Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De verdere procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 10 april 2026;
- het bericht van de mentor van betrokkene van 24 april 2026;
- de nieuwe medische verklaring van 4 mei 2026;
- de reactie van de advocaat van betrokkene van 8 mei 2025.
2.Wat vaststaat
3.Het verzoek
4.De beoordeling
(28 april 2026). Bovendien zou een diagnose – als de redenering van de advocaat wordt gevolgd – in alle gevallen onderuit gehaald kunnen worden door ofwel tijdelijk abstinent te zijn dan wel min of meer toevallig een goede dag te hebben. Het is – zeker in deze zaak – belangrijk om het geheel aan informatie te beschouwen en daar conclusies aan te verbinden.
4.8. De rechtbank verwijst in dit verband naar onderdeel 2.8 van de conclusie van A-G Lückers van 29 juli 2022 (te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:PHR:2022:728) waarin onder meer het volgende is overwogen:
“
De onduidelijkheid waar het middel naar verwijst (…) en waarvoor observatie en diagnostiek nodig is, ziet - na bestudering van het dossier en de bestreden uitspraak - niet zo zeer op de vraag óf er sprake is van een geestelijke stoornis (…), maar op onderzoek naar de oorzaak van de geestelijke stoornis en welke behandeling betrokkene adequate hulp kan geven en verandering kan bewerkstellingen (…). Die vraag kan alleen beantwoord worden door opname van betrokkene (observatie) en stabilisatie (….). De onduidelijkheid over de psychiatrische kwalificatie, over de oorzaken van de psychische stoornis en over de behandeling hoeft de verlening van een zorgmachtiging niet in de weg te staan. Dit volgt ook uit de wetsgeschiedenis waarin is overwogen dat in de medische verklaring moet worden ingegaan op de symptomen en, zo mogelijk, een diagnose moet worden gesteld. Een (definitieve) diagnose is niet altijd direct te stellen en vergt vaak - na opname - nadere observatie en stabilisatie van betrokkene.”
De rechtbank leest hierin steun voor haar oordeel ten aanzien van de onduidelijkheid van de herkomst van de cognitieve stoornis en de noodzaak van diagnostiek.
Een diagnose hoeft – kort gezegd - nog niet 100% duidelijk te zijn bij afgifte van een zorgmachtiging. Soms is (verdere) diagnostisering nodig na afgifte.
4.9. De stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel bestaat uit:
4.16. Zoals aan het begin van deze beschikking is overwogen zit deze casus op de grenzen van de verschillende wettelijke stelsels. Ook zijn er – afhankelijk van de belichtingswijze – andere pleitbare standpunten mogelijk. Dat hoeft volgens A-G Lückers (zie de eerder genoemde conclusie, onderdeel 2.9) niet te betekenen dat het oordeel van een rechtbank onjuist is:
Het is aan de rechtbank als feitenrechter voorbehouden welke waardering wordt gegeven aan de verklaringen van de verschillende partijen bij de verlening van de zorgmachtiging. Die vrijheid in de feitelijke afweging van de rechter brengt met zich mee dat - anders dan het middel stelt - de rechtbank ook niet in hoeft te gaan op elke verklaring die andersluidend is dan het oordeel, zoals de mening van de zorgverantwoordelijke (subonderdeel 2.1) 12, die overigens op p. 7 van het zorgplan heeft aangekruist dat is voldaan aan alle criteria voor verplichte zorg en dat de doelen van verplichte zorg zijn het afwenden van ernstig nadeel en het stabiliseren lichamelijke gezondheid. Het oordeel van de rechtbank dat aan de vereisten van artikel 2:1 Wvggz Pro wordt voldaan (rov. 2.2 en 2.10), waaronder ook vallen effectiviteit, doelmatigheid en proportionaliteit van de verplichte zorg, kon mijns inziens op basis van de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting worden gedragen en is geenszins onbegrijpelijk. Dat een andere feitelijke beoordeling mogelijk was op basis van een opmerking van de zorgverantwoordelijke in het zorgplan/behandelplan, maakt het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk of onjuist.”
De beslissing