ECLI:NL:RBOBR:2026:4706

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
25/2532
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 7:1 AwbArt. 7:11 AwbArt. 3.8 OmgevingswetArt. 5.1 Besluit kwaliteit leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen omgevingsvergunning voor verbouwing kerk tot sportcentrum met parkeerafkoop

De zaak betreft een beroep van eiser tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven voor de verbouwing van een kerkgebouw tot sport- en fitnesscentrum met fysiotherapeutische zorg. Eiser betwist met name de afkoop van 9 parkeerplaatsen in de openbare ruimte en de daaraan verbonden stortingsverplichting van €9.000 in het gemeentelijk Mobiliteitsfonds.

De rechtbank oordeelt dat eiser ontvankelijk is in het beroep en behandelt de inhoudelijke gronden. De rechtbank stelt vast dat het college terecht is uitgegaan van een parkeerbehoefte die alleen de toename door het bouwplan betreft, waarbij het historisch tekort en de langdurige leegstand van het pand worden meegewogen. Het gebruik als zendmastlocatie wordt niet als relevant gebruik voor parkeerbehoefte beschouwd. De rechtbank volgt de jurisprudentie dat alleen de toename van parkeerbehoefte relevant is en dat leegstand van meer dan vijf jaar leidt tot nihil parkeerbehoefte.

Verder oordeelt de rechtbank dat het college terecht is uitgegaan van de totale vloeroppervlakte van 655 m2 voor de berekening van de parkeernorm, omdat de gebruikswijziging het gehele pand betreft. De stelling van eiser dat alleen de entresolvloer vergunningplichtig is en getoetst mag worden, wordt verworpen. Ook het beroep op het maatwerkbeginsel en het evenredigheidsbeginsel faalt, omdat geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond die afwijking rechtvaardigen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de omgevingsvergunning inclusief de verplichting tot storting in het Mobiliteitsfonds voor 9 parkeerplaatsen in stand blijft. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning en de parkeerafkoopverplichting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2532 OWBOUW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. drs. H.A. Pasveer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college,
(gemachtigde: mr. B. Timmermans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van het kerkgebouw aan de [adres] in [plaats] tot sport- en fitnesscentrum, in combinatie met fysiotherapeutische zorg. Eiser is het niet eens met deze vergunning voor zover het ziet op de afkoop van 9 parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [naam 1] (huurder/exploitant van het pand) heeft een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 mei 2025 toegewezen en daaraan de verplichting verbonden om een storting te doen in het gemeentelijk Mobiliteitsfonds ter hoogte van € 9.000,-. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de omgevingsvergunning en daaraan verbonden stortingsverplichting gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
Op 11 november 2025 zijn de gronden van beroep aangevuld.
2.4.
Op 27 januari 2026 heeft het college een nader verweerschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben voorafgaande aan de zitting aan de rechtbank medegedeeld niet aanwezig te zullen zijn.

