderscheid maakt tussen besluiten over het recht op uitkering en besluiten over het opleggen van sancties wegens het niet naleven van verplichtingen zoals het volgen van medische behandeling. Het UWV hoeft bij de herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid niet ambtshalve te beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd als daartoe geen verzoek is gedaan.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV tot voortzetting van de WGA-uitkering zonder maatregeloplegging. De werkgever kon niet afdwingen dat het UWV dit aspect in het kader van de herbeoordeling zou meenemen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot voortzetting van de WGA-uitkering zonder maatregeloplegging wordt bevestigd.