Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekers]
Gedeputeerde Staten van de provincie Noord- Brabant, het college
Als derde-partij heeft deelgenomen: Stichting [naam] , vergunninghouder
Samenvatting
Procesverloop
Inleiding
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De genoemde bezoeken op 7 en 19 augustus voldoen aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol ten aanzien van onderzoek naar massa-winterverblijven, maar werd in het plangebied geen zwermgedrag waargenomen. Bij de bezoeken op 18 augustus en 8 september werd vroeger gestart en werd rond middernacht (18augustus) af een uur ervoor (8 september) gestopt, waarmee deze ronden niet voldoen aan de richtlijn in het Vleermuisprotocol voor massa-winterverblijven. Uit een vergelijking met de hiervoor beschreven informatie over zwermgedrag bij bekende massa winterverblijven kan echter geconcludeerd worden dat ook op 18 augustus de kans groot was dat zwermende gewone dwergvleermuizen zouden zijn waargenomen als er een massa winterverblijfplaats aanwezig was. Dat er alleen op 18 augustus, bijna anderhalf uur voor middernacht, vijf zwermende gewone dwergvleermuizen werden waargenomen, en niet tijdens de overige drie bezoeken die zijn uitgevoerd, maakt het zeer onwaarschijnlijk dat in de gebouwen aan de [adres] in [woonplaats] een massa-winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen aanwezig is.” Deze afwijking waar verzoekers naar verwijzen gaat enkel over de potentiële massawinterverblijfplaats. In het bestreden besluit is hierover opgenomen dat er in de nazomerzwermperiode 5 gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen. Deze vleermuizen keerden regelmatig terug rondom de kozijnen van één van de raampartijen aan de westzijde van het (voormalig) verpleeghuis, wat erop wijst dat de verblijfplaats zich ergens langs de kozijnen bevindt. Deze waarneming heeft plaatsgevonden om 22:33 uur. Gelet op het tijdstip, aantal individuen en de periode in het jaar, kan niet worden uitgesloten dat deze verblijfplaats een massawinterverblijfplaats betreft. Daarom wordt deze als zodanig beschouwd. De afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verbiedt bij wijze van voorlopige voorziening expliciet dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200 aan verzoekers moet vergoeden.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage
Artikel 11.27 Bal
Artikel 11.46 Bal
onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
onder a, bij de habitatrichtlijn,
bijlage IIbij het verdrag van Bern of
bijlage Ibij het verdrag van Bonn;
onder b, bij de habitatrichtlijn of
bijlage Ibij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Artikel 8.74k Besluit kwaliteit leefomgeving
artikel 11.46, eerste lid,
11.47, eerste lid, of
11.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
artikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgevingtot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, bedoeld in dat onderdeel onder 1°, 2° en 3°, in aanmerking genomen.