Beoordeling door de rechtbank

3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wettelijke regels en beleid zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
4. - Op 24 april 2025 heeft [naam 1] bij het college een aanvraag ingediend tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor de herontwikkeling van het pand (gemeentelijk monument) aan de [adres] in [woonplaats] ( [kadaster nummer] ), zijnde de voormalige [kerk] tot sport- en fitnesscentrum in combinatie met fysiotherapeutische zorg. Aangegeven is dat de entresolvloer -die in de open ruimte van de kerk wordt geplaatst- de enige toevoeging in oppervlakte is. De kerk wordt herbestemd naar Boutique sportgym.
De kerkvloer wordt verwijderd en vervangen door een geïsoleerde vloer met vloerverwarming. In de sacristie worden de natte cellen gerealiseerd.
Het bestaande pand (kerkgebouw) heeft een oppervlakte van 570 m2 BVO. Met het bouwplan is sprake van een uitbreiding van 85 m2. De totale oppervlakte is aldus 655 m2.
- Bij primair besluit van 12 mei 2025 heeft het college aan [naam 1] een omgevings-vergunning voor “technisch bouwen”, de “omgevingsplanactiviteit -bouwwerk” en de “omgevingsplanactiviteit -gemeentelijk monument” verleend. De ontwikkeling resulteert in een extra parkeerbehoefte van 21 parkeerplaatsen. Van deze parkeerbehoefte worden
9 parkeerplaatsen opgevangen in de openbare ruimte. In totaal wordt er aan eiser voor het gebruik van 9 parkeerplaatsen in de openbare ruimte een storting in het Mobiliteitsfonds opgelegd van € 9.000,-
- Tegen het primaire besluit is door [eiser] namens [naam 1] bezwaar gemaakt. Bij mail van 11 september 2025 is door [eiser] een aanvullende notitie op het eerdere bezwaar ingediend.
- Met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
Ontvankelijkheid
5. De rechtbank heeft zichzelf ambtshalve voor de vraag gesteld gezien of [eiser] ontvankelijk is in beroep nu hij op eigen titel beroep heeft ingesteld. Uit de bewoordingen van het beroepschrift is niet op te maken dat hij dit (mede) als gemachtigde van [naam 1] (huurder/exploitant) heeft gedaan. Gelet op artikel 7:1 Awb Pro kan alleen beroep worden ingesteld indien voordien door de betreffende persoon bezwaar is gemaakt.
5.1.
Het bezwaar van 12 juni 2025 heeft eiser namens [naam 1] ingediend, zo leidt de rechtbank af uit een zich bij de gedingstukken bevindende volmacht van 16 mei 2025, en uit het feit dat in het bezwaarschrift de naam [naam 1] staat.
Een later schrijven van 12 juni 2025 merkt de rechtbank aan als een zelfstandig bezwaar van [eiser] nu hierin in de aanhef niet [naam 1] is vermeld. Dit bezwaar is tijdig ingediend. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college desgevraagd aangegeven dat het [eiser] als eigenaar van het pand ook als belanghebbende ziet. Nu eiser belanghebbende is en tijdig bezwaar heeft gemaakt en de beslissing op bezwaar ook aan hem is gericht, is eiser ontvankelijk. De rechtbank zal het beroep inhoudelijk behandelen.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser zich richt tegen het onderdeel parkeren.
Planologisch kader
7. Ten tijde van het primaire besluit heeft het pand aan de [adres] op grond van het bestemmingsplan “Woensel-Noord 2021” de bestemming “Maatschappelijk” (art. 11). Tevens geldt ter plaatse het paraplubestemmingsplan “Archeologie 2023”. Deze maken deel uit van het “Omgevingsplan gemeente Eindhoven”. In het “Paraplubestemmingsplan parkeren, kamerbewoning en woningsplitsing 2021” is sprake van de Actualisatie nota Parkeernormen 2019. In artikel 4 is Pro de mogelijkheid van een beleidswijziging vermeld. Dan wordt het nieuwe beleid toegepast. Gelet hierop was ten tijde van het primaire besluit de Nota parkeernormen 2024 van toepassing.
Ten tijde van het besluit op bezwaar is het Omgevingsplan gemeente Eindhoven geldend.
Hierin heeft de locatie de bestemming “maatschappelijk gebied”.
Ingevolge artikel 3.8 en 5.38 van de regels van dit plan is de Nota parkeernormen 2024 (nog steeds) het toetsingskader. Het omgevingsplan dat gold ten tijde van het besluit op bezwaar heeft geen wijziging tot gevolg voor wat betreft de toets aan de parkeernormen.
In de Nota parkeernormen 2024 zijn in Bijlage 5 de afkoopbedragen genoemd waarmee het gemeentelijke mobiliteitsfonds wordt gevuld. In het onderhavige geval gaat het om € 1.000,- per parkeerplaats in de openbare ruimte.
7.1.
