Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:4572

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
01.033114.23 ontneming
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 3 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 11 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van 189.000 euro met gijzeling tot 1080 dagen

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 26 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak waarin veroordeelde is veroordeeld voor meerdere feiten met betrekking tot de Opiumwet. Er is een overeenkomst gesloten tussen veroordeelde en het Openbaar Ministerie over proces- en vonnisafspraken, waaronder de ontnemingsvordering.

De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 189.000,00, gebaseerd op een rapport van 7 februari 2024 en de procesafspraken. Veroordeelde is verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. Tevens is de maximale duur van de gijzeling bij niet-betaling vastgesteld op 1080 dagen, rekening houdend met de datum van de gepleegde feiten en jurisprudentie van de Hoge Raad.

Veroordeelde heeft afstand gedaan van diverse verweren en verklaringen en stemde vrijwillig in met de procesafspraken, waaronder een gevangenisstraf van 204 dagen (waarvan 102 voorwaardelijk) en een geldboete van € 90.000,-. De rechtbank achtte de totstandkoming van de overeenkomst rechtmatig en in overeenstemming met het recht op een eerlijk proces.

De uitspraak bevestigt de strafrechtelijke veroordeling en legt de ontnemingsmaatregel op, waarbij de rechtbank expliciet de duur van de gijzeling bepaalt conform wettelijke voorschriften en jurisprudentie. De zaak betreft medeplegen van diverse strafbare feiten onder de Opiumwet.

De rechtbank benadrukt dat bij hoger beroep de bewijsmiddelen zullen worden aangevuld, maar op dit moment de procesafspraken en vastgestelde bedragen bindend zijn.

Uitkomst: De rechtbank legt een ontnemingsmaatregel van €189.000,- op met een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen bij niet-betaling.

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer ontneming: 01.033114.23
Datum uitspraak: 26 juni 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1985] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 juni 2026.
In deze zaak is een overeenkomst tussen veroordeelde en het Openbaar Ministerie gesloten betreffende proces- en vonnisafspraken (hierna: de overeenkomst). De rechtbank heeft kennisgenomen van deze overeenkomst, van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van veroordeelde naar voren is gebracht.

De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat vast te stellen op een bedrag van € 189.000,00 en de veroordeelde de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

De procedure.

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 12 juni 2026. Veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
De beoordeling van de overeenkomst tussen veroordeelde en het Openbaar Ministerie betreffende procesafspraken.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van de overeenkomst uit van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat veroordeelde bij de totstandkoming van de overeenkomst werd bijgestaan door raadsman mr. J-H.L.C.M. Kuijpers en dat de veroordeelde kennis heeft genomen van de inhoud van die overeenkomst.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de procesafspraken die veroordeelde en zijn raadsman met de officier van justitie hebben gemaakt. De in de overeenkomst vastgelegde afspraken en de consequenties daarvan zijn door de rechtbank met veroordeelde besproken.
Veroordeelde heeft ter terechtzitting bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen. De rechtbank constateert dat veroordeelde vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank stelt vast dat de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen geen afbreuk doet aan het aan veroordeelde op grond van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens toekomende recht op een eerlijk proces.
Dat betekent dat de rechtbank acht kan slaan op de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.
De procesafspraken houden in dat:
- veroordeelde in het kader van deze overeenkomst:
 geen (nadere) onderzoekswensen indient;
 geen rechtmatigheidsverweren voert;
 geen bewijsverweren voert;
 geen strafmaatverweren voert;
 geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
 afstand doet van de in beslag genomen voorwerpen (aangehecht aan de overeenkomst);
 zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken,
- het Openbaar Ministerie in het kader van deze overeenkomst:
 ter terechtzitting zal rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten als hiervoor weergegeven en de volgende strafeis zal vorderen:
o een gevangenisstraf voor de duur van 204 dagen waarvan 102 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaar;
o een onvoorwaardelijke geldboete van € 90.000,-;
o ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van
€ 189.000,-.
Voorts zien beide partijen af van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.

De standpunten

Op de terechtzitting heeft de officier van justitie zich overeenkomstig de overeenkomst op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 189.000,00 en dat een betalingsverplichting ter grootte van dat bedrag moet worden opgelegd.
De verdediging heeft verzocht om de ontnemingsvordering af te doen, zoals in de procesafspraken is overeengekomen.

De beoordeling van de vordering.

Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 26 juni 2026, waarbij rekening is gehouden met procesafspraken, veroordeeld voor de strafbare feiten:
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van in de uitoefening van een beroep/bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod
Ten aanzien van feit 2:
medeplegen van stoffen te koop aanbieden/ verkopen/ afleveren/ verstrekken / vervoeren en gegevens voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde lid en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten
Ten aanzien van feit 3:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen/te doen plegen/ mede te plegen/ uit te lokken/ een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn/ een ander trachten te bewegen om daartoe gelegenheid/middelen/inlichtingen te verschaffen
en
zich en een ander gelegenheid/middelen/ inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen
en
voorwerpen/vervoermiddelen/stoffen/ gelden/ andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 7 februari 2024 met bijlagen en van de overeenkomst.
De rechtbank stelt de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op
€ 189.000,00. Deze beslissing is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis.
De rechtbank is van oordeel dat aan veroordeelde, overeenkomstig de procesafspraken, de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 189.000,00.
De rechtbank stelt vast dat in de procesafspraken niets is opgenomen met betrekking tot de vast te stellen duur van de gijzeling die kan worden gevorderd bij het uitblijven van betaling. De rechtbank overweegt in dit kader ambtshalve het volgende.
Bij het opleggen van een ontnemingsmaatregel moet de rechtbank op grond van artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd bepalen. Hierbij wordt voor elke volle € 100,00 van het opgelegde bedrag één dag gerekend. De maximale duur van de gijzeling bedraagt drie jaar. Gelet op het vastgestelde bedrag van de ontneming, € 189.000,00 zal in dit geval de maximale gijzelingsduur worden bepaald.
Bij feiten gepleegd vóór 25 juli 2020 betekent dit een maximum van 1080 dagen. Bij feiten gepleegd op of ná 25 juli 2020 betekent dit een maximum van 1095 dagen, zo blijkt uit jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. ECLI:NL:HR:2021:812 en ECLI:NL:HR:2022:805). Nu de door veroordeelde gepleegde feiten deels vóór en deels na 25 juli 2020 zijn gepleegd, zal de rechtbank in het voordeel van betrokkene een maximale duur van de gijzeling hanteren van 1080 dagen.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank:

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 189.000,00 (honderdnegenentachtigduizend euro).
Legt aan
[verdachte]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van
€ 189.000,00 (voluit honderdnegenentachtigduizend euro),ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen.
Bepaalt de duur van
de gijzelingdie met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,
mr. N. Flikkenschild en mr. B.A.R. Janssen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Akkers en mr. T.J. Oosterman, griffiers,
en is uitgesproken op 26 juni 2026.