ECLI:NL:RBOBR:2026:4850
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling legesheffing aanvraag omgevingsvergunning kappen bomen gemeente Vught
Eiser diende op 4 februari 2025 een aanvraag in bij de gemeente Vught voor een omgevingsvergunning om drie bomen te kappen. Het college van burgemeester en wethouders stelde de aanvraag op 7 oktober 2025 buiten behandeling wegens het niet aanleveren van aanvullende gegevens binnen de gestelde termijn. De heffingsambtenaar legde daarop een legesaanslag van €210,88 op, gebaseerd op het in behandeling nemen van de aanvraag en het buiten behandeling stellen.
Eiser maakte bezwaar tegen de aanslag, stellende dat de leges te vroeg en te hoog waren opgelegd. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank. Tijdens de zitting op 3 juli 2026 was eiser afwezig, maar de rechtbank ging door omdat de uitnodiging correct was verzonden.
De rechtbank oordeelde dat het belastbaar feit voor de legesheffing het in behandeling nemen van de aanvraag is, ongeacht het buiten behandeling stellen. De leges waren dus niet te vroeg geheven. Daarnaast was het juiste tarief toegepast, omdat de aanvraag betrekking had op het kappen van bomen op grond met de bestemming 'Bos', waarvoor een omgevingsvergunning op basis van het bestemmingsplan vereist is. Het lagere tarief voor houtopstanden uit de APV was niet van toepassing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de legesaanslag in stand blijft en eiser het griffierecht niet terugkrijgt.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de legesheffing niet te vroeg en correct is opgelegd.