Artikel 7:11, eerste lid, van de Awb bepaalt dat op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt. Als uitgangspunt daarbij geldt dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit wordt wel een "ex nunc" beoordeling genoemd. "Ex nunc" beoordelen in bezwaar houdt in dat het bestuursorgaan de heroverweging in beginsel moet laten plaatsvinden aan de hand van het op het moment van het besluit op bezwaar geldende recht en feiten en omstandigheden. Bij wijze van uitzondering moet het college het ten tijde van het indienen van een aanvraag om vergunning nog wél, maar ten tijde van het besluit daarop, niet meer geldende recht toepassen. Die uitzondering is uitsluitend aan de orde als ten tijde van het indienen van de aanvraag sprake was van een rechtstreekse aanspraak op het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het bouwen.
Nu in dit geval geen sprake is van het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan, zijn de bepalingen van het bestemmingsplan “Woensel-Noord 2021” en het Paraplubestemmingsplan parkeren bepalend.
Weigering salderen
8. Eiser is van mening dat het college ten onrechte niet heeft gesaldeerd. Naar zijn mening is er geen sprake van leegstand. Ten onrechte is geconcludeerd dat het pand volledig feitelijk buiten gebruik is geweest gedurende een periode van 5 jaar. In de periode februari 2020 tot oktober 2025 was het pand structureel in gebruik als zendmastlocatie (sinds 2019) op basis van een langlopende huurovereenkomst met [naam 2] . Er heeft toegang, onderhoud en energieverbruik plaatsgevonden. Tevens is sprake van sleutelbeheer, beheerafspraken en zijn installatiewerkzaamheden uitgevoerd. Hiermee is aangetoond dat het pand niet volledig buiten gebruik is geweest. Eiser stelt dat “feitelijk buiten gebruik” ziet op het ontbreken van ieder gebruik. Daarvan is in dit geval geen sprake.
Eiser is verder van mening dat het college het historisch tekort van de kerk ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten omdat de kerk meer dan vijf jaar leeg heeft gestaan. Het college is uitgegaan van de norm voor volledige nieuwbouw. Eiser verwijst ter ondersteuning van zijn standpunt naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 mei 2019 [1] . Daaruit volgt dat leegstand niet relevant is. Dat betekent dat de parkeerbehoefte van de kerk bij de berekening betrokken moet worden. De parkeernorm voor een kerkgebouw is 0,1 parkeerplaats per zitplaats. De kerk had 300 tot 500 zitplaatsen, zodat er in de oude situatie al meer dan 30-50 parkeerplaatsen noodzakelijk waren. Vanaf 1974 beschikte de kerk niet over een eigen parkeerterrein en vond het parkeren in de openbare ruimte plaats. Deze situatie had het college bij de besluitvorming moeten betrekken en dan had het college geen reden om de aanleg en afkoop van nieuwe parkeerplaatsen te eisen.
8.1.
Het college heeft zich, onder verwijzing naar par. 2.2. van de Nota parkeernormen 2024 (parkeernota), op het standpunt gesteld dat terecht en op goede gronden is uitgegaan van een ongebruikt gebouw en om die reden niet is gesaldeerd met de parkeerbehoefte van een bestaande situatie. De kerk staat namelijk al sinds 2015 leeg. Uit het Cultuurhistorisch onderzoek uit 2018 komt naar voren dat het gebruik als kerk al meer dan 10 jaar niet meer plaatsvindt en het gebouw een korte periode is gekraakt in de periode 2018-2019. Eiser is er niet in geslaagd het tegendeel te bewijzen. Er is onvoldoende grond om uit te kunnen gaan van een bepaalde bestaande gebruiksfunctie (zendmastlocatie) van het pand. In de parkeernota is, afgezien hiervan, ook opgenomen dat een kortdurend tijdelijk gebruik ter overbrugging van een permanent gebruik buiten beschouwing wordt gelaten.
Het college heeft zich in het nader verweerschrift onder verwijzing naar de parkeernota op het standpunt gesteld dat de nuancering bij het bepalen van de bestaande parkeerbehoefte wel degelijk in overeenstemming is met de jurisprudentie over salderen. Rekening wordt gehouden met de bestaande parkeerbehoefte en deze wordt vastgesteld op nihil wanneer het pand al meer dan vijf jaar niet is gebruikt. Dit is ook gebruikelijk bij andere gemeenten en ook al eerder goedgekeurd door de rechtbank Oost-Brabant [2] . Het doel van de parkeernota is het afwikkelen van de parkeerbehoefte van een bepaalde functie zodat geen parkeeroverlast ontstaat voor de omgeving. In dat licht is het redelijk om het historisch tekort buiten beschouwing te laten.
Wanneer een gebouw langdurig leeg staat is de bestaande parkeerbehoefte verdwenen en gereduceerd tot nul.
8.2.
Bij de beoordeling of een bouwplan in voldoende parkeergelegenheid voorziet om in de parkeerbehoefte ervan te kunnen voorzien, moet volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling [3] alleen rekening worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Dit houdt in dat slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte vanwege het bestaande pand. Leegstand van dat pand gedurende een periode is daarbij niet relevant. [4]
8.3.
De rechtbank leidt uit deze uitspraak af dat een bestaand tekort buiten beschouwing gelaten kan worden en dat enkel de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan relevant is en dat leegstand ‘gedurende een periode’ niet relevant is. Uit het bestreden besluit volgt dat het college inderdaad alleen de toename van de parkeerbehoefte heeft getoetst. Daarbij heeft het gebruik gemaakt van de parkeernota.
De rechtbank ziet niet in dat het in de parkeernota neergelegde beleid in strijd is met de onder 9.2 weergegeven rechtspraak. Met de parkeernota geeft het college duidelijkheid over de termijn waarna leegstand naar zijn mening wel relevant is, namelijk bij leegstand van meer dan vijf jaar. Dat is naar het oordeel van de rechtbank geen onredelijk beleidsuitgangspunt en het college kon er daarom aan toetsen.
8.3.1.
De rechtbank is van oordeel dat met de in de parkeernota opgenomen zin “Als een gebouw of terrein meer dan vijf jaar ongebruikt is gebleven, wordt de parkeerbehoefte van de bestaande situatie geacht nihil te zijn.” [5] het voor parkeernormen relevante gebruik van het gebouw wordt bedoeld. Vast staat dat het gebruik van de kerk als zodanig meer dan vijf jaar voor de aanvraag was gestaakt. Het enige andere gebruik sindsdien dat eiser heeft onderbouwd, is gebruik als zendmastlocatie. Dat is echter niet een gebruik van het gebouw dat relevant is voor de parkeerbehoefte. Het gebouw zelf werd immers niet gebruikt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van een gebruiksfunctie met een bijbehorende parkeerbehoefte waardoor niet gesteld kan worden dat het gebouw meer dan vijf jaar ongebruikt is gebleven. Het college kon er daarom van uitgaan dat de parkeerbehoefte van het gebouw nihil was. Deze grond slaagt niet.
Aantal parkeerplaatsen
9. Eiser stelt voorts dat een omgevingsvergunning “bouwen” als omgevingsplanactiviteit is verleend voor de entresolvloer van 85 m2 en voor de nieuwe deur, maar er wordt uitdrukkelijk geen omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het gebruik als fitnesscentrum. Voor dit gewijzigde gebruik is immers geen omgevingsvergunning nodig. Hieruit volgt dat ook geen parkeereisen gesteld kunnen worden, behalve voor wat betreft de entresolvloer van 85 m2. Gezien de parkeernorm gaat het dan om 0,85 x 3,2 = 3 parkeerplaatsen. Deze kunnen op eigen terrein worden aangebracht zodat geen afkoop van parkeerplaatsen kan worden voorgeschreven.
9.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in de parkeernota is toegelicht dat bij het bepalen van de parkeereis de eerste stap is om de normatieve parkeerbehoefte van de betreffende functie te bepalen. Dat gebeurt aan de hand van het totale vloeroppervlak waarop die functie van toepassing is. Daarom is terecht uitgegaan van de totale parkeerbehoefte van de nieuwe sportfunctie.
Het college is uitgegaan van een vloeroppervlakte van 655 m2 en een parkeernorm van 3.2 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Dit betekent dat 21 parkeerplaatsen voor auto’s moeten zijn. Hiervan kunnen er 9 parkeerplaatsen worden opgevangen in de openbare ruimte zonder dat sprake is van onaanvaardbare parkeeroverlast. Voor dit project bedraagt het tarief voor storting in het mobiliteitsfonds € 1.000,- per parkeerplaats. In totaal wordt er voor het gebruik in de openbare ruimte een bijdrage gevraagd van € 9.000,-.
In het nader verweerschrift heeft het college aangegeven het niet eens te zijn met eisers stelling dat er geen grondslag aanwezig is om te toetsen aan de parkeernormen omdat het gebruik in overeenstemming is met de bestemming en alleen voor wat betreft het toevoegen van de entresolvloer aan de parkeernormen getoetst zou mogen worden.
Het college stelt dat niet ter discussie staat dat sprake is van een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. De kerk wordt verbouwd naar sportschool waarbij het gebruik wijzigt en er daarnaast vergunningplichtige bouwactiviteiten worden verricht.
De nieuwe situatie heeft ertoe geleid dat de gehele kerk als sportschool gebruikt kan worden. Alleen al om die reden wordt getoetst aan de beoordelingsregel voor parkeren.
9.2.
In het kader van de verleende omgevingsvergunning zijn bouwwerkzaamheden uitgevoerd met het oog op gewijzigd gebruik, te weten:
• het plaatsen van een nieuwe entresolvloer van circa 85 m2;
• het plaatsen van een nieuwe entree;
• het aanbrengen van een ventilatiesysteem;
• enige aanpassingen aan het interieur.
9.3.
Artikel 11.5.2 onder b van de planregels bij het bestemmingsplan bepaalt dat het verboden is om in de bestaande situatie de gebruiksfunctie van gronden en/of gebouwen te wijzigen in een andere gebruiksfunctie passend binnen de bestemming met een toename van de autoparkeerbehoefte conform de parkeernota. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een functiewijziging die weliswaar past binnen het bestemmingsplan, maar die op grond van de parkeernota een stijging van de autoparkeerbehoefte kent, omdat op grond van deze nota moet worden uitgegaan van een bestaande behoefte die nihil is. [6] Daarom is de gebruikswijziging dus verboden. Met de vergunning die is verleend, wordt deze gebruikswijziging mogelijk gemaakt. De gebruikswijziging betreft het gehele pand en daarom moet de parkeerbehoefte van het gehele pand betrokken worden. Het college is derhalve bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen terecht uitgegaan van een vloeroppervlakte van 655 m2. Dit resulteert bij de toepassing van de parkeernorm in 21 parkeerplaatsen voor auto’s. Alleen al daarom slaagt de grond niet.
Maatwerk
10. Eiser is van mening dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan het maatwerkbeginsel. De Nota parkeernormen 2024 bepaalt in paragraaf 4.1.1.3 dat maatwerk mogelijk is bij herontwikkeling van bestaande bebouwing, monumentale of beeldbepalende gebouwen en bij functies met een beperkte of afwijkende parkeerbehoefte. Aan deze voorwaarden is voldaan.
10.1.
Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de Parkeernota geen paragraaf 4.1.1.3 bevat. Hoofdstuk 3 van de Parkeernota bevat het nodige maatwerk op welke wijze de parkeereis kan worden ingevuld. Daarnaast zijn er in paragraaf 3.3 afwijkingsmogelijkheden benoemd. Het plan van eiser komt niet in aanmerking voor één van deze afwijkingsmogelijkheden.
10.2.
De rechtbank stelt vast dat in artikel 3.3 van de Parkeernota is aangegeven wanneer in een bijzondere situatie kan worden afgeweken van de parkeereis. Aangegeven is dat daarbij sprake moet zijn van een situatie waarbij het toepassen van de parkeer-normen(systematiek) afbreuk doet aan een of meer planaspecten op het gebied van bereikbaarheid, (financiële) haalbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, woningbouwopgave verblijfskwaliteit en klimaat/ milieu. Van een dergelijke bijzondere situatie tot afwijking van de parkeereis is niet gebleken. Bovendien zou de aanwezigheid van die omstandigheden enkel de bevoegdheid geven voor afwijken met maatwerk, maar daartoe bestaat dan nog steeds geen verplichting. Deze grond slaagt niet.
Evenredigheid
11. Eiser stelt dat de opgelegde verplichtingen in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 Awb Pro. De 12 reeds gerealiseerde parkeerplaatsen dekken het merendeel van de vermeende parkeerbehoefte, de parkeervraag van een fysiotherapiepraktijk is relatief laag en gespreid over de dag en het betreft een cultureel erfgoedobject waarvoor maatwerk is vereist.
11.1.
Het college stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het in de toepassing van de parkeernormen geen onevenredigheid of disproportionaliteit ziet. Er is uitvoering gegeven aan de parkeernota. Het zorgvuldig invullen van een parkeereis heeft als doel om parkeeroverlast te voorkomen en te waarborgen dat het beoogde gebruik ook daadwerkelijk op een adequate manier bereikt kan worden door de toekomstige bezoekers. Dat sprake is van een cultureel erfgoed levert op zichzelf geen bijzondere situatie op die noopt tot afwijken van de parkeereis.
12.2.
Ingevolge artikel 3:4, tweede lid, van de Awb mogen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
11.3.
Deze grond slaagt niet. Het doel dat met het besluit wordt gediend is naleving van de parkeernota en de daarin opgenomen belangen. Het belang dat eiser stelt is een financieel belang. Hij heeft niet gesteld wat de gevolgen zijn en waarom die zo groot zijn dat het bestreden besluit niet genomen zou mogen worden. Zijn stelling dat het doel van de parkeernota ook bereikt kan worden met minder parkeerplaatsen, waardoor het onevenredig is om financiële compensatie te storten in het Mobiliteitsfonds, volgt de rechtbank niet. Niet is gebleken dat de normen onredelijk hoog zijn. De aard van de gebruiksfunctie is al betrokken bij de opstelling van de normen. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet maken dat de verplichting tot compensatie van 9 parkeerplaatsen in het Mobiliteitsfonds onevenredig is in verhouding met het besluit te dienen doelen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verplichting in de omgevingsvergunning -tot het doen van een storting van € 9.000,- in het Mobiliteitsfonds voor het opvangen van de behoefte van 9 parkeerplaatsen in de openbare ruimte- in stand blijft.
13. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:4
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Omgevingswet

Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
b. t/m g. (..).
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Artikel 8.0a (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)
1.Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

bestemmingsplan “Woensel Noord 2021” (zoals geldend op 13 mei 2025)

Artikel 1 Begrippen Pro
1.8
Maatschappelijke voorzieningen
educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie, wooneenheden voor beschermd en/of verzorgd wonen en daarbij behorende voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en openbaar bestuur. Onder maatschappelijke voorzieningen zijn tevens begrepen kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang.
Artikel 11 Maatschappelijk Pro
11.1
Bestemmingsomschrijving
De voor `Maatschappelijk´ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. maatschappelijke voorzieningen;
b. ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' uitsluitend een begraafplaats;
c. (bedrijfs)woningen, uitsluitend voor zover bestaand, al dan niet in combinatie met een ruimte voor een aan-huis-verbonden-beroep;
met daarbij behorende:
d. horecavoorzieningen, detailhandelsvoorzieningen en/of dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling voor zover ten dienste van de maatschappelijke voorziening;
e. tuinen, erven en terreinen;
f. (ondergrondse) parkeervoorzieningen;
g. groenvoorzieningen;
h. speelvoorzieningen;
i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
j. voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie;
k. nutsvoorzieningen;
l. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
met dien verstande dat:
m. een (bedrijfs)woning en/of kamersgewijs bewoonde (bedrijfs)woning niet mag worden gesplitst in twee of meerdere (bedrijfs)woningen;
n. kamerverhuur niet is toegestaan, tenzij het een bestaande situatie betreft;
o. de vloeroppervlakte ten behoeve van een aan-huis-verbonden-beroep niet meer dan 50 m² mag bedragen.
11.5.2
Gebruik
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:
a. een niet geluidgevoelige functie mag slechts worden gewijzigd in een geluidgevoelige functie passend binnen artikel 11.1, indien;
1. de voorkeurswaarde ingevolge de Wet geluidhinder niet wordt overschreden of;
2. indien sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde er door het bevoegd gezag hogere waarden zijn verleend;
b. Het is verboden om in de bestaande situatie de gebruiksfunctie van gronden en/of gebouwen te wijzigen in een andere gebruiksfunctie passend binnen de bestemming met een toename van de autoparkeerbehoefte conform de Actualisatie nota parkeernormen 2019.
Artikel 31 Overige Pro regels
31.1
Voorwaardelijke verplichting parkeren
a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, staat vast dat voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de beleidsregels Actualisatie nota parkeernormen wordt gerealiseerd en in stand gehouden.
b. Als de onder sub a bedoelde beleidsregels worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
31.2
Afwijken van parkeereis
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 31.1 indien:
a. uit een parkeerbalans blijkt dat meer of minder parkeerplaatsen noodzakelijk zijn;
b. het voldoen aan de in lid 31.1 genoemde parkeernormen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit of voor zover op andere wijze in de nodige parkeerplaatsen wordt voorzien.
31.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de maatvoering van de parkeervoorzieningen, zoals bedoeld in lid 31.1 indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk i
Paraplubestemmingsplan parkeren, kamerbewoning en woningsplitsing 2021(geldend op 13 mei 2025)
hoofdstuk 1 Inleidende regels
artikel 1 Begrippen Pro
1.1
plan: het bestemmingsplan Paraplubestemmingsplan parkeren, kamerbewoning en woningsplitsing 2021 met identificatienummer NL.IMRO.0772.80401-0301 van de gemeente Eindhoven.
1.2
bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
1.3
Actualisatie Nota Parkeernormen (2019)
Nota gepubliceerd op 3 oktober 2019 en in werking getreden op 4 oktober 2019.
1.12
wijzigen van de gebruiksfunctie van gronden en/of gebouwen
het feitelijk wijzigen van de gebruiksfunctie van gronden en/of gebouwen, waarbij geen sprake is van omgevingsvergunningplichtige bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
artikel 2 Reikwijdte Pro
2.1
Herziening bestemmingsplannen
Dit bestemmingsplan wijzigt de bestemmingsplannen binnen het grondgebied van de gemeente Eindhoven, inclusief de op basis daarvan vastgestelde wijzigings- en uitwerkingsplannen, op de wijze zoals aangegeven in de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 van dit bestemmingsplan.
2.4
Herziening regels parkeernormen
a.de regels van de bestemmingsplannen, inclusief de op basis daarvan vastgestelde wijzigings- en uitwerkingsplannen worden gewijzigd in die zin dat alle regels die betrekking hebben op parkeren worden vervangen, en voor zover deze nog niet aanwezig zijn, worden aangevuld, door de regels van dit bestemmingsplan (Artikel 4 en Pro Artikel 5).
b. van het bepaalde onder a. kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken als sprake is van (een) nog niet vergunde ontwikkeling(en) waarvoor een afwijkende regeling voor parkeren in een bestemmingsplan is opgenomen,
c. het bepaalde onder a. is voorts niet van toepassing op de volgende bestemmingsplannen:
1. Luchthaven Eindhoven e.o., vastgesteld d.d. 10 september 2017 (NL.IMRO.0772.80231-0301);
2. I Luchthaven Eindhoven e.o. (Parkeergarage P5), vastgesteld d.d. 28 januari 2020 (NL.IMRO.0772.80331-0301).
artikel 4 Parti Proële herziening parkeernormen
4.1
Bouwregel parkeren
a. bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, met dien verstande dat aan de hand van de beleidsregeling 'Actualisatie Nota Parkeernormen
(2019)' en de beleidsregeling 'Kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen' wordt bepaald of hieraan voldaan is;
b. als de onder a. genoemde beleidsregelingen worden gewijzigd, wordt aan de hand van de nieuwe beleidsregeling(en) bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
4.2
Afwijken
Bij omgevingsvergunning kan in bijzondere gebieden of situaties worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.1, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en/of ruimtelijke situatie.
4.3
Nadere eisen
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de maatvoering van de (fiets)parkeervoorzieningen, zoals bedoeld in lid 4.1, indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.
artikel 5 Parti Proële herziening parkeren bij wijziging gebruiksfunctie
5.1
Verbod
Als gebruik in strijd met het bestemmingsplan geldt het wijzigen van de gebruiksfunctie van gronden en/of gebouwen in een andere gebruiksfunctie passend binnen de bestemming, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, een en ander volgens de beleidsregeling 'Actualisatie Nota Parkeernormen (2019)' van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven zoals vastgesteld op 24 september 2019 en opgenomen in Bijlage 1 bij de planregels.
5.2
Afwijken
Bij omgevingsvergunning kan in bijzondere gebieden of situaties worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.1, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en/of ruimtelijke situatie.

Nota parkeernormen 2024

geldend van 15-04-2025 t/m heden (lees: 13-1-20026):

2.2
Berekening normatieve parkeerbehoefte

Bepalen normatieve parkeerbehoefte (stap 1)

Bij elke planontwikkeling wordt eerst berekend welke normatieve parkeerbehoefte geldt. Per functie/voorziening/activiteit wordt het normatieve aantal parkeerplaatsen van het betreffende plan berekend op basis van de geldende normen per eenheid van de betreffende voorziening. De parkeernormen zijn opgenomen in bijlage 2.

Dubbelgebruik en salderen (stap 2)

(..)
Salderen
De parkeernorm is gericht op de toekomstige parkeerbehoefte van plannen die nog gerealiseerd moeten worden. Als een plan in de plaats komt van een bestaande functie, is er al sprake van een bestaande parkeerbehoefte. In de berekening kan ook de parkeerbehoefte worden meegenomen van de bestaande functies/voorzieningen/activiteiten die komen te vervallen (bij verbouwing of sloop-nieuwbouw). Dit heet salderen. Het principe salderen geldt alleen als bestaande parkeerplaatsen opnieuw kunnen worden ingezet om de parkeerbehoefte van de nieuwe functie(s) op te lossen. Bestaande parkeerplaatsen die bij een herontwikkeling komen te vervallen tellen dus niet mee. Salderen is niet verplicht.
Het aantal te salderen parkeerplekken kan worden bepaald op basis van de actuele parkeernorm of worden vastgesteld aan de hand van gebruik in de praktijk. Hiervoor is dan een parkeeronderzoek vereist waarin de bezetting op verschillende momenten in beeld is gebracht. Het aantal parkeerplaatsen dat op het drukste moment bezet is, kan dan gesaldeerd worden. In de berekening van de parkeerbehoefte wordt het salderingsdeel afgetrokken.
Als er in de bestaande situatie sprake is van parkeren in de openbare ruimte, mogen deze parkeerplaatsen ook in de nieuwe situatie weer worden ingezet tot het maximum volgens de norm of op basis van de parkeerbehoefte in de praktijk. Het is niet noodzakelijk deze parkeerbehoefte ook binnen het plan op te lossen, aangezien dat kan leiden tot overbodige capaciteit en een hogere druk op een plan. Saldering is evenwel niet verplicht. Het is een keuze om toch de gehele parkeerbehoefte in de bouwontwikkeling te faciliteren.
Salderen is mogelijk tot een maximale termijn van vijf jaar. Als een gebouw of terrein meer dan vijf jaar ongebruikt is gebleven, wordt de parkeerbehoefte van de bestaande situatie geacht nihil te zijn. Tijdelijk gebruik ter overbrugging van een permanent gebruik wordt (als het niet langer dan vijf jaar heeft geduurd) buiten beschouwing gelaten.
3.3
Afwijken van de parkeereis
In de volgende gevallen kan afgeweken worden van de parkeereis:
1.Parkeereis is één of twee parkeerplaatsen
Wanneer bij nieuwe initiatieven de parkeereis één of twee parkeerplaatsen bedraagt, wordt vrijstelling van de parkeereis verleend. Er vindt in deze gevallen geen aanvullende toetsing aan de parkeernormensystematiek plaats. Er is dan ook geen financiële bijdrage aan het mobiliteitsfonds aan de orde, maar het plan wordt wel toegevoegd op de AUP-lijst (Adressenlijst Uitsluiting Parkeervergunningen).
2. (..)
3. Bijzondere situaties en gebieden
In bijzondere situaties of gebieden kan bij uitzondering op basis van een besluit van het college van burgemeester en wethouders worden afgeweken van de parkeernormen en de bijbehorende systematiek. Er moet sprake zijn van een bijzondere situatie waarbij het toepassen van de parkeernormen(systematiek) afbreuk doet aan een of meer van planaspecten op het gebied van bereikbaarheid, (financiële) haalbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, woningbouw-opgave, verblijfskwaliteit en klimaat/milieu.
4. (..).
5.4
Mobiliteitsfonds
Ten behoeve van deze nota is een fonds ingesteld dat bestemd is voor het (mede) realiseren van vervoersalternatieven. Dit mobiliteitsfonds wordt gevuld met de afkoopbedragen die voldaan moeten worden in geval van de inzet van parkeerplaatsen in de openbare ruimte als (al dan niet gedeeltelijke) invulling van de parkeereis en/of afkoop van de parkeereis op basis van stap 6. Met de middelen in het fonds wordt bijgedragen aan een netwerk van stadsbrede mobiliteitsvoorzieningen. De middelen komen de stad en daarmee ook het plan ten goede, maar er mag evenwel geen parkeeroverlast in de omgeving ontstaan als gevolg van de afkoop. De afkoopbedragen zijn opgenomen in bijlage 5.
ontstaan als gevolg van de afkoop. De afkoopbedragen zijn opgenomen in bijlage 5.
5.5
Hardheidsclausule
De in deze nota beschreven parkeernormen en werkwijze zijn van toepassing op alle toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, uitgezonderd ontwikkelingen waarvoor in het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan gemeente Eindhoven bij uitzondering een andere parkeernorm en/of systematiek van toepassing is. Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (Awb art. 4:84).

Omgevingsplan gemeente Eindhoven, geldend ten tijde van het bestreden besluit.

Hoofdstuk 3 GEBRUIKSDOEL VAN GRONDEN EN BOUWWERKEN (REGELS OVER GEBRUIK)
Afdeling 3.3 Parkeren
Paragraaf 3.3.1 Parkeernormen voor auto's en fietsen
Artikel 3.6 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het aantal parkeerplaatsen voor auto's en fietsen dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken gerealiseerd en in stand gehouden moet worden.
Artikel 3.7 Parkeernormen
Voor de toepassing van deze paragraaf gelden de parkeernormen volgens de beleidsregel Nota Parkeernormen 2024.
Artikel 3.8 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik
In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.2 is het verboden om de gebruiksactiviteit van gronden en/of gebouwen te wijzigen in een andere gebruiksactiviteit, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, een en ander volgens de beleidsregel Nota parkeernormen 2024, zoals opgenomen in bijlage III.
Artikel 3.9 Maatwerkvoorschrift bij wijzigen bestaand gebruik
1. Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift stellen waarmee kan worden afgeweken van artikel 3.8, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag:
a. sprake is van bijzondere gebieden of bijzondere situaties; en
b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en/of fysieke leefomgeving.
2. Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan inhouden een voorschrift met betrekking tot het behoud van een passend aantal parkeerplaatsen.
3. Bij het verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt:
a. het planologisch gebruik dat plaatsvindt en de omvang daarvan, en het aantal parkeerplaatsen dat daarbij op eigen terrein aanwezig is;
b. een omschrijving van de beoogde wijziging waarop verzoek tot het geven van een maatwerkvoorschrift betrekking heeft; en
c. een motivering van het verzoek.
Paragraaf 3.4.1 Gebiedsaanwijzingen
Artikel 3.11 Gebiedstype maatschappelijk gebied
Er is een gebiedstype maatschappelijk gebied
paragraaf 5.2.4.5 Parkeernormering auto's en fietsen
Artikel 5.38 Beoordelingsregel parkeerplaatsen
1. Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Aan de hand van de beleidsregeling 'Nota parkeernormen 2024” en de 'Beleidsregels kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen” wordt bepaald of hieraan voldaan is.
2. Als de onder het eerste lid genoemde beleidsregelingen worden gewijzigd, wordt aan de hand van de nieuwe beleidsregeling(en) bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
4. Voor zover een TAM-omgevingsplan regels bevat over parkeergelegenheid waaraan voldaan moet worden, wordt, in afwijking van het eerste lid, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken een alleen verleend als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd, in overeenstemming is met die afwijkende regels.
Artikel 5.39 Met vergunningvoorschrift afwijken van de parkeernormen
Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen voorschriften worden verbonden waarmee kan worden afgeweken van artikel 5.38 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag:
a. sprake is van bijzondere gebieden of bijzondere situaties; en
b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en/of ruimtelijke situatie.
Artikel 5.40 Maatwerkvoorschrift maatvoering parkeervoorzieningen
Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de maatvoering van de (fiets)parkeervoorzieningen, indien dit gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.
Hoofdregeling omgevingsplan
Bijlage I Begrippen
-maatschappelijke voorzieningen:
educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie, wooneenheden voor beschermd en/of verzorgd wonen en daarbij behorende voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en openbaar bestuur. Onder maatschappelijke voorzieningen zijn tevens begrepen kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang.
-Nota parkeernormen 2024:
parkeernormen gepubliceerd op 19 april 2024 en in werking getreden op 20 april 2024.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RVS: 2019:1574
3.Zie de uitspraak van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1574.
4.Overweging 3.2
5.Laatste alinea van 2.2, pagina 7 van de parkeernota.
6.Zie hierboven onder 8 en verder.